Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6207

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-09-2014
Datum publicatie
30-09-2014
Zaaknummer
05/720113-14
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:4296, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 28-jarige man uit Harderwijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar conform de eis van de officier van justitie. De rechtbank acht bewezen dat de man het slachtoffer aan wie hij geld schuldig was heeft beschoten. Het slachtoffer werd daarbij verwond in zijn bil en lies. Naar het oordeel van de rechtbank is in ieder geval voorwaardelijke opzet op de dood van het slachtoffer aanwezig geweest nu zich in het onderlichaam kwetsbare en vitale organen bevinden.

De rechtbank acht de bedreiging van het slachtoffer niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/720113-14

Uitspraak d.d.: 29 september 2014

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadsvrouw: mr. L. Özsüren-Thomson, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
19 augustus 2014 en 15 september 2014.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 mei 2014 in de gemeente Harderwijk ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het

leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een

pistool/revolver, althans een vuurwapen, op/tegen de (rechter)bil en/of het

(rechter)been en/of op/in de richting van het hoofd en/of op/in de richting

van het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 11 mei 2014 in de gemeente Harderwijk ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer]

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

meermalen, althans eenmaal met een pistool/revolver, althans een vuurwapen,

op/tegen de (rechter)bil en/of het (rechter)been en/of op/in de richting van

het hoofd en/of op/in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 11 mei 2014 in de gemeente Harderwijk

[slachtoffer] heeft bedreigd met

enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool/revolver, althans een

vuurwapen, in zijn handen gehad en/of dat/die pistool/revolver, althans dat

vuurwapen naar en/of in de richting gehouden van die [slachtoffer] en/of die/dat

pistool/revolver, althans dat vuurwapen, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer]

heeft en/of (voorafgaand en/of daarbij en/of daarna) die [slachtoffer] dreigend de

woorden toegevoegd dat hij tot drie zou tellen en dat als die [slachtoffer] dan niet

op de grond zou liggen, hij, verdachte, die [slachtoffer] zou doodschieten en/of tegen

die [slachtoffer] gezegd dat hij hem zou vermoorden, althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 11 mei 2014 omstreeks 13.56 uur kreeg de Meldkamer Oost Nederland de melding van een schietpartij op het adres [adres 2] te Harderwijk.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Ter terechtzitting van 15 september 2014 heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht. Voor feit 2 heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd omdat er volgens haar te weinig bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak voor beide feiten bepleit. Volgens de raadsvrouw komt de aangifte niet overeen met de verklaringen van de getuigen en van verdachte en is er onvoldoende bewijs dat verdachte de feiten zou hebben gepleegd. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw verder betoogd dat een schot in de liesstreek onvoldoende is om te kunnen komen tot de bewezenverklaring van een poging tot doodslag. Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsvrouw verder betoogd dat sprake is van eendaadse samenloop.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 11 mei 2014 omstreeks 13:30 uur werd gebeld op zijn mobiele telefoon. Hij herkende het telefoonnummer waarmee werd gebeld als het nummer van de vader van verdachte. Aangever hoorde dat verdachte tegen hem zei dat hij geld had geregeld en dat hij moest komen om zijn geld in ontvangst te nemen. Volgens aangever had hij € 1.450,- tegoed van verdachte. Omstreeks 13:45 uur is aangever naar verdachte op het adres [adres 1] (naar de rechtbank begrijpt: [adres 1]) [adres 1] te Harderwijk toegegaan. Verdachte kwam de flat uit en gaf hem de sleutel van zijn auto, een kleine groene auto mogelijk van het merk Fiat. Hij zei dat aangever moest rijden en dat ze jongens zouden ontmoeten die hem het geld zouden geven. Aangever moest parkeren bij het [adres 2]. Verdachte vroeg hem een stukje te wandelen. Het begon te regenen en aangever wilde gaan schuilen onder een boom. Hij liep voor verdachte uit naar een boom. Hij draaide zich om naar verdachte. Terwijl hij draaide hoorde hij een knal en voelde hij zijn rechterkant warm worden. Hij voelde dat er iets in zijn lichaam zat, hij voelde warmte en het werd steeds warmer. Hij zag bloed bij zijn rechter bovenbeen.2

Aangever heeft in het ziekenhuis de naam van verdachte genoemd als degene die hem van achteren heeft beschoten. Volgens aangever reed verdachte in een groene auto die van zijn vader was.3

De rechtbank zal eerst beoordelen of kan worden bewezen dat aangever is beschoten.

Uit de geneeskundige verklaring komt naar voren dat aangever een schotwond had in zijn rechterbil en in de rechterlies4.

Er is één schot gehoord door getuigen die in de buurt waren.

Getuige [getuige 1] heeft daarover verklaard dat ze een schot hoorde. Ze hoorde twee mannen met elkaar praten op een ruzieachtige manier. Ze liep richting het [adres 2] en zag op een plek met een boom een groene auto staan. Ze zag een man geknield met zijn armen om de boom hangen en hoorde hem schreeuwen, ruzieachtig praten tegen een andere man die tussen de boom en de auto heen en weer liep.5

Getuige [getuige 2] heeft in dit verband verklaard dat hij een harde knal hoorde, die hij niet kon thuisbrengen als vuurwerk6.

Uit de voormelde bewijsmiddelen bezien in samenhang met de aangifte kan worden bewezen dat er één keer is geschoten en dat aangever daardoor gewond is geraakt in zijn rechterbil en rechterlies.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte het schot heeft gelost.

Aangever heeft verklaard dat verdachte hem heeft beschoten.

Getuige [getuige 3], wonend aan de [adres 2] te Harderwijk heeft op de carpoolplaats een zeegroene auto zien staan, waarin een man van buitenlandse afkomst stapte. Ze heeft het kenteken [kenteken] onthouden.7

Uit onderzoek is gebleken dat dit kenteken is afgegeven voor een rode personenauto die volgens de codering al was gesloopt.

Omdat verdachte mogelijk zou rijden in de auto van zijn vader, is onderzocht welke auto te naam was gesteld van de vader van verdachte. Daaruit bleek dat het ging om een groene Fiat Punto met het kenteken [kenteken].8

Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 september 2014 verklaard dat hij een schuld had bij aangever, dat hij aangever na de middag heeft gebeld en dat hij direct daarna met de auto naar zijn vriendin is gegaan. Volgens verdachte was zijn vader in Turkije en reed hij die dag in de auto van zijn vader.9

Verdachte heeft ontkend dat de auto van zijn vader op de plaats van het delict is geweest.

Uit een onderzoek verricht aan de mobiele telefoon van aangever komt naar voren dat hij om 13:32 uur is gebeld door het contact genaamd “[contact]”. Volgens aangever is dit telefoonnummer van de vader van verdachte.10

[getuige 4], partner van verdachte en wonend aan de [adres 3] te Harderwijk, heeft verklaard dat verdachte op 11 mei 2014 in de middag bij haar is gekomen. Hij is niet bij haar binnen geweest. Ze hebben kort in zijn auto gezeten voor de deur en zijn in haar auto gaan rijden. Ze had al gehoord dat er iemand was neergeschoten in Harderwijk. Dat is in hun gesprek nog ter sprake geweest. Ze heeft verdachte toen gezegd dat ze niets van het schietincident wilde weten. Ze had van [contact] niets gehoord over het schietincident.11

[getuige 4] heeft op 12 mei 2014 in een telefoongesprek tussen haar en verbalisant gevraagd of alles goed was met die ander. Toen de politie zei dat ze dus wel wist waar het over ging, bevestigde ze dat. [getuige 4] belde later terug en zei dat het allemaal wat anders lag dan die man vertelde.12


De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van onder meer de getuigen [getuige 1] en [getuige 3] naar voren komt dat op de plaats waar aangever is aangetroffen een kleine groene auto is gezien. Aangever heeft verklaard dat de auto waarin hij met verdachte heeft gereden mogelijk van het merk Fiat was.

De rechtbank stelt vast dat het door getuige [getuige 3] doorgegeven kenteken niet het kenteken kan zijn van de auto die door [getuige 3] is gezien nu de bij dit kenteken behorende auto rood van kleur was en kennelijk was gesloopt. Het door haar doorgegeven kenteken komt echter wel grotendeels - te weten drie letters en één cijfer, derhalve 4 van de 6 karakters - overeen met het kenteken van de auto van de vader van verdachte. Opmerkelijk daarbij is dat de letters en het cijfer die [getuige 3] goed had genoemd, ook op de juiste plaatsen stonden. Naar het oordeel van de rechtbank is die score teveel om te kunnen spreken van toeval. Daarnaast is uit onderzoek gebleken dat de auto van de vader een kleine groene personenauto betreft van het merk Fiat, type Punto. Dat de auto van verdachtes vader niet op de plaats van het delict is geweest zoals verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank gelet op het voorgaande onaannemelijk.
Gelet op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, te weten dat hij direct na het telefoongesprek met aangever naar zijn vriendin is gegaan en gelet op het feit dat [getuige 4] heeft verklaard dat zij in Harderwijk woont en dat zij ’s middags met verdachte in zijn auto heeft gezeten en ze daarna in haar auto zijn gaan rijden, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij niet op de plaats van het delict is geweest kennelijk leugenachtig. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking de verklaring van [getuige 4] dat ze al had gehoord dat er iemand was neergeschoten in Harderwijk (hetgeen onmogelijk was geweest als verdachte na het telefoontje rechtstreeks naar zijn vriendin was gereden, zoals hij verklaart), dat dit in hun gesprek ter sprake is geweest en dat ze toen tegen verdachte heeft gezegd dat ze niets van het schietincident wilde weten en dat verdachte er ook niets over heeft gezegd. In geval verdachte niets met het schietincident te maken had, had het toch voor de hand gelegen dat hij in ieder geval tegenover zijn vriendin meteen elke betrokkenheid had ontkend. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat [getuige 4] een dag na het incident in een telefoongesprek tussen haar en een verbalisant heeft gevraagd of alles goed is met die ander. Toen de verbalisant zei dat ze dus wel wist waar het over ging, bevestigde ze dat.

Verdachtes verklaring ter terechtzitting dat hij van vrienden over het schietincident had gehoord en dat hij niet wist van wie zijn vriendin dit had gehoord zijn naar het oordeel van de rechtbank eveneens als kennelijk leugenachtig aan te merken gezien de korte tijd die moet hebben gezeten tussen het incident en de rit die verdachte en zijn vriendin hebben gemaakt in de auto. Verdachte heeft immers verklaard dat hij direct nadat hij aangever had gebeld naar zijn vriendin is gegaan, terwijl [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte niet binnen is geweest. Volgens haar zijn ze direct met haar auto weggegaan.

Het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwend acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft geschoten.

De rechtbank dient ten slotte te beoordelen hoe het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van aangever aanwezig geweest. Door te schieten in de richting van het lichaam van aangever heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zou komen te overlijden gelet op de kwetsbare en vitale organen die zich in het onderlichaam bevinden.

De rechtbank acht al het voorgaande in aanmerking nemend wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Feit 2

De rechtbank acht de onder 2 ten laste gelegde bedreiging niet bewezen nu de aangifte niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Dat getuige [getuige 1] twee mannen op ruzieachtige wijze heeft horen praten en schreeuwen acht de rechtbank onvoldoende ondersteunend nu [getuige 1] niet heeft verklaard dan wel mogelijk niet heeft kunnen verklaren wat er zou zijn gezegd. Verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 11 mei 2014 in de gemeente Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet eenmaal met een pistool/revolver, althans een vuurwapen, op/tegen de rechterbil en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.



Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1 primair: poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is op 21 juli 2014 een Pro Justitia Rapport uitgebracht, opgemaakt door
drs. C.M. Hopman, psycholoog. Daaruit komt naar voren dat verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

De raadsvrouw heeft subsidiair een gevangenisstraf bepleit die gelijk is aan de duur van het voorarrest en eventueel een (flink) voorwaardelijk deel. Ze heeft gewezen op de beperkte justitiële documentatie van verdachte en gesuggereerd dat aangever zich in het criminele circuit begeeft.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Hij heeft op aangever geschoten en hem daarbij verwond in diens bil en lies. Aangever mag van geluk spreken dat de kogel niet de slagader in zijn lies of een ander orgaan in zijn onderbuik heeft geraakt. In dat geval was de kans aanzienlijk geweest dat ernstiger letsel zou zijn opgetreden, mogelijk met de dood tot gevolg. Verdachte heeft kennelijk gehandeld uit onmin over de schuld die hij bij aangever had. Door te handelen als bewezen verklaard heeft verdachte aangever een traumatische ervaring bezorgd. Hoe groot de impact van het gebeuren op aangever is geweest komt naar voren uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Daarin verklaart aangever dat hij totaal uit balans is en zich nergens veilig voelt. Hij heeft regelmatig nachtmerries en herbelevingen en durft niet meer alleen op straat te zijn. Hij heeft vanwege zijn angsten en herbelevingen EMDR-therapie gevolgd en gebruikt medicatie om rustiger te worden. Ook heeft hij zijn zaak moeten sluiten vanwege zijn angsten.

De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport van 8 september 2014. De reclassering heeft gelet op de ontkennende houding van verdachte geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de zaak af te doen zonder verdere bemoeienis van de reclassering.

Mede gelet op de houding van verdachte ter terechtzitting van 15 september 2014 en gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend en geboden.

De rechtbank ziet geen aanleiding rekening te houden met de vermeende rol van aangever in het geheel. Indien en voor zover verdachte dan wel zijn partner en kind zijn bedreigd naar aanleiding van dit feit dan staat het hen vrij daarvan aangifte te doen.

In beslag genomen voorwerpen

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de in beslag genomen kleding aan de rechthebbende.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.355,- te vermeerderen met de wettelijke rente, waarvan € 2.000,- voor immateriële schade en € 1.355,- voor materiële schade, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de vordering betreffende de immateriële schade en zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in de strafzaak. Verder heeft zij, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van de materiële schade betoogd dat de schade niet is onderbouwd. Voor zover de rechtbank wel schade aanneemt heeft de raadsvrouw verzocht om matiging van de vordering. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsvrouw matiging van de vordering verzocht gelet op de eigen rol van aangever. De raadsvrouw heeft hierbij gesteld dat aangever tijdens het voorarrest van verdachte veelvuldig bedreigingen heeft geuit.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. De rechtbank acht de immateriële schade voldoende onderbouwd en volledig voor toewijzing vatbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding de vordering voor immateriële schade te matigen zoals de raadsvrouw heeft verzocht.

Ten aanzien van de materiële schade zal de rechtbank de gevorderde bedragen voor het eigen risico zorgverzekering (€ 360,-) en de daggeldvergoeding (€ 28,-) volledig toewijzen. De gevorderde schade voor kleding acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze schade schattenderwijs vaststellen op € 150,-.

Gelet op het voorgaande zal een bedrag van € 2.538,- vermeerderd met de wettelijke rente worden toegewezen, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:


feit 1 primair: poging tot doodslag;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaar;

  • -

    beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

  • -

    gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding aan de rechthebbende;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 2.538,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2014, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 2.538,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2014, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 35 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.


Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Van Apeldoorn en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 september 2014.

Mr. Van der Hooft is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2014064092, Politie Regio Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 17 juli 2014.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p.48-49

3 Proces-verbaal van bevindingen, p.55

4 Geneeskundige verklaring, p.54

5 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p.64-66

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p.83-84

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], p.75-76

8 Proces-verbaal van bevindingen, p.63

9 Verklaring van verdachte in het proces-verbaal van de terechtzitting van 15 september 2014

10 Proces-verbaal van bevindingen, p.105

11 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p.120

12 Proces-verbaal van bevindingen, p.104