Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6626

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
2807827 EZ VERZ 14-59
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrechtprocedure op grond van artikel 4:218 lid 3 BW, bezwaren tegen uitdelingslijst door de kantonrechter afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2015-0093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team bewind en erfrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaakgegevens 2807827 \ VERZ 14-59 \ 902\721\ma

uitspraak van 17 oktober 2014

beschikking

in de zaak van

[verzoeker]

wonende te [plaats]

procederend in persoon

verzoekende partij

en

1.

[vereffenaar 1]

kantoorhoudend te [plaats]

procederend in persoon

2.

[vereffenaar 2]

kantoorhoudend te [plaats]

procederend in persoon

verwerende partijen

Partijen worden hierna verzoeker en vereffenaars genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 19 februari 2014;

- de aantekeningen van de griffier van de gehouden mondelinge behandeling van
24 april 2014.

Thans is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op[2010] is overleden [erflater], hierna te noemen erflater, geboren te[plaats] op [1918], laatst wonende te [plaats].

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Arnhem d.d. 24 november 2011 zijn [vereffenaar 1] en [vereffenaar 2] benoemd tot vereffenaars van de nalatenschap van erflater.

2.3.

Verzoeker is zoon en erfgenaam van erflater.

2.4.

De vereffenaars hebben de uitdelingslijst inzake de nalatenschap van erflater gepubliceerd op 21 januari 2014 in de Staatscourant en op 23 januari 2014 in de Gelderlander.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Verzoeker maakt bezwaar tegen de uitdelingslijst van 21 januari 2014 betreffende de nalatenschap van erflater op grond van artikel 4:218 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In dat kader maakt verzoeker samengevat bezwaar tegen het feit dat zijn moeder aanspraken heeft op het vermogen van erflater welke door de vereffenaars niet is onderzocht dan wel door hen wordt betwist. Verder stelt verzoeker dat niet is onderzocht welke onroerende zaken erflater op naam had staan op het moment van zijn overlijden, waardoor mogelijk onterecht een aantal stukken grond te [plaats] niet in de afwikkeling van de nalatenschap zijn betrokken. Daarnaast maakt verzoeker bezwaar tegen de hoogte van de kosten die door de vereffenaars in rekening worden gebracht. Verzoeker verzoekt daarom de kantonrechter het bezwaar tegen de uitdelingslijst gegrond te verklaren en de vereffenaars opdracht te geven een aangepaste uitdelingslijst op te maken.

3.2.

Verzoeker onderbouwt zijn verzoek met hetgeen is opgenomen in het verzoekschrift, de aanvulling daarop met bijlagen en met hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

3.3.

Verweerders hebben ter zitting mondeling verweer gevoerd tegen het verzoek, waarop de kantonrechter, indien van belang voor de beoordeling van het geschil, zal ingaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze procedure ligt (alleen) de juistheid van de uitdelingslijst ter beoordeling voor. Dit betekent dat de meer algemene klachten die verzoeker over de werkwijze van de vereffenaars heeft geuit, buiten beschouwing zullen blijven.

4.2.

Volgens verzoeker hebben de vereffenaars onvoldoende onderzoek gedaan naar de gevolgen van de scheiding van tafel en bed tussen erflater en de moeder van verzoeker. De kantonrechter begrijpt dat verzoeker zich hierbij op het standpunt stelt dat na onderzoek zou zijn gebleken dat de nalatenschap van erflater op een andere wijze zou moeten worden verdeeld dan nu in de uitdelingslijst is omschreven. Deze klacht faalt. Uit de correspondentie tussen verzoeker en de vereffenaars blijkt dat de vereffenaars bij herhaling een onderbouwd standpunt hebben ingenomen ten aanzien van de vermogensrechtelijke gevolgen van de genoemde scheiding van tafel en bed. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet met dit standpunt kon verenigen behoefde voor de vereffenaars geen aanleiding te zijn om hun standpunt te herzien. Het had juist op de weg van verzoeker gelegen om zijn (impliciete) stelling dat zijn moeder nog een vordering had op erflater in rechte laten vaststellen, althans op zijn minst nader te onderbouwen. Dit heeft verzoeker nagelaten. Het verzoekschrift bevat daarbij geen voor verwijzing naar een renvooiprocedure vatbare concrete vordering. Het verzet is in zoverre derhalve ongegrond.

4.3.

Verzoeker heeft verder betoogd dat de vereffenaars onvoldoende kadastraal onderzoek hebben verricht naar de onroerende zaken van erflater. Ook dit betoog kan niet slagen, nu immers uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat de vereffenaars tot tweemaal toe per datum overlijden de kadastrale registers hebben geraadpleegd. De stelling dat erflater op de sterfdatum eigenaar was van andere onroerende zaken, zoals twee niet nader gespecificeerde ‘stukken grond in [plaats]’, is niet onderbouwd. Voor zover verzoeker heeft betoogd dat de vereffenaars ook kadastraal onderzoek hadden moeten verrichten naar het vermogen van erflater op een eerder gelegen datum, zij overwogen dat de sterfdatum van erflater de peildatum voor de bepaling van de omvang van de nalatenschap is. Zonder concrete aanwijzingen dat sprake is van niet in de openbare registers opgenomen eigendom van onroerende zaken, welke aanwijzingen de kantonrechter niet heeft gezien, bestaat er voor een vereffenaar geen aanleiding om onderzoek te verrichten naar de omvang van het vermogen op een vóór de sterfdatum gelegen datum. Ook in zoverre is het verzet derhalve ongegrond.

4.4.

Tot slot heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de notariskosten die door de vereffenaars in rekening zijn gebracht. Het gaat om een totaal bedrag van € 46.520,43, waarvan € 23.168,36 aan vereffeningskosten. De kantonrechter komt zowel het in rekening gebrachte loon van de vereffenaars als de overige notariskosten, gelet op de omvang van de gespecificeerde werkzaamheden, redelijk voor. Ten aanzien van het loon van de vereffenaars is hierbij overwogen dat op grond van de tarifering van de uurlonen is gebleken dat de vereffenaars aansluiting hebben gezocht bij het loon van de curatoren in faillissementen zoals is aanbevolen door het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele- en Kantonsectoren van de rechtbanken. Voorts neemt de kantonrechter in aanmerking dat de vereffenaars reeds € 10.000,00 in mindering hebben gebracht op de eindafrekening (de totaaldeclaratie zou zonder deze kwijtschelding € 56.520,43 hebben bedraagd). Omdat het loon nog niet in rechte is vastgesteld, zal de kantonrechter het loon op grond van artikel 4:206, derde lid, BW vaststellen overeenkomstig de opgave van de vereffenaars. Ook op dit punt is het verzet ongegrond.

4.5.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek tot vernietiging van de uitdelingslijst worden afgewezen.

4.6.

Gezien de aard van het geschil zal de kantonrechter de proceskosten compenseren.

5 De beslissing

De kantonrechter,

5.1.

wijst het verzoek af,

5.2.

stelt het loon van de vereffenaars in totaal vast op € 23.168,36, inclusief BTW,

5.3.

compenseert de proceskosten.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. E. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.