Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6153

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
258880
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:7558, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevordering gericht tegen advocaat. Vraag is in hoeverre de advocaat de opdracht had om de belangen van eiser te behartigen in een procedure in Oostenrijk en in hoeverre de advocaat in de uitvoering daarvan is tekortgeschoten. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/258880 / HA ZA 14-69

Vonnis van 3 september 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. W.P. Keulers te Zoetermeer,

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [plaats],

2. de maatschap DE MUL ZEGGER ADVOCATEN,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagden,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 mei 2014,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 11 juli 2014 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Vanwege de leesbaarheid zal, voor zover voorhanden, bij de vaststelling van de feiten uit de overgelegde Nederlandse vertalingen van de Duitse stukken worden geciteerd.

2.2.

[gedaagde] is de voormalige advocaat van [eiser]. [gedaagde] is maat in de maatschap De Mul Zegger Advocaten.

2.3.

[eiser] heeft met zijn voormalige zakenpartner de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]) in 2002 geïnvesteerd in een onroerend goed project in Oostenrijk. Het betrof een investering in een te bouwen vakantiepark, [naam 2]. [eiser] en [naam 1] zijn daartoe namens een op te richten vennootschap (JFG Invest Group B.V. i.o.) verplichtingen aangegaan. Zij kochten een deel van een reeds bestaand project, inclusief alle reeds verrichte en nog te verrichten architect-werkzaamheden in de bouwfase van [naam 3] Immobilientreuhänder und Bauträger OEG (hierna: [naam 3]). De betrokken architect was de heer [naam 3] (hierna: [naam 3]). [naam 3] is in een later stadium failliet gegaan.

2.4.

Tijdens de uitvoering van het project zijn diverse geschillen ontstaan tussen [naam 1] en [eiser] enerzijds en anderzijds - onder meer - [naam 3], Rohrmoser Bau-Holz GmbH en Raiffeisenbank Saalfelden regGenmbH. [eiser] en [naam 1] werden toen bijgestaan door de Oostenrijkse advocaat dr. Masser (hierna: Masser). Uit de overgelegde stukken volgt dat [gedaagde] stukken van Masser aan [eiser] – zonder inhoudelijke toelichting – heeft doorgestuurd.

2.5.

Op enig moment heeft Masser zijn werkzaamheden voor [eiser] en [naam 1] gestaakt. Vanwege onderlinge geschillen hebben [eiser] en [naam 1] toen ieder een eigen advocaat genomen. [naam 1] heeft de advocaat dr. Mair (hierna: Mair) ingeschakeld. [gedaagde] heeft namens [eiser] op 31 augustus 2005 aan advocaat de heer dr. R. Glaser (hierna: Glaser) geschreven:

“In naam van mijn mandant, de heer [eiser] (…), verzoek ik u mijn mandant te vertegenwoordigen met betrekking tot twee zittingen en tijdens alles wat daartoe procesmatig verder behoort (…).

De zittingen vinden plaats op 29 augustus 2005 en 6 september 2005. Tijdens de afgelopen zitting van 29 augustus 2005 is mijn mandant bijgestaan door een zekere heer [naam 4]; laatst genoemde is echter geen advocaat.

Mijn mandant wenst de processtukken zo snel mogelijk te ontvangen.

Is het voor u mogelijk mijn mandant te vertegenwoordigen tijdens de zitting van 6 september 2005?

Gaarne ontvang ik de bevestiging dat u mijn mandant kunt vertegenwoordigen in bovengenoemde zaak. (…)”

2.6.

Glaser heeft [eiser] op 25 oktober 2005 bericht over de voor [eiser] ongunstige afloop van de gerechtelijke procedure tussen [naam 1] en [eiser] enerzijds en Raiffeissenbank Saalfelden regGenmbH anderzijds. [eiser] heeft deze brief aan [gedaagde] voorgelegd. Daarop heeft [gedaagde] bij brief van 9 november 2005 als volgt aan Glaser geschreven:

“Via mijn mandant, de heer [eiser], heb ik een kopie van uw brief van 25 oktober jongstleden ontvangen. Mijn mandant heeft naar aanleiding van bovengenoemde brief de volgende vragen:

- Hoe hoog schat u de kans op een succesvol beroep?

(…)

Met het ook op het verlopen van de termijn waarbinnen een eventueel beroep dient te worden ingediend, 15 november 2009, verzoek ik u per omgaande te reageren.(…)”

2.7.

Bij brief van 11 november 2005 heeft Glaser aan [gedaagde] geschreven dat de kans op een succesvol beroep in de zaak tegen Raiffeissenbank Saalfelden regGenmbh zo goed als nihil is.

2.8.

[naam 3] is op enig moment een gerechtelijke procedure tegen [eiser] (en [naam 1]) gestart. De vordering van [naam 3] tegen [eiser] is aanvankelijk bij verstek toegewezen. Het verstekvonnis is op 12 februari 2007 aan het kantoor van Glaser betekend. Daarover heeft Glaser bij fax-bericht van 16 februari 2007 aan [gedaagde] geschreven:

“(…) Ik doe u onder ander mijn ingesloten brief van 16.02.2007 toekomen, waarin ik erop attendeer dat ik tot nu toe voor deze procedure generlei opdracht voor vertegenwoordiging had en ik van de heer [eiser] ook nooit een rechtsvordering of andere stukken van deze procedure ter afhandeling toegestuurd heb gekregen.

Ik verzoek u per ommegaande om opheldering, met name om mededeling, of en wanneer de dagvaarding aan de heer [eiser] werd betekend.

De medewerkster van de rechtbank kon mij dienaangaande geen bindende gegevens verstrekken en de rechter is pas volgende week weer beschikbaar.

Het verstekvonnis zou nu direct aan de heer [eiser] moeten worden betekend en er bestaat de mogelijkheid om binnen 14 dagen vanaf de betekening bezwaar aan te tekenen tegen dit vonnis.(…)”

Glaser heeft vervolgens het verstek gezuiverd en zich in de procedure tegen [naam 3] als advocaat van [eiser] gesteld.

2.9.

Bij brief van 5 juli 2007 heeft Glaser [gedaagde] op de hoogte gebracht van de stand van zaken in de gerechtelijke procedures tussen [eiser] (en [naam 1]) en Rohrmoser Bau-Holz GmbH en [naam 3]. Uit die brief wordt het volgende geciteerd:

“In de hierboven vermelde aangelegenheid bericht ik u over de rechtszittingen in de beide genoemde rechtszaken, in het kader waarvan ik de heer [eiser] wegens ziekte verontschuldigd heb op basis van uw fax van 25.6.07.

(…)

In de rechtszaak Rohrmoser Bau-Holz GmbH (…)

De eisende partij heeft zich vervolgens op instigatie van het gerecht bereid verklaart om voor het geval en snel wordt betaald haar vordering te reduceren, in het kader waarvan de vertegenwoordiger van de eisende partij dr. Ramsauer aangekondigd heeft zijn desbetreffende schikkingsvoorstel per fax te concretiseren.

Aangezien ik tot nu toe geen standpunt heb ontvangen, heb ik met advocaat dr. Mair contact opgenomen (…)

De wijze van te werk gaan is die dat zowel door de heer [eiser] als door de heer [naam 1] aan hun advocaten de door hen te betalen helft van het schikkingsbedrag op een derdenrekening wordt gestort en de schikkingsregeling pas wordt uitgevoerd als beide bedragen fiduciair bij Dr. Mair en bij mijn kantoor binnengekomen zijn.

(…)

Ik verzoek u derhalve mij spoedig uw standpunt mee te delen.

(…)

In de rechtszaak Dipl.-Ing. [naam 3] (….)

Eerst werd evenwel op grond van het door mij aangetekende verzet tegen het verstekvonnis dat tegen de heer [eiser] is gewezen, dit vonnis opgeheven, zodat er in deze zaak geen sprake meer is van een executoriale titel tegen [eiser].

(…)

Ik verzoek u, geachte confrère, allereerst het standpunt van de heer [eiser] te verkrijgen in de rechtszaak Rohrmoser Bau-Holz Gmbh ten aanzien van de aangeboden schikking overeenkomstig de bijgevoegde fax van dr. Ramsauer.(…)”

2.10.

Op 3 september 2007 hebben [naam 1] en [eiser] een compromis gesloten in verband met de diverse gerechtelijke procedures tussen hen en derden en in verband met de tussen hen bestaande geschillen. Uit de schriftelijke vastlegging (welke op 5 september 2007 ‘ter info’ aan [gedaagde] is doorgefaxt) wordt als volgt geciteerd:

“(…) [naam 1] zal de lopende rechtszaak Rohrmoser Bau en Arch. [naam 3] verder begeleiden, het staat [eiser] vrij om zich te laten vertegenwoordigen op zittingen via dhr. Mair. Rekeningen betreffende dhr. Mair komen [naam 1] toe.

De rechtszaak met VvE Rehrenberg zal verder begeleid worden door dhr. Gl, advocaatrekeningen van Pesman zal [naam 1] geheel voor zijn rekening nemen.

Afschriften van de zittingen worden ook aan [eiser] toegestuurd tenzij inzake VvE dit voor de toekomstige zittingen nadelig kan zijn (…)”

2.11.

Bij brief van 19 september 2007 heeft [gedaagde] in verband met dat compromis aan [eiser] geschreven:

“Voorts maak ik u erop attent dat de ondertekende vaststellingsovereenkomst – met betrekking tot de afspraken zoals die zijn gemaakt tussen u en de heer [naam 1] – van zeer grote waarde is. Ik raad u dan ook aan voormelde vaststellingsovereenkomst zeer zorgvuldig te bewaren.”

2.12.

Bij deze brief was tevens een concept brief aan Glaser gevoegd, met het verzoek aan [eiser] daarop te reageren. Uit die concept brief wordt het volgende geciteerd:

“Mijn cliënt, de heer [eiser], en de heer [naam 1] hebben onderling de navolgende afspraken gemaakt:

heer [naam 1] zal de zaken met betrekking tot Rohrmoser Bau, Prodinger en Partners en [naam 3] afhandelen.

Desondanks verzoek ik u de heer [eiser] vooralsnog processueel te vertegenwoordigen, in bovengenoemde zaken.(…)”

2.13.

Bij brief van 25 oktober 2007 heeft [gedaagde] aan [eiser] – onder meer – geschreven:

“hoe met de inbreng van de heer Glaser om te gaan, nu de heer [naam 1] het voortouw neemt”.

2.14.

Op 21 november 2007 heeft [gedaagde] aan Glaser geschreven (en in kopie aan [eiser] gezonden) (geciteerd wordt uit de als productie 10 bij conclusie van antwoord overgelegde vertaling):

“(…) De heren [naam 1] en [eiser] zijn met elkaar overeengekomen dat de heer [naam 1] vanaf dit moment een leidende rol zal spelen met betrekking tot alle in Oostenrijk lopende processen. Volgens mijn informatie betekent dit dat uw activiteiten als advocaat in Oostenrijk inzake deze kunt beëindigen, met uitzondering van de kwestie inzake het rendement.(…)”

2.15.

In reactie op het voorgaande heeft Glaser op 28 november 2007 aan [gedaagde] geschreven:

“(…) en dat ik er kennis van heb genomen dat ik geen diensten meer hoef te verrichten voor de heer [eiser].(…)

Het opzeggen van mijn volmacht geldt voor alle rechtszaken, zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk.

Omdat tijdens processen voor de arrondissementsrechtbank van Salzburg vertegenwoordiging middels een advocaat verplicht is, dient de heer [eiser] zich derhalve te laten vertegenwoordigen door een andere advocaat van zijn keuze. (…)

Binnen enkele dagen zal ik u een overzicht geven van de nog openstaande kosten van mijn kantoor.(…)”

2.16.

Bij brief van 28 januari 2008 (abusievelijk gedateerd op 28 januari 2007) stuurt Glaser aan [gedaagde] zijn einddeclaratie (€ 6.128,58) met betrekking tot zijn werkzaamheden voor [eiser]. Glaser deelt in die brief tevens mede dat de zitting in de rechtszaak tegen [naam 3], die gepland stond op 30 januari 2008, is aangehouden.

2.17.

Glaser heeft bij brief van 18 februari 2008 rechtstreeks aan [eiser] geschreven:

“Wanneer ik uw email van 16 februari 2008 goed heb begrepen, deelde u me hierin mede dat u reeds tweemaal een honorariumbedrag hebt overgemaakt ten gunste van mijn kantoor. Deze bedragen zijn inbegrepen in mijn afrekening van 28 januari 2008, waarbij een overzicht wordt gegeven van in totaal vier betalingen door u.

(…)

In de bijlage vindt u ter kennisname een overzicht van de zittingen waarvoor ik inmiddels een oproep heb gehad (…). Nogmaals wil ik u erop wijzen dat u verplicht bent zich door een Oostenrijkse advocaat van uw keuze te laten vertegenwoordigen.

De eerste betaling van 50% van mijn honorariumkosten dient uiterlijk 29 februari 2008 door mij te zijn ontvangen (…).”

2.18.

[gedaagde] heeft bij brief van 26 februari 2008 aan [eiser] geschreven:

“(…) Voorts treft u bijgaand een kopie aan van de faxbrief, met bijlagen, van mr. Glaser d.d. 18 februari 2008. In deze brief kunt u lezen, dat mr. Glaser uw e-mailbericht van 16 februari jl. ontvangen heeft en dat zijnerzijds thans 4 betalingen van u zijn ontvangen. De heer Glaser verzoekt voorts om betaling van een bedrag ad € 6.128,56 inzake Mag. Masser en Raiffeissenbank Saalfelden. Een deel van 50% dient uwerzijds voor 29 februari a.s. voldaan te worden.

Voorts treft u een tweetal uitnodigingen aan in de rechtszaak tegen Rohrmoser Bau en de heer [naam 3]. De heer Glaser wijst u erop, dat in Oostenrijk vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is en dat u aldus voor vertegenwoordiging in rechte dient te zorgen.(…)”

2.19.

Glaser heeft bij brief van 30 april 2008 [gedaagde] bericht over de voortgang in de gerechtelijke procedure tussen [naam 1] en [eiser] enerzijds en [naam 3] anderzijds:

“(…) Zoals u kunt lezen in de bijlage voor de opdracht tot consignatie van 22 april 2008, wordt mij nu nadrukkelijk verzocht de volmacht te overleggen die u mij inzake deze kwestie zou moeten verstrekken. Daar u de verlangde volmacht echter juist hebt ingetrokken, kan ik niet aan het verzoek van de rechtbank voldoen en dient u een advocaat van eigen keuze opdracht te geven u te vertegenwoordigen in deze zaak.(…)”

2.20.

[gedaagde] heeft [eiser] bij brief van 23 mei 2008 geattendeerd op voornoemde brief van Glaser van 30 april 2008:

“Volgens uw informatie is de heer [naam 1] nog immer aan het ‘nadenken’ over het al dan niet treffen van een schikking. Dit houdt niet in dat u de brief d.d. 30 april 2008 van mr. Glaser zomaar naast u neer kunt leggen. Bovendien ligt er de door de heer [naam 1] ondertekende overeenkomst.

(…)

Mr. Glaser werd verzocht de procesvolmacht over te leggen. Met het oog op het verzoek dezerzijds aan de heer Glaser om niet meer voor u op te treden, kan de heer Glaser (de advocaat van de heer [naam 1]) niet aan dat verzoek voldoen en zal een andere advocaat moeten worden verzocht deze volmacht over te leggen.

Gaarne verzoek ik u telefonisch contact met mij op te nemen voor nader overleg hieromtrent.”

2.21.

In de gerechtelijke procedure tegen [naam 3] is op enig moment een datum bepaald voor een mondelinge behandeling, zijnde 7 januari 2009. Bij brief van 23 december 2008 heeft [gedaagde] Glaser verzocht om daarbij aanwezig te zijn:

“Weiter versuche ich Ihnen mir zu errichten wie es möglicht is, dass die Prozedure im Bezug auf Herrn [naam 3] seine Fortgang hat, whärend Herrn [naam 3] Zahlungsunfähig erklärt worden ist.

Die ladung in dieser Sache habe ich besprochen mit meinem Mandant; er wirt anwesend sein. Können Sie mir errichten ob Sie ebenso anwiesend sein sollen?”

2.22.

In verband daarmee heeft Glaser op 5 januari 2009 aan [gedaagde] geschreven:

“Pas vandaag bereikte mij uw schrijven van 23 december 2008.

Zoals bekend werd mijn volmacht ingetrokken inzake alle aanhangige rechtszaken, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke.

Ik zal derhalve ook niet aanwezig zijn bij de behandeling van de zaak op 7 januari 2009. Het zou bovendien doelmatig zijn geweest indien de heer [eiser] op grond van de bestaande vertegenwoordigingsplicht een andere advocaat in de arm had genomen om zich te laten vertegenwoordigen.(…)”

2.23.

Bij tussenvonnis van 17 april 2009 is in de zaak tussen [naam 3] enerzijds en [eiser] en [naam 1] anderzijds beslist dat [eiser] en [naam 1] betalingsplichtig jegens [naam 3] zijn. Iedere verdere beslissing met betrekking tot de hoogte van de vordering van [naam 3] is aangehouden. Dit tussenvonnis is bij brief van 30 april 2009 door Glaser aan [eiser] (en in kopie aan [gedaagde]) gezonden. Deze brief is later op 7 mei 2009 door de secretaresse van [gedaagde] (wegens diens afwezigheid) aan [eiser] doorgestuurd. In de brief van Glaser staat als volgt geschreven:

“(…) stuur ik u hierbij het tussenvonnis van de arrondissementsrechtbank van Salzburg van 17 april 2009 (….).

De heer [naam 1] en u kunnen tegen dit oordeel binnen vier weken beroep aantekenen bij het Gerechtshof in Linz, gerekend vanaf 30 april 2009, dus tot uiterlijk 28 mei 2009.

Ik wil u hierbij nogmaals wijzen op de aanwijzing die ik u al enkele malen eerder heb gegeven, namelijk dat tijdens dit concrete proces de vertegenwoordiging middels een advocaat verplicht is, en dat u als gevolg van het opzeggen van de volmacht voor mijn kantoor verplicht bent u te laten vertegenwoordigen door een andere Oostenrijkse advocaat. Zolang dit echter nog niet het geval is, zal de gerechtelijke correspondentie nog via mij persoonlijk verlopen, zoals dit is voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.(…)”

2.24.

Bij emailbericht van 11 mei 2009 heeft [naam 1] aan [eiser] (en in cc aan [gedaagde]) geschreven dat de kosten van in beroep gaan € 7.731,87 bedragen (de eerste kosten van gerecht en het beroepschrift).

2.25.

[naam 1] is tegen het tussenvonnis van 17 april 2009 in hoger beroep gegaan, [eiser] niet.

2.26.

In verband met de procedure tegen Rohrmoser Bau-Holz GmbH heeft Glaser op 14 mei 2009 aan [eiser] (en in kopie aan [gedaagde]) geschreven:

“Ik wil u hierbij nogmaals wijzen op de aanwijzing die ik u al enkele malen eerder heb gegeven, namelijk dat tijdens dit concrete proces de vertegenwoordiging middels een advocaat verplicht is en u zich dient te laten vertegenwoordigen door een Oostenrijkse advocaat van eigen keuze; u mag zich dus niet zelf vertegenwoordigen in de rechtbank!(…)”

2.27.

In verband met het faillissement van [naam 3] heeft Glaser op 8 juli 2009 per brief [gedaagde] verzocht of hij in die zaak de belangen van de heer [eiser] moet behartigen. Bij e-mail bericht van 16 juli 2009 heeft [gedaagde] aan Glaser bericht dat hij zelf contact zal opnemen met curator dr. Hufnagl en dat Glaser geen verdere diensten hoeft te verrichten voor [eiser] inzake de afwikkeling van het faillissement van [naam 3]:

“(…)U hoeft geen verdere diensten te verrichten voor de heer [eiser] inzake de afwikkeling van het faillissement van [naam 3].

Ik zal zelf contact opnemen met de heer Hufnagl.

Ik dank u voor de werkzaamheden die u heeft verricht met betrekking tot deze zaak.(…)”

2.28.

Diezelfde dag heeft [gedaagde] aan Hufnagl geschreven dat de afwikkeling van het faillissement middels het indienen van een vordering door het kantoor van [gedaagde] zal worden afgehandeld.

2.29.

Bij de stukken bevindt zich een document met de titel “Afwikkeling van de overeenkomst d.d. 3 september 2007”. Daaruit wordt het volgende geciteerd:

“Heden 1 april 2010 hebben [eiser] en [naam 1] het volgende besproken en overeengestemd.

(…)

Betreffende de rechtszaak met [naam 3]: de beroepstermijn loopt nog, [naam 3] kan nog steeds beroep instellen. Indien dit gebeurt, dan zal er opnieuw overleg plaatsvinden tussen [eiser] en [naam 1]. [naam 1] zal ervoor zorg dragen dat dhr [gedaagde] de desbetreffende uitspraak toegezonden krijgt.

(…)

Het vorenstaande is tussen partijen overeengekomen in aanwezigheid van de advocaten van partijen, mr Pesman en mr [gedaagde] en door tussenkomst van de advocaten schriftelijk vastgelegd.”

2.30.

Bij e-mailbericht van 3 december 2010 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven:

“Ik kan u momenteel nog geen uitsluitsel geven met betrekking tot de voortgang van de procedure in Oostenrijk. Het is niet gelukt contact te leggen met de griffie van de rechtbank Salzburg die gaat over de behandeling van de zaak. Ik stel voor af te wachten of er een nieuwe oproep komt van de rechtbank Salzburg.(…)”

2.31.

Over de betrokkenheid van [gedaagde] in de Oostenrijkse procedures heeft [gedaagde] per e-mail van 23 december 2010 aan [naam 1] geschreven:

“(…) Door u is in het verleden bij herhaling toegezegd dat u de kwestie [naam 3] (als onderdeel van de procedure in Oostenrijk) zou afwikkelen zowel met betrekking tot uw betrokkenheid daarbij als met betrekking tot de betrokkenheid van mijn cliënt bij die kwestie. Reeds voor 3 september 2007 heeft u dat meermalen in mijn aanwezigheid bevestigd. Dat is ook vastgelegd in de overeenkomst van 3 september 2007 en door u nog een bevestigd in de bespreking van 1 april 2010 (zie het bijgevoegde document “afwikkeling….). Bovendien heeft u het desbetreffende dossier onder u en hebt u de procedures gevoerd. Gaarne zie ik dan ook de schriftelijke onderbouwing van u tegemoet van uw stellingen, vervat in uw e-mailbericht van 9 december jl.

Uw aansprakelijkstelling van mijn cliënt als reactie op de aansprakelijkstelling van mijn cliënt wordt afgewezen. Cliënt handhaaft zijn aansprakelijkstelling, waarbij ik nog aanteken dat hij u eerder reeds bij herhaling reeds aansprakelijk heeft gesteld.(…)”

2.32.

[eiser] is in de procedure tussen [naam 3] en [eiser] en [naam 1] bij vonnis van 24 januari 2012 veroordeeld tot betaling van de gehele schadeclaim van [naam 3]. Het hoger beroep van [naam 1] is geslaagd, de vorderingen jegens hem zijn afgewezen.

2.33.

[eiser] heeft [gedaagde] bij brief van 29 maart 2013 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van door [gedaagde] gemaakte beroepsfouten waardoor hij (volgens [eiser]) de gerechtelijke procedure tegen [naam 3] verloren heeft. Bij brief van 16 april 2013 heeft [gedaagde] aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de uitvoering van de door [eiser] gegeven opdracht om zijn belangen te behartigen in Nederland en Oostenrijk in verband met de juridische kwestie tegen architect [naam 3] en [naam 1] verbandhoudende met het investeringsproject in Oostenrijk, althans dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan onrechtmatig handelen door in strijd met de zorgvuldigheid die een advocaat betaamt te hebben gehandeld;

  2. te verklaren voor recht dat de maten in de maatschap De Mul Zegger Advocaten en Notarissen als maatschap waartoe ook [gedaagde] als maat hoort aansprakelijk zijn voor alle door [gedaagde] aan [eiser] toegebrachte schade voortvloeiende uit de toerekenbare tekortkoming en onrechtmatige daad;

  3. [gedaagden], hoofdelijk, te veroordelen te betalen aan [eiser] een bedrag van € 393.402,94, vermeerderd met jaarlijks 8% als opslag op de Oostenrijkse basisrente, te rekenen vanaf 29.03.2013, alsmede de wettelijke vertragingsrente over dit gehele bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  4. [gedaagden], hoofdelijk, te veroordelen te betalen aan [eiser] een bedrag van € 31.478,50, alsmede de wettelijke vertragingsrente over dit gehele bedrag vanaf heden tot aan de dag van algehele voldoening;

  5. te verklaren voor recht dat [gedaagden] hoofdelijk jegens [eiser] aansprakelijk zullen zijn voor alle huidige en toekomstige schade resulterende uit de verweten gedragingen en tekortkomingen in de nakoming van de verbintenis en gepleegde onrechtmatige daad;

  6. [gedaagden], hoofdelijk, te veroordelen aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.160,00 ter zake van forfaitaire buitengerechtelijke kosten;

  7. [gedaagden], hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis is voldaan en te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen het navolgende ten grondslag. [eiser] heeft aan [gedaagde] de opdracht gegeven om hem als advocaat bij te staan bij diverse geschillen verband houdende met een vakantiewoningen project in Oostenrijk. Ter uitvoering van die opdracht heeft [gedaagde] in Oostenrijk advocaat Glaser – die ook door [gedaagde] werd betaald – ingeschakeld. [gedaagde] heeft nadien zelf de opdracht aan Glaser beëindigd en in plaats daarvan geen nieuwe Oostenrijkse advocaat ingeschakeld.

Bij het vervullen van deze opdracht heeft [gedaagde] beroepsfouten gemaakt. Deze beroepsfouten betreffen het niet c.q. het verkeer adviseren van [eiser] bij de keuze om geen hoger beroep in te stellen tegen het Oostenrijkse tussenvonnis van 17 april 2009 in de zaak van [naam 3] tegen [eiser] en [naam 1]. Daarnaast heeft [gedaagde] een beroepstermijn laten verlopen in de zaak van [naam 3] en [eiser] niet gewezen op de (schadelijke) gevolgen van het niet in beroep gaan. Ook heeft [gedaagde] [eiser] niet gewezen op de gevolgen van een niet rechtsgeldige vertegenwoordiging door een Oostenrijkse advocaat in de Oostenrijkse procedure tegen [naam 3]. Ten slotte heeft [gedaagde] de belangen van [eiser] niet voldoende behartigd bij het sluiten van het compromis van 3 september 2007 tussen [naam 1] en [eiser] en de latere opvolging van de uitvoering van dat compromis.

[eiser] heeft gesteld dat door voornoemde beroepsfouten hij uiteindelijk de procedure in Oostenrijk van [naam 3] tegen hem heeft verloren. De schade die hij daardoor heeft geleden wenst hij thans op [gedaagde] te verhalen. De grondslag daarvan is naast de hiervoor omschreven wanprestatie, onrechtmatige daad (schending van zorgvuldigheidsnormen, meer in het bijzonder gedragsregel 8 van de Gedragsregels voor Advocaten).

De maatschap De Mul Zegger (de maatschap waarin [gedaagde] maat is) is mede hoofdelijk aansprakelijk voor de gevolgen van de handelswijze van [gedaagde], nu de overeenkomst van opdracht (mede) is gesloten met deze maatschap, aldus [eiser].

3.3.

[gedaagden] voert verweer. Dat verweer komt er in de kern en kort samengevat op neer dat [gedaagde] noch de opdracht tot het vertegenwoordigen van de belangen van [eiser] in de Oostenrijkse procedures heeft gekregen, noch heeft hij een dergelijke opdracht aanvaard. Evenmin heeft [gedaagde] een Oostenrijkse advocaat voor [eiser] ingeschakeld ter uitvoering van een aan [gedaagde] gegeven opdracht. [gedaagde] heeft slechts in opdracht van [eiser] contact gelegd met Glaser. [eiser] heeft de opdracht aan Glaser gegeven, diens rekeningen betaald en tenslotte de opdracht weer ingetrokken (na het sluiten van het compromis met [naam 1]). [gedaagde] heeft (zowel tijdens de vertegenwoordiging door Glaser als daarna) slechts als ‘schaduwbode’ opgetreden en is op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken geweest (behoudens correspondentie met curator mr. Hufnagl) bij de Oostenrijkse zaken. [gedaagde] betwist voorts [eiser] te hebben geadviseerd inzake de keuze om in appel te gaan tegen het tussenvonnis van 17 april 2009. Omdat hij niet de (Oostenrijkse) advocaat van [eiser] was heeft hij evenmin een beroepstermijn laten verlopen. Daarnaast heeft hij [eiser] wel degelijk gewaarschuwd voor het niet rechtsgeldig vertegenwoordigd zijn in de Oostenrijkse procedures en was hij tenslotte in het geheel niet betrokken bij het sluiten van het compromis van 3 september 2007 tussen [naam 1] en [eiser]. [eiser] heeft uit kostenoverwegingen zich niet laten bijstaan door een Oostenrijkse advocaat en bovendien een fatale beroepstermijn laten verlopen, hetgeen voor rekening en risico van [eiser] dient te blijven, aldus [gedaagde].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op het daarop gerichte verweer betreft de kern van het geschil de vraag of [eiser] aan [gedaagde] de opdracht heeft gegeven om zijn belangen te behartigen in de Oostenrijkse gerechtelijke procedure die [naam 3] jegens [eiser] (en [naam 1]) aanhangig heeft gemaakt. [eiser] vordert thans immers van [gedaagde] het bedrag dat hij zelf ingevolge die procedure aan [naam 3] moet betalen met de stelling dat [gedaagde] beroepsfouten heeft gemaakt in de uitvoering van die opdracht. Voorzover [eiser] heeft willen betogen dat die hiervoor omschreven opdracht ligt besloten in het feit dat [gedaagde] al sinds 2001/2002 de advocaat was van [eiser] wordt daaraan voorbij gegaan. Daarover hebben beide partijen verklaard dat [gedaagde] “de belangen” van [eiser] behartigde. Wat echter de exacte achtergrond is van deze belangenbehartiging en wat de inhoud was van de aan [gedaagde] verstrekte opdracht is gesteld noch gebleken. Evenmin is gesteld noch gebleken welke concrete werkzaamheden [gedaagde] voor [eiser] heeft verricht. Daarmee is de belangenbehartiging sinds 2001/2002 een onvoldoende basis voor het bestaan van een opdracht ten aanzien van de Oostenrijkse zaak tegen [naam 3]. Dit geldt temeer nu vast staat dat [eiser] zich tegelijkertijd van meerdere advocaten bediende, waaronder de Oostenrijkse advocaat dr. Masser. Daartegen afgezet en in het licht van die onduidelijke achtergrond gaat het in deze zaak concreet om de vraag of [gedaagde] de opdracht had om de belangen van [eiser] te behartigen in de Oostenrijkse zaak tegen [naam 3] en in hoeverre [gedaagde] in de uitvoering daarvan tekort is geschoten.

4.2.

Bij de beantwoording van die vraag stelt de rechtbank voorop dat [eiser] en [gedaagde] schriftelijk daaromtrent niets hebben vastgelegd, althans dat is gesteld noch gebleken.

De vraag is dan of uit de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden kan en mag worden afgeleid dat [eiser] aan [gedaagde] de opdracht had gegeven om zijn belangen in de Oostenrijkse procedure tegen [naam 3] te behartigen, althans dat [eiser] uit de gedragingen en uitlatingen van [gedaagde] daaromtrent gerechtvaardigd mocht afleiden dat [gedaagde] een dergelijke opdracht had aanvaard.

4.3.

De rechtbank stelt – bij de vaststelling van die feiten en omstandigheden – vast dat in de verwijten van [eiser] ligt besloten dat hij het [gedaagde] verwijt dat Glaser zich (ter uitvoering van het op 3 september 2007 onder auspiciën van [gedaagde] met [naam 1] gesloten compromis) in november 2007 als Oostenrijkse advocaat uit de procedure tegen [naam 3] heeft onttrokken, dat hij – naar hij later heeft begrepen – vanaf dat moment niet meer rechtsgeldig vertegenwoordigd was in die procedure, dat [gedaagde] hem daaromtrent niet juist heeft geadviseerd, dat tegen het tussenvonnis als gevolg daarvan geen appel is ingesteld (de kern van het verwijt), met als uiteindelijke gevolg dat hij de procedure tegen [naam 3] verloren heeft (ten gevolge waarvan hij thans betalingsplichtig is jegens [naam 3]). Gelet op de datum van het hiervoor bedoelde tussenvonnis (zijnde 17 april 2009) en de daaraan verbonden – ongebruikt verstreken – appeltermijn (vier weken, derhalve 28 mei 2009 r.o. 2.23) ontbreekt de causale relatie tussen de gestelde en gevorderde schade en de feiten en omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd die dateren van ná die data. Die feiten en omstandigheden (waaronder het contact in juli 2009 tussen [gedaagde] en dr. Hufnagl, dat zag op de afwikkeling van het faillissement van [naam 3] en voor het overige ook niets te maken had met de gerechtelijke procedure tussen [naam 3] en [eiser]) zullen dan ook bij de verdere beoordeling van het geschil buiten beschouwing worden gelaten.

4.4.

Tegen de achtergrond van het voorgaande wordt het volgende (op grond van de overgelegde stukken) vastgesteld.

  • -

    [gedaagde] heeft [eiser] gedurende enige tijd juridische bijstand verleend. Dat volgt immers genoegzaam uit de overgelegde stukken waaruit het contact tussen beide partijen blijkt. Uit die stukken volgt ook dat tussen [eiser] en [gedaagde] oppervlakkig gesproken is over de zaak die [naam 3] jegens [eiser] aanhangig heeft gemaakt.

  • -

    Ten tijde van de belangenbehartiging door de Oostenrijkse advocaat Masser heeft [gedaagde] correspondentie van Masser aan [eiser] – zonder inhoudelijke toelichting – doorgezonden.

  • -

    Ook staat vast dat [gedaagde], namens ‘zijn mandant’ [eiser] op 31 augustus 2005 Glaser heeft verzocht zijn mandant te vertegenwoordigen met betrekking tot twee gerechtelijke procedures bij de rechtbank Saalfelden en Salzburg (r.o. 2.5.). Dat betrof niet de in het geding zijn procedure van [naam 3] tegen [eiser] en [naam 1], getuige de brief van Glaser van 16 februari 2007 (r.o. 2.8.), waarin hij aangeeft dat hij voor die procedure geen opdracht heeft gekregen tot vertegenwoordiging.

  • -

    In de zaak tegen Raiffeissenbank Saalfelden regGenmbH heeft [gedaagde] namens [eiser] aan Glaser gevraagd wat de kansen van hoger beroep waren (r.o. 2.6. en 2.7.).

  • -

    Met betrekking tot de gerechtelijke procedure van [naam 3] staat vast dat [eiser] in eerste instantie begin februari 2007 bij verstek is veroordeeld en dat tot dat moment [eiser] in die procedure dan ook niet rechtsgeldig was vertegenwoordigd. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zulks wel aan [gedaagde] had opgedragen. Glaser heeft het verstek eind februari/begin maart 2007 gezuiverd en zich vervolgens als advocaat in die verzetprocedure gesteld. Hoe dat concreet is gegaan en wie aan Glaser de opdracht heeft gegeven om zich als advocaat te stellen is gesteld, noch gebleken (uit de overgelegde stukken).

  • -

    Ook staat vast dat Glaser op 28 november 2007 zich als advocaat in de procedure tussen [naam 3] en [eiser] heeft terug getrokken (althans op die datum heeft hij dat aan [gedaagde] geschreven). Dit was het resultaat van een tussen [naam 1] en [eiser] gesloten compromis waarin zij waren overeengekomen dat [naam 1] de procedure tegen [naam 3] verder zou ‘begeleiden’. (Over de betrokkenheid van [gedaagde] bij dit compromis wordt hierna verder ingegaan).

  • -

    Tijdens een zitting in de zaak tegen [naam 3] op 7 januari 2009 werd [eiser], die wel in persoon aanwezig was, niet vertegenwoordigd door een advocaat. Tegen het tussenvonnis van 17 april 2009 is namens [eiser] geen appel ingesteld. Tot aan het eindvonnis van 24 januari 2012 is [eiser] niet meer vertegenwoordigd door een Oostenrijke advocaat.

Uit voornoemde vaststaande feiten kan de rechtbank niet afleiden dat [gedaagde] van [eiser] de opdracht had gekregen om zijn belangen te behartigen in de gerechtelijke procedure die [naam 3] namens [eiser] aanhangig had gemaakt.

4.5.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat [eiser] uit de gedragingen en uitlatingen van [gedaagde] gerechtvaardigd mocht afleiden dat [gedaagde] de opdracht had aanvaard om de belangen van [eiser] in de Oostenrijkse procedure tegen [naam 3] behartigen heeft [eiser] het volgende aangevoerd.

  • -

    Glaser werd door [gedaagde] betaald;

  • -

    Glaser werkte onder regie van [gedaagde], waarvan ter onderbouwing is gewezen op de brief van Glaser aan [gedaagde] van 5 juli 2007 (r.o. 2.9.);

  • -

    Het initiatief om Glaser zich als advocaat te laten onttrekken (november 2007) uit de Oostenrijkse procedure van [naam 3] kwam van [gedaagde], althans [gedaagde] heeft daar als belangenbehartiger van [eiser] mee ingestemd. Dat is immers het gevolg van het op 3 september 2007 met [naam 1] gesloten compromis waarbij [eiser] zich door [gedaagde] liet vertegenwoordigen;

  • -

    [eiser] mocht er, na de onttrekking door Glaser, op vertrouwen dat hij goed vertegenwoordigd was in de procedure tegen [naam 3] gelet op de betrokkenheid van [gedaagde] bij de vaststellingsovereenkomst van 3 september 2007.

4.6.

De stelling van [eiser] dat Glaser door [gedaagde] werd betaald wordt gepasseerd. Uit de brief van Glaser aan [eiser] van 18 februari 2008 (r.o. 2.17.) en de brief van [gedaagde] aan [eiser] van 26 februari 2008 (r.o. 2.18.) volgt immers klip en klaar dat [eiser] Glaser rechtstreeks betaalde. Onderbouwing van de stelling dat Glaser door [gedaagde] werd betaald ontbreekt, zodat aan bewijs niet wordt toegekomen.

4.7.

Het standpunt van [eiser] dat Glaser onder regie van [gedaagde] werkte is evenmin uit de verf gekomen. De enkele verwijzing naar de brief van Glaser aan [gedaagde] van 5 juli 2007 (r.o. 2.9.) is in ieder geval onvoldoende in het licht van het door [gedaagde] gevoerde verweer, dat er in de kern op neer komt dat hij (zowel tijdens de vertegenwoordiging door Glaser als daarna) slechts als ‘schaduwbode’ is opgetreden en op geen enkele wijze inhoudelijk betrokken is geweest bij de gerechtelijke procedure van [naam 3] tegen [eiser].

In de overgelegde stukken heeft de rechtbank geen enkele aanwijzing kunnen vinden dat [gedaagde] zich op enigerlei wijze (ten overstaan van Glaser en/of [eiser]) inhoudelijk heeft uitgelaten over de zaak tegen [naam 3]. Voorts is niet gebleken van enige bespreking (of notitie daarvan) tussen Glaser en/of [eiser] en/of [gedaagde] waarin de zaak tegen [naam 3] inhoudelijk is besproken. De brief van 5 juli 2007 onderschrijft zelfs het standpunt van [gedaagde] waar Glaser [gedaagde] verzoekt het standpunt van de heer [eiser] te verkrijgen.

Dat [gedaagde] als ‘schaduwbode’ is opgetreden volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de afwezigheid van enig stuk waaruit de inhoudelijk/materiele betrokkenheid van [gedaagde] blijkt in de gerechtelijke procedure van [naam 3] en de aanwezigheid van vele stukken waaruit volgt dat [gedaagde] berichten van Glaser aan [eiser] heeft doorgezonden. Ook bevinden zich bij de stukken brieven van Glaser die rechtstreeks aan [eiser] zijn gezonden.

4.8.

Dan de vermeende betrokkenheid van [gedaagde] bij het compromis van 3 september 2007 en de op grond daarvan aan Glaser gegeven opdracht om zich als advocaat te onttrekken uit de procedure tegen [naam 3]. [eiser] heeft daaromtrent zonder nadere informatie gesteld dat het compromis in aanwezigheid en onder leiding van de advocaten is gesloten (punt 8 dagvaarding). [gedaagde] heeft dat betwist en gesteld dat hij in het geheel niet bij het bereikte compromis betrokken is geweest.

De rechtbank stelt vast dat uit de schriftelijke vastlegging van het compromis niet volgt dat [gedaagde] daarbij aanwezig was (“Heden de 3 september 2007 hebben [eiser] en [naam 1] het volgende besproken en overeengestemd” r.o. 2.10.). Evenmin volgt de aanwezigheid van [gedaagde] bij het compromis van 3 september 2007 uit diens schrijven aan [naam 1] van 23 december 2010 (r.o. 2.31). [gedaagde] heeft voorts gewezen op zijn versie van het compromis van 3 september 2007 (productie 8 conclusie van antwoord) waaruit volgt dat hij de schriftelijke vastlegging op 5 september 2007 ‘ter info’ gefaxt heeft gekregen. Dat [gedaagde] [eiser] in weerwil van de afspraken van 3 september 2007 heeft geadviseerd om Glaser als advocaat te laten optreden volgt voorts uit de niet betwiste concept brief van 19 september 2007 (r.o. 2.12.). [gedaagde]’s aanwezigheid bij de bespreking van 1 april 2010 (ter afwikkeling van de overeenkomst van 3 september 2007, r.o. 2.29.) is verder bij de beantwoording van de vraag of [gedaagde] opdracht had om de belangen van [eiser] te behartigen in de Oostenrijkse procedure niet relevant, nu op die datum het tussenvonnis van 17 april 2009 en de daaraan verbonden appeltermijn reeds was verstreken (vide r.o. 4.3.).

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan de niet nader onderbouwde stelling van [eiser] dat het compromis van 3 september 2007 onder leiding van [gedaagde] tot stand is gekomen.

4.9.

Ten slotte wordt ook voorbij gegaan aan de stelling van [eiser] dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij na de onttrekking door Glaser in november 2007 rechtsgeldig vertegenwoordigd was in de gerechtelijke procedure tegen [naam 3].

  • -

    Reeds op 28 november 2007 heeft Glaser aan [gedaagde] (met dikgedrukte letters) geschreven: Omdat tijdens processen voor de arrondissementsrechtbank van Salzburg vertegenwoordiging middels een advocaat verplicht is, dient de heer [eiser] zich derhalve te laten vertegenwoordigen door een andere advocaat van zijn keuze.

  • -

    Glaser heeft vervolgens bij brief van 18 februari 2008 rechtstreeks aan [eiser] geschreven: Nogmaals wil ik u erop wijzen dat u verplicht bent zich door een Oostenrijkse advocaat van uw keuze te laten vertegenwoordigen.

  • -

    [gedaagde] heeft een en ander herhaald bij brief van 26 februari 2008 aan [eiser] waar hij schrijft: De heer Glaser wijst u erop, dat in Oostenrijk vertegenwoordiging door een advocaat verplicht is en dat u aldus voor vertegenwoordiging in rechte dient te zorgen.

  • -

    Glaser heeft vervolgens bij brief van 30 april 2008 aan [gedaagde] geschreven: Daar u de verlangde volmacht echter juist hebt ingetrokken, kan ik niet aan het verzoek van de rechtbank voldoen en dient u een advocaat van eigen keuze opdracht te geven u te vertegenwoordigen in deze zaak.

  • -

    [gedaagde] heeft [eiser] bij brief van 23 mei 2008 geattendeerd op voornoemde brief van Glaser van 30 april 2008: Dit houdt niet in dat u de brief d.d. 30 april 2008 van mr. Glaser zomaar naast u neer kunt leggen. (…) Mr. Glaser werd verzocht de procesvolmacht over te leggen. Met het oog op het verzoek dezerzijds aan de heer Glaser om niet meer voor u op te treden, kan de heer Glaser (de advocaat van de heer [naam 1]) niet aan dat verzoek voldoen en zal een andere advocaat moeten worden verzocht deze volmacht over te leggen.

  • -

    Glaser heeft op 5 januari 2009 nog aan [gedaagde] geschreven: Zoals bekend werd mijn volmacht ingetrokken inzake alle aanhangige rechtszaken, zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke. Ik zal derhalve ook niet aanwezig zijn bij de behandeling van de zaak op 7 januari 2009. Het zou bovendien doelmatig zijn geweest indien de heer [eiser] op grond van de bestaande vertegenwoordigingsplicht een andere advocaat in de arm had genomen om zich te laten vertegenwoordigen.

  • -

    En in de brief van 30 april 2009 van Glaser aan [eiser] schrijft Glaser nogmaals:

Ik wil u hierbij nogmaals wijzen op de aanwijzing die ik u al enkele malen eerder heb gegeven, namelijk dat tijdens dit concrete proces de vertegenwoordiging middels een advocaat verplicht is, en dat u als gevolg van het opzeggen van de volmacht voor mijn kantoor verplicht bent u te laten vertegenwoordigen door een andere Oostenrijkse advocaat.

De rechtbank is bij deze stand van zaken, zonder een nadere toelichting (die ontbreekt), van oordeel dat [eiser] niet gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat zijn belangen in de Oostenrijkse procedure rechtsgeldig werden vertegenwoordigd. Sterker nog, hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] en Glaser [eiser] er meer dan eens voor gewaarschuwd hebben dat hij juist niet rechtsgeldig vertegenwoordigd was. Voorzover [eiser] de Duitse taal niet machtig was, voorzover [eiser] betwist dat hij de (hiervoor omschreven) berichten van Glaser rechtstreeks zou hebben ontvangen en voorzover [eiser] betwist dat [gedaagde] hem ook meermalen mondeling heeft gewaarschuwd, heeft [gedaagde] bij brieven van 26 februari 2008 en 23 mei 2008 een en ander rechtstreeks aan [eiser] helder verwoord. Uit deze waarschuwingen volgt naar het oordeel van de rechtbank eens te meer dat belangenbehartiging in de Oostenrijkse procedure nu juist niet tot de opdracht aan [gedaagde] behoorde. Daarmee wordt ook voorbij gegaan aan de door [eiser] (en inhoudelijk door [gedaagde] betwiste) overgelegde verklaring van Schmitz waaruit het tegendeel zou blijken.

4.10.

Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat [eiser] aan [gedaagde] de opdracht heeft gegeven om zijn belangen te behartigen in de Oostenrijkse procedure tegen [naam 3]. [eiser] heeft ook niet uit de gedragingen en uitlatingen van [gedaagde] mogen afleiden dat zulks wel het geval was. In het licht van het gemotiveerde en met stukken onderbouwde verweer kunnen de stellingen van [eiser] zijn vordering niet dragen. Aan bewijslevering wordt in zoverre dan ook niet toegekomen. Ook wordt niet toegekomen aan de vraag in hoeverre [gedaagde] in de uitvoering van zijn opdracht beroepsfouten heeft gemaakt.

4.11.

Voorzover [eiser] aan zijn schadevordering nog zelfstandig ten grondslag heeft willen leggen dat [gedaagde] hem onvoldoende heeft bijgestaan bij het bereiken van het compromis van 3 september 2007, heeft te gelden dat – voorzover [gedaagde] daar al bij betrokken was (r.o. 4.8.) – in dat geval het causale verband ontbreekt tussen die vermeende wanprestatie en de gestelde geleden schade. Althans zonder enige nadere motivering (die ontbreekt) is onduidelijk wat de causale relatie is tussen deze niet nader geconcretiseerde onvoldoende belangenbehartiging en het feit dat [eiser] de Oostenrijkse procedure tegen [naam 3] uiteindelijk verloren heeft.

4.12.

[eiser] heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig, dan wel onzorgvuldig, dan wel in strijd met de gedragsregels voor advocaten jegens hem heeft gehandeld. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in het voorgaande besloten dat dat niet het geval is. [gedaagde] heeft in zijn hoedanigheid van advocaat in de procedure tegen [naam 3] ten behoeve van [eiser] slechts als schaduwbode opgetreden en hij heeft [eiser] er meer dan eens op gewezen dat hij na de onttrekking door Glaser zorg diende te dragen voor een nieuwe advocaat. Daarmee heeft [gedaagde] zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende van zijn taak gekweten, nu ook gesteld noch gebleken is dat [eiser] aan [gedaagde] de opdracht heeft gegeven een nieuwe Oostenrijkse advocaat voor hem te vinden. Ook deze grondslag kan dan ook niet tot toewijzing van de vordering leiden.

4.13.

De conclusie is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht 1.519,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2,0 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 6.679,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 6.679,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.

Cc: AB