Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:636

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-02-2014
Datum publicatie
06-02-2014
Zaaknummer
AWB-12_4661
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het tegoed van eiser bedroeg minder dan ƒ 100.000 en is derhalve niet aan te merken als aanzienlijk zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63. Dit betekent dat voor de beboeting niet is voldaan aan de vereisten voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat van eiser over de in geschil zijnde jaren te weinig IB/PVV en VB is geheven. Ander bewijs voor de beboeting ontbreekt. De boetes komen te vervallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0285
V-N Vandaag 2014/251

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/4661 en 12/4856 t/m 12/4883 (m.u.v. 12/4867)

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 6 februari 2014

inzake

prof.dr. [X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 1990 tot en met 2000 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2002 tot en met 2008 aanslagen IB/PVV opgelegd.

Verweerder heeft de (navorderings)aanslagen - met uitzondering van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1998 - met 100% verhoogd (hierna: ook boetes genoemd) dan wel opgelegd samen met boetebeschikkingen van 100%. Gelijktijdig met de (navorderings)aanslagen is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraken op bezwaar van 10 en 17 augustus 2012 zijn voormelde belastingaanslagen verminderd in die zin dat de door verweerder bij het berekenen van de correcties toegepaste factor van 1,5 is gewijzigd in factor 1. Tevens zijn de opgelegde boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn met 20% verminderd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 6 september 2012, ontvangen door de rechtbank op 10 september 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013 te Arnhem.

Namens eiser is verschenen mr. [gemachtigde], advocaat te [Q]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A]. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2 Feiten

2.1

Eiser, geboren op [1937], is gehuwd met [Y].

2.2

In 1994 hebben (ex-) medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB-Lux) documenten en microfiches van de KB-Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Belgische belastingdienst op basis van de richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane gegevensuitwisseling aan het Ministerie van Financiën fotokopieën van deze microfiches verstrekt (hierna: de renseignementen). Deze brief vermeldt dat de microfiches gegevens bevatten over rekeningen van inwoners van Nederland bij de KB-Lux. De microfiches vermelden saldi op rekeningen bij deze bank per 31 januari 1994. Naar aanleiding van de bij deze brief verstrekte gegevens hebben de FIOD-ECD en de Belastingdienst een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject.

2.3

In een op 27 augustus 2001 door [B] op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

In het kader van het onderzoek naar de identiteit van de Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux) verklaar ik het navolgende:

Door de bevoegde autoriteiten in België zijn in het kader van de spontane gegevensuitwisseling op basis van Richtlijn 77/799/EEG aan de FIOD Internationaal te Haarlem gegevens verstrekt inzake Nederlandse ingezetenen met een bankrekening bij de KB Lux. Deze gegevens bestaan uit fotokopieën van afgedrukte microfiches, welke microfiches afkomstig zijn uit de interne administratie van de KB Lux.

(…)

In opdracht van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) bovengenoemde gegevens van rekeninghouders verwerkt in een bestand (cliëntenbestand KB Lux).

Dit bestand is ook in opdracht van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem door B/KIR gematched met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle Nederlandse natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen. Hierdoor zijn ruim 2000 rekeninghouders vermoedelijk geïdentificeerd. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

In voornoemd cliëntenbestand KB Lux is door mij geconstateerd dat drie personen, conform de afgedrukte microfiches, dezelfde achternaam hebben. Dit zijn:

[X];

[C]

en [D]

Deze personen waren middels voornoemde match en nader onderzoek vermoedelijk geïdentificeerd als:

1. [X], gehuwd met [Y], geboortedatum [1937], sofinr. [000], wonende te [Z];

2. [C], gehuwd met [E], geboortedatum [1968], sofinr. [001], wonende te [R].

3. [D], ongehuwd, geboortedatum [1966], sofinr. [002], wonende te [S].

Door de FIOD Vestiging Haarlem, afdeling Opsporingsinformatie, is aan de Gemeente Zeist, afdeling Burgerzaken, op grond van artikel 55 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, verzocht om informatie te verstrekken over de familierelaties van voornoemde [X], [C] en [D].

Door de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente zeist is de navolgende inlichting uit het archief verstrekt, welke inlichting als bijlage 1 bij dit proces-verbaal wordt gevoegd:

Uit de basisadministratie van de gemeente Zeist blijkt dat:

[C];

en

[D];

Kinderen zijn van [X], geboortedatum [1937].

Uit bovenstaande informatie ontleen ik het vermoeden dat de rekeninghouders bij de KB Lux, zijnde [C] en [D] dochters zijn van rekeninghouder [X]

(…)”

2.4

Verweerder heeft een renseignement overgelegd betreffende op naam van “[F]” bij de KB-Lux aangehouden vue- en termijnrekeningen met rekeningnummer [003] met daarop een saldo per 31 januari 1994 van in totaal ƒ 81.468,85.

2.5

Bij brief van 8 januari 2002 heeft verweerder eiser een vragenbrief toegestuurd ter zake van door eiser in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij heeft verweerder eiser erop gewezen dat hij op grond van artikel 47, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verplicht is de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Als bijlage bij deze brief is een formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” gevoegd. In dit formulier wordt van eiser gevraagd om -onder vermelding van onder andere rekeningnummer, naam van banken, land van vestiging van bank en jaar van opening van de rekening- aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen eiser rekeninghouder is geweest.

2.6

Bij brief van 17 januari 2002 heeft verweerder eiser gerappelleerd de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Eiser heeft de “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” niet ingevuld en met dagtekening 15 januari 2002 aan verweerder geretourneerd.

2.7

Bij brief van 20 maart 2002 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 28 maart 2002. Bij brief van 24 maart 2002 heeft eiser verweerder gemeld dat hij op die dag verhinderd is en verzocht om toezending van meer gegevens. Bij brief van 29 maart 2002 heeft verweerder eiser nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 5 april 2002. Bij brief van 4 april 2002 heeft eiser medegedeeld verhinderd te zijn op genoemde datum en verzocht de zaak schriftelijk af te handelen. Bij brief van 5 april 2002 heeft verweerder eiser nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op 19 april 2002. Daarbij heeft verweerder aangegeven niet te kunnen voldoen aan eisers verzoek om de zaak schriftelijk af te handelen alsmede dat eiser verplicht is de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Bij brief van 15 april 2002 heeft eiser aangegeven verhinderd te zijn op genoemde datum en alternatieve data genoemd.

2.8

Op 15 mei 2002 heeft een gesprek plaats gevonden tussen eiser en verweerder. Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerder aan eiser een voorbeeldbrief gestuurd waarmee eiser informatie bij KB-Lux zou kunnen inwinnen.

2.9

Bij brief van 29 augustus 2002 heeft verweerder bij eiser geïnformeerd naar de stand van zaken met betrekking tot het inwinnen van informatie bij de KB-Lux. Bij brief van 10 september 2002 deelt eiser mee nog geen nadere stappen te hebben ondernomen.

2.10

In een op 23 september 2002 door [G] op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van ambtshandeling Rekeningenproject is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam:

[F].

2. Uit eerder onderzoek naar rekeninghouders van de KB Lux is komen vast te staan dat indien deze notatiewijze wordt gehanteerd er volgens de systematiek van de KB Lux sprake is van gehuwden, in casu: [X], gehuwd met mw. [Y].

3. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor, waarbij [X] de partner is van [Y]. Dit is [X], geboren op [1937], met sofinummer [000], gehuwd met [Y], geboren op [1935], met sofinummer [004].

4. Uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de eerste voornaam van [X] is: [H].

Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat is ingegaan per [1961].

Conclusie.

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [X]/[Y] als rekeninghouder(s) in aanmerking, zoals hiervoor vermeld onder punt 3.

(…)”

2.11

Bij brief van 10 oktober 2002 heeft verweerder eiser nogmaals verzocht om de gevraagde informatie te verstrekken. Daarbij heeft verweerder aangegeven bereid te zijn om eiser in de gelegenheid te stellen om in een gesprek een en ander toe te lichten. Bij brief van 23 oktober 2002 heeft eiser verweerder meegedeeld geenszins te hebben toegezegd om informatie bij de KB-Lux op te vragen en geen aanleiding te zien voor een gesprek.

2.12

Bij brief van 24 oktober 2002 heeft verweerder eiser voor het laatst in de gelegenheid gesteld om voor 31 oktober 2002 de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Daarbij is eiser gewezen op de verplichtingen van de artikelen 47 en 49 van de AWR. Eiser is ook gewezen op artikel 25, zesde lid, onder b en artikel 27e, onder b, van de AWR (omkering van de bewijslast). Tot slot is eiser erop gewezen dat het niet, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens en inlichtingen een strafbaar feit is in de zin van de artikelen 68 en 69 van de AWR.

2.13

Bij brief van 4 november 2002 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om onder meer navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1990, 1994, 1997 en 1999, en navorderingsaanslagen VB over de jaren 1991, 1995 en 2000, op te leggen.

2.14

Bij brief van 13 november 2002 heeft verweerder aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV over het jaar 1990 en VB over het jaar 1991 op te leggen. Daarbij heeft verweerder tevens kenbaar gemaakt de belastingaanslagen te verhogen met een boete. Bij brief van 25 november 2002 heeft eiser meegedeeld bezwaar te zullen gaan maken. Bij brief van 10 december 2002 heeft verweerder zijn voornemen voornoemde navorderingsaanslagen met boete op te leggen herhaald. Verweerder heeft tevens meegedeeld dat deze brief als kennisgeving heeft te gelden in de zin van artikel 67k en 67g van de AWR. Met dagtekening 31 december 2002 heeft verweerder voornoemde navorderingsaanslagen en boetes opgelegd en bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

2.15

Eiser heeft op 5 februari 2003 bezwaar gemaakt tegen de onder 2.14 genoemde navorderingsaanslagen. Bij brief van 21 februari 2003 heeft eiser meegedeeld akkoord te gaan met aanhouding van de bezwaarschriften totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan in de door verweerder genoemde proefprocedures in het kader van het Rekeningenproject.

2.16

Bij brief van 18 april 2003 heeft verweerder aangekondigd navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 2000 en VB over de jaren 1992 tot en met 2000 te gaan opleggen. Met dagtekeningen van 27 en 31 mei 2003 en 30 juni 2003 heeft verweerder genoemde navorderingsaanslagen en boetes opgelegd en bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

2.17

Eiser heeft op 16 juni 2003 bezwaar gemaakt tegen de onder 2.16 bedoelde navorderingsaanslagen. Daarbij heeft eiser meegedeeld akkoord te gaan met aanhouding van de behandeling van de bezwaarschriften totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan in eerdergenoemde proefprocedures.

2.18

Verweerder heeft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2002 tot en met 2008 met dagtekeningen van 10 november 2005, 29 augustus 2006, 30 augustus 2007, 7 november 2009, 13 augustus 2010 en 3 mei 2011 opgelegd. Daarbij zijn tevens boetes opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht. Eiser heeft ook tegen deze aanslagen bezwaar gemaakt en daarbij ingestemd met het aanhouden van de bezwaren totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan in meergenoemde proefprocedures.

3 Geschil


3.1 In geschil is het antwoord op de vraag of de (navorderings-)aanslagen en boetes terecht en naar de juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd. Meer in het bijzonder zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:

  • -

    is het gebruik van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR toegestaan;

  • -

    zijn de gegevens op rechtmatige wijze verkregen;

  • -

    is eiser op correcte en juiste wijze geïdentificeerd als rekeninghouder;

  • -

    is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard;

  • -

    is sprake van een redelijke schatting;

  • -

    zijn de boetes terecht en tot de juiste bedragen opgelegd;

  • -

    zijn de beschikkingen heffingsrente tot de juiste bedragen vastgesteld;

  • -

    is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden.

3.2

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

Ten aanzien van de verlengde navorderingstermijn

4.1

Eiser heeft aangevoerd dat ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 tot en met 1997 en VB 1991 tot en met 1998 in strijd met de vereiste voortvarendheid is gehandeld, zodat het gebruik maken van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd is met het communautaire recht.

4.2

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 26 februari 2010, (ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120) uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2009 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, zaken C-155/08 en C-157/08, Jur. 2009, blz. I-05093, ECLI:NL:XX:2009:BI8987) de regels afgeleid die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de verlengde navorderingstermijn teneinde te voorkomen dat wordt gehandeld in strijd met de artikelen 49 en 56 EG (thans: artikelen 56 en 63 VWEU). Deze regels komen er op neer dat, indien een lidstaat beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat en naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag wordt opgelegd na afloop van de navorderingstermijn die zou gelden voor in de eigen staat aangehouden banktegoeden, de navorderingsaanslag dient te worden opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

4.3

De navorderingsaanslag IB/PVV die betrekking heeft op het jaar 1990 en de navorderingsaanslag VB die betrekking heeft op het jaar 1991 zijn met dagtekening 31 december 2002 opgelegd. De navorderingsaanslagen IB/PVV die betrekking hebben op de jaren 1991 tot en met 1997 en de navorderingsaanslagen VB die betrekking hebben op de jaren 1992 tot en met 1998 zijn met dagtekeningen van 27 mei 2003, 31 mei 2003 en 30 juni 2003 opgelegd. Deze navorderingsaanslagen zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR. Ten aanzien van deze navorderingsaanslagen zal de rechtbank beoordelen of de termijn die is verlopen tussen de ontvangst van de informatie uit België en de data waarop de navorderingsaanslagen zijn opgelegd, langer is geweest dan noodzakelijk was voor het verkrijgen van inlichtingen die nodig waren voor het bepalen van de verschuldigde belasting en tevens of de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid zijn voorbereid en vastgesteld.

4.4

In de periode die is verstreken nadat de Belgische autoriteiten op 27 oktober 2000 inlichtingen over bankrekeningen bij de KB-Lux aan de Belastingdienst hebben verstrekt en het moment waarop aan eiser voor het eerst vragen zijn gesteld, te weten 8 januari 2002, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat onvoldoende voortvarend is gehandeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het onderhavige renseignement met betrekking tot de rekening [003] onderdeel uitmaakte van een massale aanlevering van gegevens op 27 oktober 2000 door de Belgische autoriteiten en dat deze op projectmatige wijze in het Rekeningenproject zijn verwerkt, waarbij steeds in tranches de renseignementen aan de lokale heffingseenheden zijn verstrekt. Ook in het tijdsverloop nadat aan eiser voor het eerst vragen zijn gesteld bij brief van 8 januari 2002 en het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen op 31 december 2002, 27 en 31 mei 2003 en 30 juni 2003, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder ter zake niet voortvarend heeft gehandeld. Het feit dat de (eerste) identificatie van eiser als rechthebbende op genoemde rekening op 27 augustus 2001 heeft plaatsgevonden, leidt de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel. De identificatie van eiser maakte deel uit van een massaal identificatieproces en heeft geleid tot de vragenbrief van 8 januari 2002. Vanaf de aanvang van het heffingsonderzoek ten aanzien van eiser met genoemde vragenbrief heeft verweerder eiser meerdere malen om inlichtingen gevraagd en meerdere malen uitgenodigd voor een gesprek. Nadat eind oktober 2002 duidelijk werd dat eiser de gevraagde gegevens en inlichtingen niet zou gaan verstrekken, heeft verweerder eiser daartoe voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld en eiser daarbij gewezen op zijn verplichtingen en de gevolgen van het niet voldoen aan deze verplichtingen. Vervolgens heeft verweerder op 13 november 2002 de navorderingsaanslagen IB/PVV over het jaar 1990 en VB over het jaar 1991 aangekondigd, welke met dagtekening 31 december 2002 zijn opgelegd. In de periode die is verstreken totdat de overige navorderingsaanslagen op 18 april 2003 zijn aangekondigd en vervolgens op verschillende data in mei en juni 2003 zijn opgelegd ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser ook na oplegging van de eerste navorderingsaanslagen geen medewerking heeft verleend, dat verweerder eiser in november 2002 op de hoogte heeft gesteld van de belastingaanslagen die nog opgelegd gaan worden alsmede van de omvang daarvan en dat het voor verweerder onuitvoerbaar was om eind 2002 voor iedere belastingplichtige in het Rekeningenproject voor de latere jaren alle belastingaanslagen op te leggen (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA1827).

Ten aanzien van de rechtmatigheid van het bewijs

4.5

Eiser stelt dat de fotokopieën van de microfiches op onrechtmatige wijze zijn verkregen en dat deze om die reden niet als bewijs mogen worden gebruikt. Hij heeft hiervoor verwezen naar een uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie van 31 mei 2011.

4.6

Het antwoord op de vraag of de microfiches als bewijs mogen worden gebruikt, beantwoordt de rechtbank bevestigend. Eiser heeft niets aangedragen waaruit zou volgen dat de Nederlandse autoriteiten bij de verkrijging van de gegevens een fundamenteel recht van de daarin vermelde personen hebben geschonden en dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. De rechtbank is daarom, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8179, van oordeel dat de Belastingdienst de microfiches niet op een wijze heeft verkregen die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De door eiser genoemde uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie leidt de rechtbank niet tot een andersluidend oordeel, omdat deze uitspraak geen ander zicht op de relevante feiten werpt.

Ten aanzien van de identificatie

4.7

In de hierboven onder 2.3 en 2.10 aangehaalde processen-verbaal van 27 augustus 2001 en 23 september 2002 is de identificatie van eiser als rekeninghouder vastgelegd. De stelling van eiser dat de processen-verbaal verschillende resultaten laten zien, treft geen doel. De processen-verbaal bevatten naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid dan wel de betrouwbaarheid van de daarin opgenomen informatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser op correcte en juiste wijze is geïdentificeerd als rekeninghouder.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

4.8

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiser op 31 januari 1994 houder was van vue- en termijnrekeningen bij de KB-Lux met rekeningnummer [003] en gerechtigd was tot de op de microfiches onder de naam [F] vermelde bedragen van in totaal

ƒ 81.468,85. Verweerder was dan ook bevoegd om informatie op te vragen over de op deze rekeningen aanwezige banktegoeden. Uit de stukken blijkt dat verweerder eiser meerdere malen op basis van artikel 47 van de AWR om gegevens en inlichtingen betreffende de in het buitenland aangehouden bankrekeningen heeft gevraagd, waarbij tevens is gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan de inlichtingenplicht.

4.9

Eiser heeft ontkend over een buitenlandse bankrekening te beschikken en geen informatie verstrekt over de door hem in het buitenland ter beschikking staande banktegoeden. Daarmee heeft eiser niet voldaan aan de op hem ingevolge artikel 47, eerste lid, van de AWR rustende verplichting om de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Eisers stelling dat hij niet kan bewijzen dat hij geen rekeninghouder is deelt de rechtbank niet. Eiser heeft zich namelijk niet tot de KB-Lux gewend met een verzoek om informatie, terwijl verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat door de KB- Lux wel degelijk op een verzoek om informatie wordt gereageerd. De stelling van eiser dat hij niet aan de inlichtingenplicht hoeft te voldoen omdat niet de garantie is gegeven dat de eventueel te verstrekken informatie niet zal worden gebruikt voor punitieve doeleinden, treft geen doel. Eiser is op grond van artikel 47 van de AWR verplicht om in het kader van het vaststellen van de belastingschuld de gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken.

4.10

Reeds vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard, als bedoeld in artikel 27 e, aanhef en onder b, en slot, van de AWR.

4.11

Eiser heeft noch in bezwaar noch in beroep openheid van zaken gegeven en ook overigens geen concrete stellingen betrokken op grond waarvan blijkt dat de onderhavige (navorderings)aanslagen onjuist zijn. Eiser heeft dan ook niet de onjuistheid van de (navorderings)aanslagen aangetoond.

Redelijke schatting

4.12

Verweerder heeft zich bij de schatting gebaseerd op de berekeningsmethode van het Rekeningenproject, waarbij in bezwaar de correctiefactor is verlaagd van 1,5 naar 1. Eiser heeft hiertegen geen concrete gronden aangevoerd en de rechtbank acht ook overigens, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, de met deze methode gemaakte schattingen niet onredelijk.

Ten aanzien van de heffingsrente

4.13

Eisers stelling dat niet inzichtelijk is geworden hoe de heffingsrente is berekend, treft geen doel. Eiser heeft zijn stelling namelijk niet nader onderbouwd en heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de beschikkingen heffingsrente niet tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

Ten aanzien van de boetes

4.14

Verweerder heeft tegelijk met het opleggen van de (navorderings)aanslagen VB en IB/PVV -met uitzondering van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1998, waarbij geen boete is opgelegd- aan eiser boetes opgelegd. Bij uitspraken op bezwaar heeft verweerder de boetes verminderd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

4.15

Voor het opleggen van boetes als de onderhavige is vereist dat het aan opzet van eiser is te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting is geheven c.q. een onjuiste/onvolledige aangifte is gedaan. De bewijslast voor de boetes ligt voor ieder jaar afzonderlijk, zowel wat betreft de vraag of het beboetbare feit zich heeft voorgedaan als de vraag of sprake is geweest van opzet, bij verweerder (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011: BN6324 en Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350).

4.16

Verweerder heeft voor het bewijs voor de beboetbare feiten in de onderhavige zaken in de eerste plaats verwezen naar de informatie op de microfiches. Uit deze informatie volgt dat eiser op 31 januari 1994 rekeninghouder was van meerdere bankrekeningen bij de KB-Lux en dat die rekeningen een positief saldo van in totaal ƒ 81.468,85 vertoonden. Verweerder heeft vervolgens gebruik gemaakt van bewijsvermoedens.

4.17

Het tegoed van eiser bij de KB-Lux op 31 januari 1994 bedroeg minder dan ƒ 100.000 en is derhalve niet aan te merken als aanzienlijk zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63. Dit betekent - gelet op hetgeen in de onderdelen 3.5.1, 3.6, 3.7.1 en 3.8.4 van dit arrest is overwogen - dat voor de beboeting niet is voldaan aan de vereisten voor het aannemen van een bewijsvermoeden dat van eiser over de in geschil zijnde jaren te weinig IB/PVV en VB is geheven (vgl. Hoge Raad 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:84). Bovendien zou ingevolge genoemd arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2013 een bewijsvermoeden in het kader van de beboeting ter zake van de heffing van IB/PVV over jaren vóór 1993 en ter zake van de heffing van VB over het jaar 1993 en eerdere jaren te zeer op veronderstellingen zijn gebaseerd.

4.18

Verweerder heeft voor de beboeting ter zake van de onderhavige jaren geen ander bewijs geleverd. De stukken van het geding bevatten daarvoor ook geen aanwijzing. Dit betekent dat de boetes komen te vervallen. De beroepen inzake de boetes zijn om die reden gegrond.

Redelijke termijn

4.19

Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM .

4.20

Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4.21

De termijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank stelt vast dat na de indiening van de bezwaarschriften van eiser (eerste bezwaarschrift op 5 februari 2003 en het laatste bezwaarschrift op 6 juni 2011) tot de datum van deze uitspraak meer dan twee jaren zijn verstreken. Eiser heeft toestemming gegeven de behandeling van de bezwaren aan te houden in afwachting van de proefprocedures in het kader van het Rekeningenproject. De rechtbank ziet daarin aanleiding de redelijke termijn van twee jaar in dit geval te verlengen tot en met 26 februari 2010, zijnde de dag waarop de Hoge Raad in genoemde zaken uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:HR:2010:9092 en ECLI:NL:HR:2010:9120). De redelijke termijn is derhalve met een jaar en elf maanden -naar boven afgerond twee jaar- overschreden. Deze termijnoverschrijding vormt grond voor een immateriële schadevergoeding. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan die vergoeding achterwege zou moeten blijven zijn de rechtbank niet gebleken. Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat door verweerder aan eiser een vergoeding voor immateriële schade dient te worden betaald ten bedrage van € 2.000 (2 jaar termijnoverschrijding x € 500 schadevergoeding per half jaar). In aanmerking nemende dat de (navorderings)aanslagen IB/PVV en VB, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen op hetzelfde feitencomplex betrekking hebben en ook niet is gebleken van een verhoogde mate van spanning en frustratie, wordt eiser met het toekennen van een vergoeding van € 2.000 voldoende gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn.

5 Proceskosten

5.1

Eiser heeft verzocht om een integrale proceskostenvergoeding.

5.2

Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal houden (HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). Ook indien verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit (HR 4 februari 2011, ECLI: NL:HR:2011:BP2975). Eiser heeft zijn verzoek om een integrale proceskostenvergoeding niet op een bijzondere omstandigheid gebaseerd en ook overigens is de rechtbank niet van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in het Besluit gebleken. Voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding is dan ook geen grond.

5.3

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.825 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van meer dan vier samenhangende zaken). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen inzake de (navorderings)aanslagen IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 2000 en 2002 tot en met 2008 en bijbehorende beschikkingen heffingsrente ongegrond;

- verklaart de beroepen inzake de (navorderings)aanslagen VB over de jaren 1991 tot en met 2000 en bijbehorende beschikkingen heffingsrente ongegrond;

- verklaart de beroepen inzake de opgelegde boetes gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor wat betreft de opgelegde boetes ter zake van de heffing van IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 2000 en 2002 tot en met 2008 en ter zake van de heffing van VB over de jaren 1991 tot en met 2000;

- vernietigt de ter zake van de heffing van IB/PVV over de jaren 1990 tot en met 2000 en 2002 tot en met 2008 en de ter zake van de heffing van VB over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde boetes;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 2.000;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.825;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 84 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, mr. J.J. Catsburg en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 6 februari 2014

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.