Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6407

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
255311
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Regres vordering van vrouw op man op basis van echtscheidingsconvenant. Vordering deels verjaard. Regresvordering/regresrecht is (overigens) ontstaan door betaling door bewindvoerder in de schuldsaneringsregeling van de vrouw? Wanneer ontstaat regresvordering? Zie HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784. Het uitoefenen van het regresrecht door de vrouw tegenover de man is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/255311 / HA ZA 13-795

Vonnis van 25 juni 2014

in de zaak van

[De vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. S.L. Geeraths te[vestigingsplaats],

tegen

[De man] ,

wonende te[woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. D.J.J. Vrijbergen te[vestigingsplaats].

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 12 februari 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 april 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn voormalig echtelieden. Zij waren in gemeenschap van goederen gehuwd van 22 september 2003 tot 25 augustus 2005, toen de echtscheidingsbeschikking van 27 juli 2005 in de registers van de burgerlijke stand werd ingeschreven.

2.2.

Partijen hebben de ontbonden gemeenschap van goederen (hierna: de gemeenschap) verdeeld overeenkomstig een in een notariële akte van 8 november 2005 vastgelegde vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingovereenkomst). In de vaststellingsovereenkomst hebben partijen onder meer afspraken gemaakt over de interne draagplicht ten aanzien van een aantal met name genoemde schulden voor de voldoening waarvan zij hoofdelijk aansprakelijk waren.

2.3.

Op 19 december 2006 is de vrouw toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). Bij vonnis van 15 december 2009 is de schone lei verleend en is bepaald dat de schuldsaneringsreling zal eindigen na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Dat laatste is geschied op 27 juli 2010.

2.4.

Krachtens de slotuitdelingslijst is in het kader van de WSNP door de vrouw in totaal € 34.843,95 aan de concurrente crediteuren voldaan, wat overeenstemt met een uitdelingspercentage van 54%. Van die uitdeling is een bedrag van € 15.868,63 voldaan aan schuldeisers wier vorderingen ingevolge de vaststellingsovereenkomst volledig voor rekening van de man komen.

2.5.

Voorafgaand aan de toelating tot de WSNP heeft de vrouw in totaal een bedrag van € 8.038,81 door middel van loonbeslag aan de deurwaarder voldaan ter betaling van schulden die vorderingen ingevolge de vaststellingsovereenkomst volledig voor rekening van de man komen.

2.6.

In de vaststellingsovereenkomst is voorts onder meer een Aegon Vliegwielpolis aan de vrouw toegedeeld. In een - door de vrouw in kopie in het geding gebrachte - brief van 14 juni 2006 schrijft Aegon Financiële Diensten over die polis aan Stadsbank Oost Nederland te [woonplaats] onder meer het volgende:

“(…)

Teneinde de inventarisatie van de schuldpositie van mevrouw [De vrouw] (…) te completeren doen wij u hierbij opgave van het tegoed welke betrokkene heeft op basis van bovenvermeld contractnummer.

(…)

Als bijlage bij deze brief vindt u tevens een pro forma berekening van de waarde. Dit is de waarde indien het contract op dit moment zou worden beëindigd. (…)

Wellicht is het uw bedoeling het contract te beëindigen teneinde het tegoed te fixeren. Dit kunt u kenbaar maken door de antwoordcoupon, die u hierbij aantreft, door betrokkenen te laten ondertekenen en te retourneren. (…)”

De bijlage vermeldt onder meer:

“(…)

Totaal door u te ontvangen € 1.274,61

2.7.

De antwoordcoupon luidt voor zover van belang als volgt:

Contractant [De man] verzoekt de vliegwielovereenkomst (…) definitief te beëindigen (…)”

De antwoordcoupon is voorzien van de dagtekening 28 juni 2006 en de handtekening van de vrouw.

2.8.

De man is eind 2007 failliet verklaard, welk faillissement is opgeheven bij gebrek aan baten in december 2008. Op 20 mei 2009 is de man opnieuw in staat van faillissement verklaard. Dat laatste faillissement is geëindigd door de homologatie van een schuldeisersakkoord op 20 mei 2010. De tekst van dat akkoord luidt als volgt, voor zover hier van belang:

“AKKOORD

aangeboden in het faillissement van de heer [De man] (…).

Artikel 1

De schuldenaar betaalt aan de in zijn faillissement als preferent erkende schuldeisers 50% van hun schuldvorderingen tegenover aan hem door die schuldeisers te verlenen volledige kwijting voor het onvoldaan gebleven gedeelte van hun vorderingen.

Artikel 2

De schuldenaar betaalt aan zijn concurrente schuldeisers over hun vordering een percentage van 25% van hun schuldvorderingen tegenover aan hem door die schuldeisers te verlenen volledige kwijting voor het onvoldaan gebleven gedeelte van hun vorderingen.

(…)”

2.9.

Bij brief van 22 maart 2013 heeft de advocaat van de vrouw aan de man verzocht en hem gesommeerd tot betaling over te gaan van een bedrag van € 26.140,49 inclusief rente en kosten, waarbij een betalingstermijn is gesteld van een week. De man heeft niet aan de sommatie van de vrouw voldaan.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert samengevat - veroordeling van de man tot betaling van € 25.182,05, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering van de vrouw valt uiteen in vier onderdelen, te weten:

  1. een gestelde regresvordering van de vrouw op de man uit hoofde van het door middel van loonbeslag betaalde, maar ingevolge de vaststellingovereenkomst volledig voor rekening van de man komende bedrag van € 8.038,81;

  2. een gestelde aanspraak van de vrouw op de man die volgens de vrouw in weerwil van het in de vaststellingsovereenkomst bepaalde een bedrag heeft ontvangen en behouden van € 1.274,61 uit hoofde van de (hiervoor in 2.6. genoemde) Aegon Vliegwielpolis;

  3. een gestelde regresvordering van de vrouw op de man in verband met de (gedeeltelijke) delging, door middel van de uitdeling in het kader van de WSNP, van schulden die volgens de vaststellingsovereenkomst volledig voor rekening van de man komen ter hoogte van € 15.868,63;

  4. buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente.

Aan haar vordering als geheel legt de vrouw primair ten grondslag een regresrecht ex artikel 6:10 Burgerlijk Wetboek (verder: BW), en subsidiair ongerechtvaardigde verrijking van de man.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onderdeel a

4.2.

De man betwist niet dat het loonbeslag is gelegd voor schulden waarvoor hij krachtens de vaststellingsovereenkomst volledig draagplichtig is. Hij voert onbetwist aan dat de betalingen door de vrouw waarvoor zij nu op de man verhaal zoekt, door middel van dat loonbeslag hebben plaatsgevonden in 2005 en 2006. Hij beroept zich op verjaring van de door de vrouw gestelde vordering.

4.3.

Het beroep op verjaring van de man slaagt. Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW, dat van toepassing is op regresvorderingen uit hoofde van art. 6:10 BW (HR 6 april 2012, LJN BU3784, RvdW 2012, 534) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is daarvoor nodig dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de schade in te stellen (HR 31 oktober 2003, LJN AL8168, NJ 2006/112). Gelet op het hiervoor in 2.5 vastgestelde feiten gaat de rechtbank ervan uit dat de laatste betaling via het loonbeslag heeft plaatsgevonden uiterlijk op 18 december 2006 (daags voordat de vrouw tot de WSNP werd toegelaten), zodat de verjaring uiterlijk op 19 december 2006 is gaan lopen en dus uiterlijk op 19 december 2011 is geëindigd.

Gesteld noch gebleken is, dat de verjaring van de vordering tijdig, dus vóór de laatstgenoemde datum, is gestuit.

Dat de vrouw, zoals zij tijdens de comparitie heeft gesteld, pas bij het einde van de WSNP een “effectief beeld had van de totale vordering uit hoofde van de verdelingsovereenkomst” doet aan de verjaring niet af.

Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

Onderdeel b

4.4.

De man betwist het door de vrouw gestelde bedrag te hebben ontvangen en beroept zich subsidiair op verjaring waarbij de man voor dat geval aanvoert dat de uitkering in 2006 moet hebben plaatsgevonden.

4.5.

Het had op de weg van de vrouw gelegen haar stelling dat aan de man is uitbetaald op grond van de afkoop van de Vliegwielpolis, tegenover de betwisting door de man nader te onderbouwen en bij verdere betwisting te bewijzen. Of de vrouw in haar stelplicht is geslaagd en eventueel tot bewijs moet worden toegelaten kan evenwel in het midden blijven nu het (subsidiaire) beroep op verjaring van de man slaagt. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Uit de door de vrouw overgelegde, door haar getekende antwoordcoupon leidt de rechtbank af dat partijen kennelijk voor ogen stond de in de vaststellingsovereenkomst overeengekomen toedeling aan de vrouw van de polis gestalte te geven door de waarde van de polis te laten uitkeren en die uitkering ten goede te laten komen aan de vrouw. De stellingen van de vrouw komen erop neer dat de man in weerwil van de toedeling van de polis aan de vrouw in de vaststellingsovereenkomst, de op die polis aan hem uitgekeerde gelden niet aan haar heeft uitgekeerd. Hieruit leidt de rechtbank af - hoewel de vrouw dit niet met zoveel woorden heeft gesteld - dat de rechtsgrond van dit onderdeel van haar vordering is de (tekortkoming in) de nakoming van een verbintenis tot een geven of een doen.

Artikel 3:307 lid 1 BW bepaalt dat een dergelijke rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

De vrouw heeft niet betwist dat, zoals de man subsidiair aanvoert, de uitkering, indien aan de orde, in 2006 moet hebben plaatsgevonden en evenmin weerspreekt zij, zoals in dit verweer van de man ligt besloten, dat die vordering toen ook opeisbaar was. De verjaring is daarmee gaan lopen uiterlijk op 1 januari 2007. Dit brengt mee dat deze vordering van de vrouw uiterlijk op 1 januari 2012 is verjaard. Gesteld noch gebleken is, dat de verjaring van de vordering tijdig, dat wil zeggen, vóór laatstgenoemde datum, is gestuit. Dit onderdeel zal dan ook worden afgewezen.

Onderdeel c

4.6.

De vrouw grondt ook dit onderdeel van haar vordering op een regresrecht ex artikel 6:10 BW. Zij stelt dat dat recht voortvloeit uit de betaling door de schuldsaneringsbewindvoerder op basis van de slotuitdelingslijst aan schuldeisers wier vorderingen krachtens de vaststellingovereenkomst moeten worden gedragen door de man.

4.7.

De man voert onder meer als verweer dat de (bewindvoerder in de WSNP van de) vrouw de vordering ter verificatie had moeten indienen in het faillissement van de man; door dat na te laten, heeft (de bewindvoerder in de WSNP van) de vrouw (zijn/) haar rechten verwerkt, aldus de man. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

4.8.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat (zie het hiervoor reeds geciteerde arrest van de Hoge Raad van 6 april 2012). Hier betekent dat, gelet op de hiervoor in 2.3 en 2.4 vastgestelde feiten, dat eerst op het moment van de (slot)uitdeling aan de schuldeisers wier vorderingen krachtens de vaststellingsovereenkomst (geheel) door de man moeten worden gedragen op grond van het bepaalde in artikel 6:10 BW een regresvordering van de vrouw op de man is ontstaan ter hoogte van de in totaal gedane betalingen, een bedrag van € 15.868,63 . De rechtbank gaat er daarbij, nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, van uit dat de betaling aan de schuldeisers in de WSNP van de vrouw is geschied kort na het moment van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst op 27 juli 2010. Anders dan door de man ter comparitie betoogd, is het regresrecht daarmee ontstaan (kort) na beëindiging van die WSNP.

4.9.

Gelet op het tijdstip van ontstaan van de regresvordering (kort na 27 juli 2010) behoort deze niet tot de vorderingen die op grond van het bepaalde in artikel 26 Faillissementswet (Fw) slechts door aanmelding der verificatie in het faillissement van de man ingesteld hadden kunnen worden. Ook artikel 136 lid 2 Fw mist toepassing. Krachtens dat artikellid kan een hoofdelijk schuldenaar, zo nodig voorwaardelijk, tot verificatie worden toegelaten voor de bedragen waarvoor hij op de gefailleerde, krachtens hun onderlinge rechtsverhouding als hoofdelijk medeschuldenaren, een vordering heeft verkregen of zal verkrijgen; gelet op het hiervoor overwogene moet de onderhavige regresvordering van de vrouw als een toekomstige vordering als bedoeld in dit artikellid worden beschouwd. Niet gesteld of gebleken is echter dat aan een of meer van de in dat wetsartikel onder de a tot en met c genoemde voorwaarden voor toelating van de vrouw (respectievelijk de bewindvoerder in haar WSNP) tot de verificatie in het faillissement van de man als regresnemende hoofdelijke medeschuldenaar is voldaan. Immers, de betreffende schuldeisers zijn opgekomen in zowel het faillissement van de man als in de WSNP van de vrouw, gesteld noch gebleken is dat de schuldeisers geheel zijn voldaan gedurende het faillissement van de man en evenmin is gesteld of gebleken is dat de toelating om een andere reden geen voor de concurrente schuldeisers nadelige invloed had (gehad) op de aan hen uit te keren percenten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, faalt het verweer van de man, dat de vrouw de vordering ter verificatie had moeten indienen.

4.10.

Volgens de man heeft de vrouw geen regresrecht tegenover de man ten aanzien van schulden waarvoor de man geheel draagplichtig is en waarop zij in het kader van haar WSNP heeft betaald door middel van de (slot)uitdeling. Volgens de man hangt dit samen met de bevrijdende werking die het akkoord voor de schuldenaar heeft. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt de man hierin door de rechtbank niet te volgen. De vrouw is, zo overweegt de rechtbank, gelet op het tijdstip van het ontstaan van de vordering en het in 4.8 en 4.9 hiervoor overwogene, niet aan dat akkoord gebonden.

De man beroept zich voorts op artikel 157 Fw, waarbij hij (zo begrijpt de rechtbank althans) aanvoert dat de vrouw hooguit recht zou kunnen hebben op het percentage van haar vordering dat uit het schuldeisersakkoord voortvloeit voor concurrente crediteuren (25%). Omdat de vrouw, zoals hiervoor is overwogen, niet aan het schuldeisersakkoord is gebonden faalt ook dat verweer van de man.

4.11.

Ter comparitie heeft de man nog een beroep gedaan op artikel 6:11 lid 1 BW. Volgens de man kan hij zowel tegen de oorspronkelijke schuldeisers, die gebonden zijn aan het akkoord, als tegen de vrouw het verweer inroepen dat na uitbetaling van wat op grond van het akkoord dient te worden uitbetaald, de schuld is kwijtgescholden althans dat slechts een natuurlijke verbintenis is overgebleven. Dit verweer stuit echter af op het bepaalde in artikel 6:11 lid 2 BW. Het verweermiddel dat de man tegen de schuldeisers in het faillissement kan inroepen vloeit immers voort uit een rechtshandeling van de man en de betrokken schuldeisers – de totstandkoming van het schuldeisersakkoord – die dateert van na het ontstaan van de verbintenissen van partijen tot voldoening van de betreffende hoofdelijke schulden.

4.12.

Wel slaagt het in de overige stellingen van de man besloten verweer, dat het uitoefenen van het regresrecht door de vrouw tegenover de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij overweegt de rechtbank dat de rechtsvordering ex artikel 6:10 ertoe strekt te voorkomen dat de niet aangesproken schuldenaar ten koste van de aangesproken schuldenaar ongerechtvaardigd wordt verrijkt doordat laatstgenoemde het verschuldigde heeft voldaan voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat (vgl. HR 6 april 2012, vindplaats zie hiervoor). De rechtbank stelt vast dat hiervan geen sprake is, nu de vrouw geen vermogensnadeel heeft geleden als gevolg van het feit dat bij de slotuitdeling in het haar schuldsaneringsregeling ook betalingen zijn verricht aan schuldeisers die de man op grond van de tussen partijen gesloten akte van verdeling/vaststellingsovereenkomst zou voldoen. Immers, zoals de man ook onbetwist aanvoert: indien de onderhavige, hoofdelijk aangegane en in de verhouding tussen partijen volledig voor rekening van de man komende schulden niet tot de in de WSNP geverifieerde schulden hadden behoord, zou het resultaat voor de vrouw hetzelfde zijn geweest, namelijk de beëindiging van de WSNP met schone lei; het beschikbare boedelactief zou dan hooguit tot hogere uitkeringen aan de overige schuldeisers hebben geleid. Dit was ook wat partijen voor ogen heeft gestaan bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst, namelijk dat de man de schulden op zich zou nemen en dat de vrouw van haar hoofdelijke verbondenheid ten aanzien van die schulden geen vermogensnadeel zou ondervinden. Met het verwerven van de schone lei heeft de vrouw dat doel bereikt.

4.13.

Onaanvaardbaar is in die omstandigheid, dat de vrouw een deel van haar door middel van de WSNP gesaneerde schuld alsnog zou kunnen verhalen op de man, die daardoor ondanks het akkoord (alsnog) wél verder vermogensnadeel zou lijden. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de vrouw op de hoogte was van de inhoud van dat akkoord. Immers, zoals ter zitting is gebleken, de vrouw was een van de schuldeisers in het faillissement van de man uit hoofde van een vordering uit achterstallige alimentatie.

4.14.

De stelling van de vrouw ter comparitie, dat zij door toedoen van de man in de WSNP is terechtgekomen, werpt geen ander licht op het hiervoor overwogene, omdat zij deze stelling tegenover het verweer van de man, hoewel dat op haar weg lag, niet verder heeft onderbouwd of geconcretiseerd zodat de rechtbank die passeert.

4.15.

Ook van een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan geen sprake zijn alleen al omdat de vrouw als gevolg van de onderhavige betalingen niet is verarmd; de rechtbank verwijst naar wat daarover hiervoor is overwogen.

4.16.

Nu de rechtbank oordeelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw een regresrecht uitoefent, zal de vordering van de vrouw ook op dit onderdeel worden afgewezen.

Onderdeel d

4.17.

In het licht van wat hiervoor is overwogen en beslist zullen de vorderingen van de vrouw ten aanzien van buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente worden afgewezen.

Proceskosten

4.18.

Omdat de rechtbank, anders dan door de man betoogd, van oordeel is dat niet is gebleken van misbruik van procesrecht door de vrouw en omdat partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank de kosten van deze procedure compenseren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van de vrouw af;

5.2.

compenseert de proceskosten zo, dat ieder van partijen de eigen kosten van deze procedure moet dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.