Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6227

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
C/05/268934 / FT RK 14/1670 en C/05/268936 / FT RK 14/1672 gd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek dwangakkoord artikel 287a Fw niet ontvankelijk. Niet voldaan aan vereisten artikel 285 Fw. Verzoek ingediend door een daartoe niet bevoegde instantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2015/8

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team Insolventies

rekestnummers: C/05/268934 / FT RK 14/1670 en C/05/268936 / FT RK 14/1672 gd

uitspraakdatum: 29 september 2014

Verzoek gedwongen schuldregeling ex artikel 287a van de Faillissementswet

in de zaak van

[verzoeker 1]
en

[Verzoeker 2],

beiden wonende te [woonplaats],

hierna te noemen verzoekers.

1 De procedure

1.1.

Verzoekers hebben bij de rechtbank op 13 augustus 2014 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Daarbij is tevens verzocht om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (hierna: Fw). Het verzoekschrift is opgesteld door Trosh en Partners BV, gevestigd te Arnhem.

1.2.

De weigerachtige schuldeisers zijn Wehkamp Finance BV, International Card Services, ING Bank, Lindorff BV en Santander Consumer Finance Benelux BV. De schuldeisers International Card Services en ING Bank zijn na indiening van het verzoekschrift alsnog akkoord gegaan met de aangeboden schuldregeling. Door schuldeiser Wehkamp Finance BV (hierna te noemen verweerder) is op 12 september 2014 een verweerschrift ingediend.

1.3.

Verzoekers zijn door de rechtbank gehoord ter terechtzitting van 22 september 2014. Namens verweerder is ter zitting verschenen mevrouw mr. A. Kaak-Meijaard. Namens Trosh & Partners is niemand verschenen.

2 De beoordeling



2.1. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of verzoekers in hun verzoek ontvankelijk zijn. Daartoe dient te worden beoordeeld of het verzoek door een daartoe bevoegde instantie is ingediend.

2.2.

Bij het verzoek om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw moet een compleet schuldsaneringsverzoek ex artikel 284 Fw worden ingediend.

De rechtbank verwijst in deze naar de memorie van antwoord van de minister (Kamerstukken I 2006-2007, 29 942 C, p. 6-7), waarin het volgende is vermeld:

‘Het verzoek tot gedwongen schuldregeling dient ten eerste te allen tijde gedaan te worden in het verzoekschrift waarin wordt verzocht om toelating tot de schuldsaneringsregeling. Het verzoek tot gedwongen schuldregeling is het primaire verzoek, het verzoek tot toelating is het subsidiaire verzoek en beide verzoeken moeten ter zitting behandeld kunnen worden. Het verzoekschrift dient daarom aan alle vereisten van artikel 285 te voldoen.’

2.3.

Ingevolge artikel 285, eerste lid, aanhef en onder f, Fw volgt dat in het verzoekschrift of in een daarbij te voegen bijlage moet worden opgenomen een met redenen omklede verklaring afkomstig van het college van burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid kan door het college worden gemandateerd aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening (inmiddels de Wet op het financiële toezicht) of aan een krachtens artikel 48, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet op het consumentenkrediet (hierna: Wck) aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan, aan te wijzen bij algemene maatregel van bestuur.

2.4.

In de uitspraak 5 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BN8056) heeft de Hoge Raad bepaald dat ook de personen, bedoeld in artikel 48, eerste lid, aanhef en onder c, Wck bevoegd zijn tot het indienen van een met redenen omklede verklaring. Dit betreft advocaten, curatoren en bewindvoerders ingevolge de Fw of ingevolge artikel 383, zevende lid, dan wel artikel 435, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten.

2.5.

De rechtbank is niet gebleken dat Trosh & Partners BV door de gemeente Nijmegen is gemandateerd om het onderhavige verzoek in te dienen. Voorts is de rechtbank niet gebleken dat Trosh & Partners BV een instantie of rechtspersoon is, bedoeld in artikel 48, eerste lid, aanhef en onder c of d, Wck. Gelet op het vorenstaande zijn verzoekers daarom niet-ontvankelijk in hun verzoek om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

2.6.

Na sluiting van de behandeling ter zitting is door de heer [X]van Trosh & Partners BV nog een beroep gedaan op de conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad van 14 december 2014 (ECLI:NL:PHR:2012:BY0966), waaruit volgens hem blijkt dat Trosh & Partners BV wel bevoegd is het verzoek namens verzoekers in te dienen.

2.7.

De rechtbank overweegt dat dit het vorenstaande niet anders maakt. Dat de Hoge Raad in de uitspraak van 14 december 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BY0966) heeft geoordeeld dat toewijsbaarheid van het schuldsaneringsverzoek geen voorwaarde is voor toewijsbaarheid van het verzoek om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een schuldregeling, betekent niet dat niet aan de formele vereisten voor indiening van het verzoek hoeft te worden voldaan. De rechtbank verwijst daarbij naar overweging 2.9 van de Procureur-Generaal, waarin het volgende is vermeld:
‘Het verzoek tot oplegging van een dwangakkoord moet worden gegoten in de mal van een schuldsaneringsverzoek (art. 28a lid 1 juncto 284 lid 1 Fw). Het verzoekschrift moet dan ook gepaard gaan met een art. 285 Fw-verklaring.’

Vervolgens wordt in overweging 2.13 het volgende vermeld:
‘Zoals we hiervoor zagen, dient het verzoek ex art. 287a Fw op grond van het eerste lid gegoten te worden in een verzoekschrift als bedoeld in art. 284 lid 1 Fw. Voor een dergelijk verzoek geldt, anders dan voor een eis in kort geding, geen verplichte procesvertegenwoordiging en is ook geen griffierecht verschuldigd. Daar staat tegenover dat een vordering in kort geding niet hoeft te voldoen aan de vereisten die in art. 285 Fw aan het verzoekschrift voor toelating tot de schuldsaneringsregeling worden gesteld en dat tegen de uitspraak in kort geding meteen hoger beroep kan worden ingesteld.’
Tevens wordt in overweging 2.19 verwezen de hiervoor bij 2.2. vermelde memorie van antwoord van de minister.

Gelet hierop leidt de overgelegde conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad niet tot een ander oordeel.

2.8.

Nu verzoekers in hun verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard, komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek niet toe. Het verweer van verweerder kan daarom onbesproken blijven.

2 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.P.T. Blokhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 29 september 2014.