Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6409

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
23-01-2015
Zaaknummer
260840
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of sprake is van verkrijgende verjaring van strook grond; artikelen 3:99 BW, 3:118 BW, 3:23 BW en 3:11 BW; precarioverhouding; verwijzing naar rol voor akte uitlating.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/260840 / HA ZA 14-151

Vonnis van 20 augustus 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM

zetelend te Arnhem

eiseres in conventie

verweerster in reconventie

advocaat: mr. F.J. van Beek te Arnhem

tegen

[gedaagde]

wonend te [plaats]

gedaagde in conventie

eiser in reconventie

advocaat: mr. M.C. Molenaar te Apeldoorn

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 12 maart 2014

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 11 juni 2014.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

Aan [gedaagde] is op 1 december 2000 uit hoofde van koop geleverd de onroerende zaak met woning, gelegen aan [adres], kadastraal bekend gemeente Arnhem, [perceel]. De gemeente is eigenaar van de aangrenzende openbare weg [adres], kadastraal bekend gemeente Arnhem, [perceel] (voorheen [perceel] gedeeltelijk).

2.2

[gedaagde] heeft sinds 1 december 2000 en sinds 2002 delen van perceel [perceel] in gebruik. Het gaat om de volgende door de gemeente in haar productie 4 (noordgericht) met streep- en kruisarcering aangegeven gedeelten:

De met kruisarcering weergegeven stukken grond (hierna: strook 1) heeft [gedaagde] vanaf de verkrijging van zijn perceel in gebruik als deel van de voortuin. Tot het gebruik van de met streeparcering aangeduide strook grond (hierna: strook 2), eveneens als deel van de voortuin, heeft de gemeente in 2002 toestemming gegeven.

2.3

Bij brief van - verzonden - 23 april 2012 heeft de gemeente [gedaagde] met betrekking tot strook 2 onder meer geschreven:

In mei 2011 is tijdens een gehouden controle geconstateerd dat u een strook openbaar groen voor uw woning aan [adres] van de gemeente in gebruik heeft. U heeft in 2002 een mondelinge toestemming van de Gemeente gekregen om de begroeiing op de strook grond te onderhouden.

(..)

De reden dat de strook grond niet uitgeefbaar is kan gevonden worden in het feit dat de strook grond een belangrijke groene buffer in de wijk vormt. De betreffende strook grond is in het Groenplan van de Gemeente Arnhem aangemerkt als structureel groen (..) Het project Buiten gewoon beter wil deze groenstrook in zijn geheel gaan inrichten (..)

Omdat het project Buiten Gewoon Beter is uitgesteld blijft de mondelinge toestemming, gegeven in 2002, tijdelijk van kracht. Indien het project Buiten Gewoon Beter in uw wijk wederom van start gaat, wordt de strook volgens het projectplan ingericht.

2.4

[gedaagde] heeft bij e-mail van 20 september 2012 de gemeente met betrekking tot strook 1 onder meer het volgende bericht:

Dank voor uw bezoek op dinsdag 18 september j.l.

U begreep dat ik totaal was overdonderd toen de landmeters toonden waar de kadastrale grens zou moeten liggen.

Deze grens komt niet overeen met de feitelijke grens waarop ik het pand heb gekocht in de zomer van het jaar 2000.

De beplanting van mijn tuin liep feitelijk precies tot aan de rij bomen van de gemeente.

(..)

Vanaf de rij bomen van de gemeente tot aan de straat lag de strook grond van de gemeente, gekenmerkt door geel zand.

Twee punten dienen daarbij in ogenschouw te worden genomen:

1. Het trottoir was destijds nog niet aanwezig, waardoor de afmeting van de strook grond visueel een stuk groter was;

2. Mijn voortuin grenst met [adres] als enige twee woningen aan [adres]. De overige woningen grenzen met de achterkant aan [adres], dus geen eenduidigheid.

Aangezien ik de strook grond tot aan de rij bomen van de gemeente reeds meer dan 10 jaar te goeder trouw bezit als ware ik eigenaar beroep ik mij voor wat dit gedeelte grond betreft op verkrijgende verjaring (..)

3 Het geschil

3.1

In conventie verlangt de gemeente een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van strook 1, alsmede de ontruiming en het herstel in de oude toestand daarvan, nu [gedaagde] tot het gebruik daarvan geen recht heeft. Verder vraagt zij een machtiging om dat zo nodig zelf te mogen bewerkstelligen. Met betrekking tot strook 2 is zij van mening tot opzegging van het gebruik daarvan gerechtigd te zijn, in beginsel met een opzegtermijn van twee maanden. Zij vordert een dienovereenkomstige verklaring voor recht.

3.2

[gedaagde] betwist de vorderingen gemotiveerd. In het verlengde daarvan vordert hij in reconventie een verklaring voor recht dat hij eigenaar van strook 1 is geworden door verkrijgende verjaring en dat hem een onherroepelijk en onbeperkt gebruiksrecht toekomt op strook 2. Subsidiair verlangt hij met betrekking tot strook 2 een verklaring voor recht dat opzegging van het gebruik in redelijkheid niet mogelijk is en meer subsidiair, in geval van opzegging, vergoeding van € 3.000,- ter zake van gemaakte kosten van beplanting en onderhoud van die strook.

4 De beoordeling

4.1

Wat betreft strook 1 gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] zich primair op het standpunt stelt dat hij in 2000 het bezit heeft verkregen van zijn rechtsvoorganger. Hij stelt immers dat hij zijn tuin inclusief die strook bij zijn verkrijging zo heeft aangetroffen en het gebruik ervan heeft voortgezet, ook door er later nieuwe planten in te zetten. [gedaagde] heeft aangegeven geen gegevens te kunnen verschaffen over het bezit van de strook door zijn rechtsvoorganger(s). De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] volgens zijn eigen stellingen op zijn vroegst op 1 december 2010 eigenaar is geworden, indien althans aan de vereisten van artikel 3:99 BW is voldaan. [gedaagde] heeft immers geen standpunt ingenomen over de eventuele bijtelling van het bezit van de rechtsvoorganger(s) op de voet van artikel 3:102 lid 1 BW. Verder neemt de rechtbank aan, ook weer nu daarover niets is gesteld of gebleken, dat de verkrijging van het bezit door die rechtsvoorganger(s) niet meer om het lijf heeft gehad dan het ophogen en beplanten van de strook en het onderhoud ervan. Het is dus niet zo, zoals de gemeente heeft bepleit, dat het ontbreken van stellingen of feiten omtrent de aanvang van het bezit van strook 1 - de inbezitneming - reeds mee zou brengen dat verkrijging door verjaring in deze procedure niet aan de orde zou kunnen zijn.

4.2

Volgens artikel 3:99 BW worden rechten op (onder meer) onroerende zaken verkregen door een bezitter te goeder trouw door een onafgebroken bezit van tien jaren. Artikel 3:118 lid 1 BW bestempelt een bezitter als te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. Verder wordt goede trouw vermoed aanwezig te zijn en moet het ontbreken daarvan worden bewezen (art. 3:118 lid 3 BW). Volgens artikel 3:23 BW wordt het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. Artikel 3:11 BW bepaalt verder dat goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen ontbreekt indien hij de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek, zo besluit deze bepaling, belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

4.3

[gedaagde] verkreeg in 2000 een voortuin die ogenschijnlijk tot de gemeentelijke bomenrij reikte, welke bomenrij ook op de onder 2.2 weergeven productie 4 is te zien. Ook ter hoogte van [adres] reikte de tuin van dat perceel tot de bomen, aldus [gedaagde]. Ter comparitie is gebleken dat aan de andere zijde (perceel [perceel] en verder westwaarts) de tuinen - die daar achtertuinen zijn - zich niet tot de bomen uitstrekken en dat de kadastrale grens daar wordt gevormd door een haag. Onduidelijk is of deze situatie zich ook al in december 2000 voordeed. Was dat zo, dan had [gedaagde] zich in redelijkheid moeten afvragen waarom de ogenschijnlijke grens bij zijn perceel zo versprong, te meer nu het niet gebruikelijk is dat de eigendomsgrens in een nieuwbouwwijk als de onderhavige aan de straatzijde wordt gevormd door een rij bomen. Dat staat zijn goede trouw dus mogelijk in de weg. De gemeente kan zich hierover nog bij akte uitlaten, waarna [gedaagde] daarop kan reageren.

4.4

De gemeente heeft er ook op gewezen dat strook 1 wordt onderbroken door een tegelpad dat vanaf de openbare weg tot aan de kadastrale grens met gemeentelijke trottoirtegels is belegd en daarna met een particuliere bestrating, hetgeen goede trouw in de weg zou staan. Ten tijde van de verkrijging door [gedaagde] was echter, aldus [gedaagde], nog geen sprake van enige gemeentelijke betegeling van het troittoir en dus ook niet, naar mag worden verondersteld, van het tegelpad. Ook over deze (veronder)stelling kan de gemeente zich bij akte uitlaten, waarna [gedaagde] daarop weer kan reageren.

4.5

Het voorgaande impliceert dat bezit van strook 1 ook kan bestaan zonder afrastering van die strook, nu de scheiding van het bezit zich ook kan manifesteren door een onderscheiden inrichting van de wederzijdse erven. Paaltjes met gaas in de voortuin zijn in een stedelijke omgeving niet nodig om het territoir te markeren. In het onderhavige geval wordt het bezit nog benadrukt door de omstandigheid dat partijen zich in 2002 tot elkaar hebben gewend over de positie van strook 2, terwijl strook 1 daarbij niet ter sprake is gekomen.

4.6

De gemeente heeft [gedaagde] in 2002 toestemming gegeven om strook 2 te beplanten en te onderhouden (zie ook de brief van de gemeente van 1 oktober 2012; productie 13). Beide partijen kwalificeren deze toestemming als een overeenkomst van bruikleen. De rechtbank doet dat ook. Het wezen van bruikleen is dat de zaak na enige tijd moet worden teruggegeven (art. 7A:1777 BW). Volgens de gemeente dient zich thans het moment aan waarop de strook als groenstrook moet worden ingericht. In zoverre zou kunnen worden gesproken van een situatie als bedoeld in artikel 7A:1788 BW, waarbij de publieke bestemming van de strook de noodzaak om de strook weer in beheer te nemen mede bepaalt. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente in redelijkheid niet tot die beslissing heeft kunnen komen. De voorgestelde opzegtermijn is voorts redelijk te noemen. Voor de meer subsidiair verlangde vergoeding is geen aanleiding (vgl. art. 7A:1785 BW). Bij het bovenstaande neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het hier in wezen om een precarioverhouding gaat (vgl. Monografieën BW B-89, blz. 20).

4.7

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor uitlating aan de zijde van de gemeente als bedoeld onder 4.3 en 4.4, waarop [gedaagde] vervolgens bij akte kan reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie:

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 17 september 2014 voor uitlating aan de zijde van de gemeente als bedoeld onder 4.3 en 4.4, waarop [gedaagde] vervolgens bij akte kan reageren,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.