Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6584

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
AWB-13_6963
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Twee boetes op grond van de Meststoffenwet.

Eiser betwist dat de hoeveelheid mest waarvan verweerder is uitgegaan op zijn percelen is terechtgekomen.

De rechtbank hoort ter zitting een door haar opgeroepen getuige (loonwerker) en een door eiser meegebrachte getuige.

Rechtbank: niet aannemelijk dat de vrachten varkensmest op de percelen van eiser terecht zijn gekomen en dus ook niet dat eiser artikel 7 van de Meststoffenwet heeft overtreden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om de betekenis van de verklaring van de door eiser meegebrachte getuige te relativeren. Verder acht de rechtbank geen sprake van bewilliging achteraf, als bedoeld in de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 3 november 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3548.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Meststoffenwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2014/205 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/6963

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RON) te Zwolle/Assen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Meststoffenwet (Msw) twee boetes aan eiser opgelegd voor een totaalbedrag van € 4.273,50.

Bij besluit van 18 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Spriensma-Heringa, werkzaam bij de RON te Zwolle. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 16 september 2014. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Spriensma-Heringa, werkzaam bij de RON te Zwolle. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van een perceel grond achter [adres] ter grootte van ongeveer 1 hectare (perceel 1), en een perceel grond aan de [adres 2] ter grootte van ongeveer 0,75 hectare (perceel 2).

Perceel 1 wordt sinds enige jaren door eiser verhuurd aan [naam 2]. Op perceel 1 is een schaapskooi aanwezig.

Tot ongeveer 2008 huurde eiser een perceel grond (perceel 3) achter [adres], gelegen vóór perceel 1 (gezien vanaf de [weg]) van [naam 1]. Vanaf ongeveer 2008 huurt [naam 2] perceel 3 van [naam 1].

2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser de percelen 1 en 2 door [naam 3] heeft laten bemesten met twee vrachten varkensmest (ongeveer 75 ton) die zijn geleverd door [naam 4].

Eiser heeft betwist dat deze vrachten varkensmest op de percelen 1 en 2 terecht zijn gekomen.

3. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de vrachten varkensmest op de percelen 1 en 2 terecht zijn gekomen en overweegt daartoe het volgende.

4. Ter zitting van 16 september 2014 is [naam 3] als getuige gehoord. Samengevat komt zijn verklaring er op neer dat hij op dezelfde dag dat de vrachten geleverd zijn de mest heeft uitgereden op de percelen 1, 2 en 3. Op de percelen 1 en 3 waren volgens [naam 3] geen schapen of pony’s aanwezig.

Ter zitting van 23 april 2014 en 16 september 2014 is [naam 2] als getuige gehoord. Samengevat komt zijn verklaring er op neer dat hij tot in ieder geval 25 maart 2011 schapen op perceel 1 had lopen en schapen en pony’s op perceel 3, dat in ieder geval tot 25 maart 2011 niet gemest is omdat hij dat niet goed vindt vanwege (drachtige) schapen, en dat hij dagelijks op percelen 1 en 3 aanwezig is geweest en in ieder geval tot 25 maart 2011 niet heeft geconstateerd dat er gemest is.

5. Uit de vervoersbewijzen dierlijke meststoffen (VDM) en de GPS-gegevens blijkt dat de vrachten mest op 11 maart 2011 zijn geleverd. Getuige [naam 3] heeft verklaard dat hij dezelfde dag de mest heeft uitgereden.

Getuige [naam 2] heeft verklaard dat in ieder geval tot 25 maart 2011 niet gemest is. Op 25 maart 2011 is zijn zoon getrouwd en hij heeft aan eiser gevraagd om zijn schapen op die dag te voeren. Zodoende weet hij dat zijn schapen tot die datum op perceel 1 en 3 zijn geweest. Hij was dagelijks bij zijn schapen aanwezig en weet daarom ook dat er toen niet gemest is. Na 25 maart 2011 zijn de schapen naar een ander perceel gegaan, dat kan eind maart of begin april zijn geweest.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van getuige [naam 2] aannemelijk dat de percelen 1 en 3 in ieder geval tot 25 maart 2011 niet bemest zijn. Getuige [naam 2] heeft een overtuigende reden (bruiloft zoon) gegeven waarom hij weet dat er in ieder geval tot 25 maart 2011 schapen liepen en niet gemest is.

Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat de percelen al op 11 maart 2011 bemest zouden zijn, zoals getuige [naam 3] heeft verklaard. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de VDM niet door eiser zijn ondertekend, maar door de vervoerder, terwijl duidelijk is dat eiser de vervoerder daarvoor niet had gemachtigd, en dat eiser die VDM niet heeft ontvangen ten tijde van de mestlevering, maar pas veel later, namelijk nadat door verweerder al een boete was opgelegd. Voorts blijkt uit de verklaring van [naam 3] niet dat hij eiser op de hoogte heeft gesteld dat hij de percelen op 11 maart 2011 zou gaan bemesten.

Ook acht de rechtbank van belang dat volgens [naam 3] de mest is afgeleverd in een mestcontainer aan de Oostermheenweg, en dat die container blijkens de GPS-gegevens op geruime afstand (volgens eiser meer dan 100 meter) van perceel 2 stond. De verklaring van [naam 3] dat de container daar stond omdat hij die ook gebruikte voor de bemesting van de percelen 1 en 3 is niet logisch, en dus niet overtuigend, omdat, gerekend vanaf de percelen 1 en 3, de container niet vóór maar juist voorbij perceel 2 stond.

Het voorgaande betekent dat de verklaring van [naam 3] dat de percelen 1 en 3 op 11 maart 2011 zijn bemest niet wordt gevolgd door de rechtbank. De rechtbank ziet geen aanleiding om ten aanzien van perceel 2 wel de verklaring van [naam 3] te volgen en gaat er dus van uit dat ook ten aanzien van perceel 2 niet aannemelijk is dat dit op 11 maart 2011 bemest is. Overigens merkt de rechtbank op dat, zelfs indien er van uitgegaan zou worden dat perceel 2 wel op 11 maart 2011 is bemest, niet kan worden vastgesteld welk deel van de op die datum geleverde vrachten op dit perceel terecht is gekomen.

6. De conclusie is dat niet aannemelijk is dat de twee vrachten varkensmest die op 11 maart 2011 op de GPS-locatie zijn gelost op de percelen 1 en 2 van eiser terecht zijn gekomen, en dus ook niet dat eiser artikel 7 van de Msw heeft overtreden.

7. Door verweerder is aangevoerd dat tussen [naam 2] en eiser een zakelijke relatie bestaat ([naam 2] huurt perceel 1 van eiser) en dat dit gevolgen moet hebben voor de betekenis die aan de verklaring van [naam 2] wordt toegekend.

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat tussen [naam 2] en eiser een zakelijke relatie bestaat onvoldoende is om de betekenis van de verklaring van [naam 2] te relativeren. Er zijn geen andere omstandigheden gebleken die aanleiding geven om de betekenis van de verklaring van [naam 2] te relativeren.

De rechtbank heeft bovendien haar oordeel dat niet aannemelijk is dat de twee vrachten varkensmest die op 11 maart 2011 op de GPS-locatie zijn gelost op de percelen 1 en 2 van eiser terecht zijn gekomen, niet alleen gebaseerd op de verklaring van [naam 2], maar heeft daar mede aan ten grondslag gelegd dat er geen aanwijzingen zijn dat de percelen al op 11 maart 2011 bemest zouden zijn, zoals getuige [naam 3] heeft verklaard.

8. Verweerder heeft er op gewezen dat eiser het analyserapport heeft ontvangen en dat hij op 12 oktober 2012 in het informatieformulier heeft aangegeven dat de betreffende 2 vrachten varkensmest zijn aangevoerd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van bewilliging achteraf en heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 3 november 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BL3548.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Ook volgens de stellingen van eiser is op perceel 1 en 2 mest aangebracht, maar (veel) minder dan de 2 vrachten varkensmest en pas (veel) later in maart 2011. De door eiser gegeven verklaring dat hij er van uitging dat het – door hem eind april 2011 ontvangen – analyserapport betrekking had op die bemesting, dat de bemesting in eerdere jaren niet tot problemen had geleid, en dat hij zich dus niet heeft verdiept in de inhoud van het analyserapport en de gegevens van het analyserapport heeft overgenomen op het informatieformulier, komt de rechtbank niet onlogisch of ongeloofwaardig voor.

In de casus die ten grondslag lag aan de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 3 november 2009 was sprake van een geheel andere situatie. In die casus stond vast dat de 5 betwiste vrachten kippenmest op het land van de betrokkene terecht waren gekomen, dat de betrokkene voor elk van die vijf vrachten op de dag van levering een VDM in zijn brievenbus had gekregen, en dat hij bij volgende leveringen die vijf vrachten niet aan de orde had gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bewilliging achteraf als bedoeld in de uitspraak van het hof.

9. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op de conclusie in rechtsoverweging 6 ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 160 aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het besluit van 6 maart 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 160 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.