Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6406

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
14-10-2014
Zaaknummer
AWB-14_1758
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:1760, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting, levering jacht door vennootschap valt niet buiten werkingssfeer btw-stelsel, geen onttrekking, margeregeling niet van toepassing, geen integrale proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2108
V-N 2015/2.2.2
FutD 2014-2399 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/313 met annotatie van Mr. E.H.A.M. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/1758

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 oktober 2014

in de zaak tussen

[X] B.V., [Y] B.V. c.s, te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].F.01.1502) omzetbelasting opgelegd van € 52.688, alsmede bij beschikking een boete van € 4.920. Tevens is bij beschikking € 2.340 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 januari 2014 de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 maart 2014, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 september 2014.

Namens eiseres is verschenen haar directeur, vergezeld van haar gemachtigden, mr.drs. [gemachtigde] en mr. [A]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], mr. [B] en [C].

Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Overwegingen

Feiten

1.

Eiseres is een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Tot de fiscale eenheid behoren de volgende vennootschappen: [Y] B.V., [X] B.V. (hierna: [X] B.V.), [D] B.V., [E] B.V., [F] B.V. en [G] B.V. De bedrijfsactiviteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van hotels, restaurants en cafés. [H] (hierna: [H]) is directeur en groot-aandeelhouder van eiseres.

2.

[H] heeft in 2008 € 950.000 geleend aan een zakenrelatie, [I] (hierna: [I]). Ter zekerheid van de vordering heeft [I] ten gunste van [H] hypotheek verleend op het stalen motorjacht “[K]”.

3.

In 2008 is [I] in financiële problemen geraakt. In december 2008 heeft [X] B.V. het stalen motorjacht “[K]” gekocht van [I] (hierna: [I]) en [J]. De koopprijs bedroeg € 400.000. Het jacht is bij notariële akte van [2009] aan [X] B.V. geleverd.

4.

Aan eiseres is ter zake van de levering geen omzetbelasting in rekening gebracht. [X] B.V. heeft het motorjacht opgenomen op haar balans en de kosten met betrekking tot het onderhoud, de stalling en de verzekering van het motorjacht ten laste van het resultaat gebracht. Eiseres heeft de aan haar ter zake van de aanschaf en het bezit van het motorjacht in rekening gebrachte omzetbelasting niet in aftrek gebracht.

5.

Op [2011] heeft eiseres het motorjacht geleverd aan [H] voor een bedrag van € 330.000. In de akte van levering is opgenomen dat de levering is te kwalificeren als een levering in de zin van artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet OB en dat geen omzetbelasting verschuldigd is. Eiseres heeft aan [H] ter zake van de levering geen omzetbelasting in rekening gebracht en zij heeft evenmin omzetbelasting op aangifte voldaan. [H] heeft het jacht doorverkocht aan een derde, eveneens voor € 330.000.

6.

Het jacht is in de periode dat het in eigendom was van eiseres niet gebruikt. Het heeft op de kade gestaan.

7.

Verweerder heeft de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd met dagtekening 26 augustus 2013. Eiseres heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

Geschil

8.

In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag, beschikking heffingsrente en boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

9.

Eiseres bestrijdt de door verweerder opgelegde naheffingsaanslag, beschikking heffingsrente en boetebeschikking, en verzoekt om een integrale proceskostenvergoeding. Ter motivering van haar standpunten heeft eiseres – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

 Het motorjacht is in het privévermogen van eiseres gehouden. De levering van het jacht door eiseres valt dus buiten de werkingssfeer van de omzetbelasting;

 Er is sprake van een onttrekking krachtens artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet OB, gevolgd door een onbelaste levering vanuit de particuliere sfeer;

 De margeregeling is van toepassing;

 De boete dient te worden vernietigd omdat sprake is van pleitbaar standpunt;

 De omzetbelasting is gebaseerd op Europese richtlijnen en jurisprudentie van het Hof van Justitie. Aldus moet op grond van Europeesrechtelijke beginselen van een behoorlijke procesvoering een behoorlijke proceskostenvergoeding worden toegekend.

10.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag, beschikking heffingsrente en boetebeschikking terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Ter motivering van zijn standpunten heeft verweerder – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:

 De verkoop van het motorjacht is een belaste levering als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB;

 Bij een privaatrechtelijke rechtspersoon is geen privévermogen af te scheiden;

 Uit de activering van het motorjacht op de bedrijfsbalans en het ten laste van het resultaat brengen van de kosten van het motorjacht blijkt dat het motorjacht zakelijk is geëtiketteerd;

 De margeregeling is niet van toepassing omdat eiseres niet als wederverkoper is aan te merken;

 Er is geen sprake van een pleitbaar standpunt;

 Er is geen grond aanwezig voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding.

Beoordeling van het geschil

Wettelijke bepalingen

11.

De artikelen 2a en 3 van de Wet OB (tekst 2011) luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 2a

1.

In deze wet en in de daarop gebaseerde bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

k. wederverkoper: de ondernemer wiens activiteiten geheel of ten dele bestaan uit de wederverkoop van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten;

(…)

Artikel 3

1.

Leveringen van goederen zijn:

a. de overdracht of overgang van de macht om als eigenaar over een goed te beschikken;

(…)

3.

Met een levering onder bezwarende titel als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, worden gelijkgesteld:

a. het door een ondernemer aan zijn bedrijf onttrekken van een goed dat hij voor eigen privé-doeleinden of voor privé-doeleinden van zijn personeel bestemt, dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, dat hij voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt, ingeval met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan;

(…)

Valt de levering van het jacht buiten de werkingssfeer van het btw-stelsel?

12.

Vaststaat dat eiseres in 2011 ondernemer was in de zin van artikel 7 van de Wet OB. Daarnaast staat vast dat de normale bedrijfsactiviteiten van eiseres bestaan uit de exploitatie van hotels, restaurants en cafés en dat de aan- en verkoop van een jacht niet tot de normale bedrijfsactiviteiten behoort. In zijn arrest van 13 juni 2013 (Galin Kostov, C-62/12, ECLI:NL:XX:2013:CA4061) heeft het Hof van Justitie beslist dat ook incidentele activiteiten van een ondernemer tot zijn economische activiteiten worden gerekend. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseres de aan- en verkoop van het jacht in beginsel als ondernemer heeft verricht.

13.

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt naar het oordeel van de rechtbank voorts dat ten aanzien van vennootschappen slechts bij wijze van uitzondering van het hiervoor onder 12. genoemde uitgangspunt wordt afgeweken. Het gaat hierbij onder meer om handelingen die om niet worden verricht en handelingen inzake aandelen en obligaties. Vaststaat dat van een handeling om niet geen sprake is. Eiseres heeft voorts ter zitting onweersproken gesteld dat zij het jacht heeft gekocht met het oog op het behalen van winst bij verkoop. Onder die omstandigheid kan de aan- en verkoop van het jacht niet op één lijn worden gesteld met het houden van aandelen en obligaties.

14.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 12 februari 2009 (VNLTO, C-515/07, ECLI:NL:XX:2009:BH3639) en meer in het bijzonder de rechtsoverwegingen 32 en 37 tot en met 40 volgt naar het oordeel van de rechtbank voorts dat investeringsgoederen tevens buiten het btw-stelsel kunnen worden gehouden, indien zij geheel of gedeeltelijk voor privédoeleinden zijn bestemd. Eiseres heeft verklaard dat het jacht door haar is gekocht omdat [H] over onvoldoende liquide middelen beschikte. Eiseres meende dat zij voor het jacht een goede (lage) prijs had betaald en dat zij het jacht met winst zou kunnen verkopen. Eiseres heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het jacht niet is gebruikt, door haar, door de directeur-grootaandeelhouder van [X] B.V., noch door derden. Onder deze omstandigheden is de aankoop van een jacht met het oog op behalen van winst bij verkoop en de daadwerkelijke verkoop van dat jacht naar het oordeel van de rechtbank een economische activiteit verricht door een handelaar, als bedoeld in artikel 9 van de Btw-richtlijn. De in het arrest VNLTO beschreven situatie dat een investeringsgoed geheel of gedeeltelijk voor privédoeleinden is bestemd, doet zich hier niet voor.

Artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet OB

15.

Eiseres heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat zij eerst een onttrekking heeft verricht, als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel a, van de Wet OB, gevolgd door een onbelaste levering op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wet OB, aan [H]. Eiseres heeft daarbij verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 8 maart 2001 (Bakcsi, C-415/98, ECLI:NL:XX:2001:AV2186).

16.

De rechtbank verwerpt het standpunt van eiseres. Vaststaat dat het jacht door eiseres is geleverd op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het jacht voorafgaand aan deze levering voor privédoeleinden aan het bedrijfsvermogen is onttrokken.

Margeregeling

17.

Meer subsidiair heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat op de levering van het jacht de margeregeling van toepassing is. Eiseres heeft daarbij verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van 8 december 2005 (Jyske Finans, C-280/04, ECLI:NL: XX:2005: BE8587).

18.

Uit het arrest Jyske Finans volgt dat het Hof van Justitie een ruime toepassing van het begrip ‘wederverkoper’ voorstaat teneinde het risico van dubbele heffing en schending van het neutraliteitsbeginsel te voorkomen. Naast de ondernemer van wie de activiteiten geheel of ten dele bestaan uit de wederverkoop van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten, kan ook een ondernemer waarvan de wederverkoop secundair is aan zijn overige bedrijfsactiviteiten onder omstandigheden ook als wederverkoper worden aangemerkt. De wederverkoop moet dan, zo blijkt uit rechtsoverweging 42 van het arrest, deel uitmaken van de normale bedrijfsactiviteit. Vaststaat dat de verkoop van jachten niet tot de normale bedrijfsactiviteiten van eiseres behoort. Voor een (nog) ruimere toepassing van het begrip wederverkoper, zodanig dat ook een eenmalige verkoop van een investeringsgoed onder de margeregeling kan worden gerangschikt, is naar het oordeel van de rechtbank geen plaats. De margeregeling is derhalve niet van toepassing.

Verzuimboete

19.

Op basis van artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan de inspecteur, indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, de te weinig geheven belasting naheffen. Ingevolge artikel 67c, eerste lid, van de AWR vormt het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4.920 kan opleggen. Op grond van paragraaf 24, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) legt de inspecteur in geval er niet, gedeeltelijk niet dan wel niet binnen de termijn is betaald, een verzuimboete op van 10 procent van de verschuldigde belasting tot het wettelijk maximum van artikel 67c, eerste lid, van de AWR.

20.

Verweerder neemt het standpunt in dat de boete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

21.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de verzuimboete moet worden vernietigd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt.

22.

Van de oplegging van een verzuimboete kan worden afgezien indien sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld (avas). Van een pleitbaar standpunt is sprake als een door belastingplichtige ingenomen standpunt gelet op de stand van de jurisprudentie in die mate juridisch verdedigbaar is, dat hij redelijkerwijs kon menen juist te handelen. Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van eiseres ten aanzien van het etiketteren van het jacht als privévermogen, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie, verdedigbaar (vergelijk: conclusie AG Van Hilten bij het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2013, 12/01082, ECLI:NL:HR:2013:1363). De verzuimboete dient derhalve te vervallen. Het beroep is in zoverre gegrond.

Heffingsrente

23.

Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgrond tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Proceskostenveroordeling

24.

Eiseres heeft verzocht om een werkelijke proceskostenvergoeding omdat het geschil ziet op nationale wetgeving die is gebaseerd op Europese wetgeving en jurisprudentie. Eiseres verwijst daarbij naar de conclusie van A-G Ruiz Jarabo Colomer (C-376/03, ECLI:NL:PHR:2004: BH9595).

25.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een gegrond beroep een forfaitaire proceskostenveroordeling op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht volstaat.

26.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding wordt in beginsel bepaald volgens de forfaitaire normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Artikel 2, derde lid, van het Besluit biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal zouden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, BNB 2007, 260, LJN: BA2802). Daarvoor kan ook aanleiding zijn indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (Hoge Raad 4 februari 2011, nr. 09/02123, BNB 2011, 103, LJN: BP2975). Zodanige bijzondere omstandigheden zijn hier niet aan de orde, nu slechts het beroep inzake de verzuimboete gegrond is verklaard en niet kan worden gesteld dat reeds op voorhand vaststond dat eiseres een pleitbaar standpunt innam. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding daarom af.

26.

De rechtbank zal de proceskosten berekenen volgens de forfaitaire normen neergelegd in het Besluit. De rechtbank stelt de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit vast op € 1.217 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt an

€ 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak

1 januari 2011 tot en met 31 maart 2011 ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond;

  • -

    verklaart het verklaart het beroep inzake de boete gegrond;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover het betreft de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.217;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 165 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en

mr. R.P. van Baaren, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.R. Richardson, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 oktober 2014

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.