Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6145

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
254577
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging franchiseovereenkomst; schade. Positief contractsbelang en verbeurde boetes. Geen grond voor matiging. Verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/254577 / HA ZA 13-774

Vonnis van 17 september 2014

in de zaak van

de vennootschap onder firma

BLUE GUM VOF,

gevestigd te Winterswijk,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J. Eerbeek te Veenendaal,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S. de Kruijff te Hoorn (N-H).

Partijen zullen hierna Blue Gum en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 mei 2014 (hierna: het tussenvonnis)

  • -

    het rolbericht van mr. De Kruijff van 21 mei 2014 waarin hij meedeelt dat [gedaagde] afziet van het leveren van tegenbewijs

  • -

    de akte van Blue Gum

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

Beëindiging franchiseovereenkomst en schadevergoeding

2.1.

Bij het tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Blue Gum dat [gedaagde] de franchiseovereenkomst op 3 – bedoeld is: 2 – augustus 2013 heeft willen beëindigen.

2.2.

[gedaagde] heeft vervolgens afgezien van het horen van getuigen. Hij heeft ook geen nadere schriftelijke bewijsmiddelen in het geding gebracht. Gevolg hiervan is dat [gedaagde] er niet in is geslaagd het opgedragen tegenbewijs te leveren. Daarmee staat nu in rechte vast dat [gedaagde] de overeenkomst op 2 augustus 2013 wilde beëindigen. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis (4.11) al heeft overwogen, leidt dit ertoe dat de vordering van Blue Gum tot betaling van de contractuele schadevergoeding van € 3.025,00 inclusief btw toewijsbaar is. Eveneens leidt dit ertoe dat de vordering tot betaling van de door Ettema in rekening gebrachte bedragen ad € 2.445,74 inclusief btw zal worden toegewezen (tussenvonnis 4.15).

2.3.

Ten aanzien van het positief contractsbelang van € 60.877,00 heeft de rechtbank in het tussenvonnis (4.11, waar overigens abusievelijk het samengestelde bedrag van € 63.902,00 staat vermeld) overwogen dat dit bedrag niet volledig zal worden toegewezen, aangezien Blue Gum ter zitting heeft verklaard dat zij per januari 2014 een nieuwe franchisenemer heeft hetgeen impliceert dat haar schade als gevolg van gederfde franchisefee maximaal € 12.780,00 (5 maanden × € 2.556,08) lijkt te bedragen. [gedaagde] heeft zich echter beroepen op artikel 6:101 BW (eigen schuld). Blue Gum is in de gelegenheid gesteld om haar stellingen bij akte nader toe te lichten en [gedaagde] mocht daarop vervolgens bij antwoordakte reageren.

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Blue Gum in haar akte terecht aangevoerd dat, nu is komen vast te staan dat [gedaagde] de franchiseovereenkomst heeft beëindigd, het verweer van [gedaagde] dat hij de overeenkomst wenste voort te zetten – zodat Blue Gum de gestelde schade aan zichzelf heeft te wijten door niet in te gaan op het verzoek van [gedaagde] om hem opdrachten te verstrekken – geen stand kan houden. [gedaagde] heeft zijn beroep op eigen schuld (artikel 6:101 BW) niet nader onderbouwd. Hij heeft bij antwoordakte slechts opnieuw betoogd dat Blue Gum de nu gevorderde schade had kunnen beperken als zij was ingegaan op het verzoek van [gedaagde] in de brief van zijn advocaat van 21 augustus 2013 om hem opdrachten te verstrekken. Na de beëindiging van de franchiseovereenkomst door [gedaagde] op 2 augustus 2013 hoefde van Blue Gum echter niet meer te worden verwacht dat zij alsnog opdrachten aan [gedaagde] zou verstrekken. Dat was vanaf dat moment een gepasseerd station. Het verweer van [gedaagde] faalt in zoverre.

2.5.

[gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat het conditio sine qua non-verband ontbreekt, in die zin dat Blue Gum onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ook de gevorderde schade zou hebben geleden indien [gedaagde] gebruik zou hebben gemaakt van diens mogelijkheid om opdrachten te weigeren, hetgeen hem als franchisenemer volledig vrijstond. Dan zou Blue Gum immers ook vervanging hebben moeten zoeken, aldus [gedaagde]. De rechtbank passeert dit verweer van [gedaagde], omdat het tardief is en Blue Gum er niet op heeft kunnen reageren.

2.6.

Dan de omvang van de schade. Blue Gum vorderde aanvankelijk een bedrag van € 60.877,00, zijnde de 25 maanden dat de franchiseovereenkomst zonder de beëindiging door [gedaagde] nog zou hebben geduurd (augustus 2013 tot 1 september 2015) × de gemiddelde franchisefee die Blue Gum van [gedaagde] ontving gedurende de periode dat de overeenkomst feitelijk heeft geduurd (in de dagvaarding begroot op € 2.556,08 per maand). In haar akte heeft Blue Gum meegedeeld genoegen te nemen met een schadevergoeding van € 24.079,81, hetgeen zij als volgt toelicht. Vanaf september 2012 tot augustus 2013 ontving Blue Gum van [gedaagde] gemiddeld € 2.503,70 aan franchisefee per maand. Gedurende de maanden augustus tot en met oktober 2013 kon geen vervanging van [gedaagde] worden ingeroepen, zodat [gedaagde] over die maanden het volledige bedrag aan gederfde franchisefee van gemiddeld € 2.503,70 is verschuldigd. Blue Gum heeft per november 2013 een nieuwe franchisenemer gevonden, die in november 2013 is ingewerkt en nu op de top van zijn kunnen werkzaam is, maar gemiddeld per maand een lagere franchisefee oplevert dan de gemiddelde franchisefee van [gedaagde]. Dit is volgens Blue Gum gevolg van het feit dat de nieuwe franchisenemer – anders dan [gedaagde] – niet in staat is het leidingwerk te verrichten, waardoor Blue Gum is genoodzaakt het leidingwerk rechtstreeks door een externe partij te laten verrichten. Blue Gum heeft ter onderbouwing van de gemiddelde franchisefees van [gedaagde] en de nieuwe franchisenemer een overzicht van de fees overgelegd alsmede de franchisefeefacturen van de nieuwe franchisenemer. Blue Gums berekening van het totale schadebedrag van € 24.079,81 ziet er dan als volgt uit:

Maand

Ontvangen fee *

Schade

augustus t/m oktober 2013

-

3 × € 2.503,70

november 2013 (opstartmaand)

€ 729,07

1 × (€ 2.503,70 - € 729,07)

december 2013 t/m augustus 2015 ***

€ 1.799,22 **

21 × (€ 2.503,70 - € 1.799,22)

Totaal

€ 24.079,81

* = van de nieuwe franchisenemer

** = gemiddeld per maand

*** = 1 september 2015 was de einddatum van de franchiseovereenkomst

2.7.

Tegenover de uitvoerig gemotiveerde en met stukken onderbouwde schadeberekening van Blue Gum kan [gedaagde] niet volstaan met het verweer dat hij de juistheid van het door Blue Gum overgelegde schadeoverzicht betwist. [gedaagde] voert weliswaar aan dat Blue Gum als franchisegever volledige invloed en zeggenschap heeft over de facturatie en boekhouding van alle franchisenemers en dat zij zelf de overgelegde facturen heeft opgesteld, maar [gedaagde] concretiseert niet op welke punten de overgelegde stukken onjuist zouden zijn. Zijn verweer moet dan ook als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen. Voor zover [gedaagde] daarnaast aanvoert dat de vordering al moet worden afgewezen omdat grotendeels toekomstige schade wordt gevorderd, tot september 2015, gaat ook dit verweer niet op. Blue Gum heeft namelijk onweersproken aangevoerd dat de nieuwe franchisenemer nu op de toppen van zijn kunnen werkzaam is. Ook voor het nog toekomstige deel van de franchiseperiode is het naar het oordeel van de rechtbank dan ook alleszins redelijk om de gemiddelde maandelijkse fee – die [gedaagde] overigens op zichzelf niet heeft betwist – in de schadeberekening tot uitgangspunt te nemen.

2.8.

Gezien het voorgaande stelt de rechtbank de schade bestaande uit het positief contractsbelang vast op het door Blue Gum in haar akte nader onderbouwde bedrag van € 24.079,81. Aangezien Blue Gum haar aanvankelijke eis op dit punt niet expliciet heeft verminderd, zal de rechtbank de vordering met betrekking tot het positief contractsbelang toewijzen tot voornoemd bedrag van € 24.079,81 inclusief btw en voor het meerdere afwijzen.

Verbeurde boetes

2.9.

Blue Gum vordert op grond van artikel 14.9 van de franchiseovereenkomst een bedrag van € 22.500,00 voor de tot en met 18 november 2013 verbeurde boetes (vordering i) en een bedrag van € 1.500,00 voor elke dag dat de gestelde overtredingen van artikel 14.6 sindsdien voortduren (vordering ii). De vraag is of en, zo ja, tot wanneer [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 14.6 lid i, iii, iv, v, vi, vii en x van de franchiseovereenkomst en of dit ook aan hem kan worden toegerekend. In het tussenvonnis heeft de rechtbank de beslissing hierover aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen in hun na de bewijslevering te nemen conclusie of akte hun stellingen ten aanzien van deze vorderingen nader toe te lichten en te onderbouwen. In het navolgende komen de gestelde overtredingen van artikel 14.6 aan de orde.

2.10.

Artikel 14.6 lid iii, iv en v van de franchiseovereenkomst zien kort gezegd op de verplichting tot het onverwijld staken van de namen, slagzinnen, logo’s, kleuren en merktekens van Blue Gum, opdat duidelijk blijkt dat tussen de bedrijfsuitoefening van de franchisenemer en Blue Gum geen betrekkingen meer bestaan. In de dagvaarding heeft Blue Gum onder meer aangevoerd dat [gedaagde] vanaf 2 augustus nog tot 26 augustus 2013 de naam Bluegum [plaats] heeft gevoerd. Ter onderbouwing hiervan heeft Blue Gum bij haar akte de handelsregisterhistorie overgelegd, waaruit blijkt dat [gedaagde] per 26 augustus 2013 de handelsnaam Bluegum [plaats] heeft gewijzigd in [naam 1]. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Daarmee staat vast dat [gedaagde] vanaf 2 augustus 2013 tot 26 augustus 2013 heeft verzuimd het gebruik van de handelsnaam Bluegum [plaats] te staken. Daarmee en in zoverre heeft hij artikel 14.6 lid iii, iv en v van de franchiseovereenkomst in ieder geval in die periode overtreden. In beginsel is [gedaagde] dan ook op grond van artikel 14.9 van de overeenkomst een boete van € 1.500,00 verschuldigd voor iedere dag dat de overtreding heeft voortgeduurd, oftewel € 36.000,00.

2.11.

Blue Gum heeft echter haar vordering met betrekking tot verbeurde dwangsommen wegens de gestelde overtredingen tot 18 november 2013 beperkt tot € 22.500,00 (vordering i). Dat bedrag is gezien het voorgaande in ieder geval toewijsbaar. Of vóór 18 november 2013 nog meer overtredingen zijn begaan, kan dan in het midden blijven. De vraag is of ook ná 18 november 2013 sprake is van overtreding door [gedaagde] van artikel 14.6 van de franchiseovereenkomst (vordering ii). De rechtbank overweegt daarover het volgende.

2.12.

Artikel 14.6 lid i van de franchiseovereenkomst betreft de verplichting tot het retourneren van alle vertrouwelijke informatie aan Blue Gum, zoals materialen, briefpapier, handboeken, voorschriften, richtlijnen en andere documenten. In haar akte heeft Blue Gum nader uiteengezet dat [gedaagde] nimmer alle vertrouwelijke informatie aan haar heeft geretourneerd, terwijl ook geen bevestiging en bewijsstukken van de vernietiging van deze (digitale) documenten is verzonden. Blue Gum wijst erop dat [gedaagde] zich daarentegen enkel op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een beëindiging van de franchiseovereenkomst. [gedaagde] betwist dat hij beschikt over vertrouwelijke informatie die hij aan Blue Gum zou moeten overhandigen. In het licht van de betwisting door [gedaagde] – van wie niet kan worden verwacht een bewijsstuk over te leggen van de vernietiging van stukken die hij stelt niet (meer) in zijn bezit te hebben – had het op de weg van Blue Gum gelegen nader uiteen te zetten welke concrete vertrouwelijke stukken [gedaagde] volgens haar in zijn bezit heeft en zou moeten retourneren. Daarbij komt dat Blue Gum op grond van artikel 14.6 lid i van de franchiseovereenkomst de mogelijkheid had om bij [gedaagde] langs te gaan om te controleren welke in gebruik gegeven voorwerpen/stukken zich daar nog bevonden. Dat heeft zij niet gedaan. Gezien het voorgaande is niet komen vast te staan dat [gedaagde] na 18 november 2013 de verplichting uit hoofde van artikel 14.6 lid i van de franchiseovereenkomst niet is nagekomen. Hij is dan ook in zoverre geen boete verschuldigd. De vordering van Blue Gum is in zoverre dus niet toewijsbaar.

2.13.

Blue Gum heeft met betrekking tot artikel 14.6 lid iii, iv en v van de franchiseovereenkomst verder aangevoerd dat [gedaagde] vanaf 2 augustus 2013 tot op heden nog altijd rijdt in de bedrijfsauto van Blue Gum met de belettering Blue Gum. [gedaagde] betwist in zijn antwoordakte uitdrukkelijk dat de bedrijfsauto belettering of een andere aanwijzing heeft of heeft gehad die duidt op verbondenheid met Blue Gum. Hij voert terecht aan dat Blue Gum op grond van artikel 14.6 lid i van de franchiseovereenkomst bij [gedaagde] had kunnen komen controleren of deze aan zijn verplichting tot het verwijderen van de – vermeende – belettering had voldaan. Blue Gum heeft die moeite echter niet genomen, hoewel dit op haar weg had gelegen. In het licht hiervan en gelet op de uitdrukkelijke betwisting door [gedaagde] heeft Blue Gum onvoldoende onderbouwd dat de bedrijfsauto inderdaad nog altijd rijdt met de belettering Blue Gum. Overtreding van artikel 14.6 lid iii, iv en v van de franchiseovereenkomst is dus in zoverre niet komen vast te staan en [gedaagde] is dus ook in zoverre geen boete verschuldigd. De vordering is ook op dit punt niet toewijsbaar.

2.14.

Artikel 14.6 lid vii en x van de franchiseovereenkomst verplichten de franchisenemer tot het overdragen van een complete afrekening en het verschaffen van ondersteuning en informatie om een vlotte overgang te waarborgen. Blue Gum stelt zich op het standpunt dat het tot een complete afrekening niet is gekomen, integendeel: [gedaagde] zou Blue Gum de toegang tot het boekhoudprogramma Reeleezee hebben ontzegd. In haar akte onderbouwt zij deze stelling nader door te verwijzen naar een – niet overgelegde – brief van Reeleezee aan haar van 16 augustus 2013, waarin Reeleezee schrijft dat [gedaagde] voor haar de enige is die toegang kan krijgen en aan anderen kan geven tot de administratie. Daarop heeft Blue Gum [gedaagde] bij brief van 16 augustus 2013 gesommeerd om haar binnen drie dagen toegang te verschaffen tot het boekhoudprogramma Reeleezee. Volgens Blue Gum heeft [gedaagde] niet gereageerd op deze sommatie. [gedaagde] voert op zijn beurt aan dat de gehele boekhouding via Blue Gum verliep en dat het nu juist Blue Gum is geweest die de boekhouding op 2 augustus 2013 heeft geblokkeerd. Omdat [gedaagde] niet meer in de boekhouding kon inloggen, heeft hij een nieuwe inlogcode aangevraagd bij Reeleezee. De nieuwe inlogcode is echter aan Blue Gum verzonden, omdat Blue Gum bij Reeleezee als administrateur geregistreerd staat. In een e-mail van 5 augustus 2013 (productie 8 bij de antwoordakte van [gedaagde]) schrijft Reeleezee dat zij niet kan voorkomen dat een ander persoon die (ook) toegang heeft tot de administratie en het bijbehorende e-mailadres de toegang voor een ander blokkeert. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op het met genoemde brief onderbouwde verweer van [gedaagde] genoegzaam komen vast te staan dat het Blue Gum is geweest die de toegang tot het boekhoudprogramma Reeleezee aan [gedaagde] heeft ontzegd, en niet andersom. Gelet hierop kan Blue Gum [gedaagde] niet verwijten dat hij geen complete afrekening heeft overgelegd en geen informatie heeft verstrekt om te komen tot een vlotte overgang. De gestelde overtreding van artikel 14.6 lid vii en x van de franchiseovereenkomst is dan ook niet komen vast te staan. [gedaagde] is in zoverre dus geen boete verschuldigd. De vordering van Blue Gum is in zoverre niet toewijsbaar.

2.15.

[gedaagde] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat, voor zover hij enig boetebedrag zou zijn verschuldigd – hetgeen hij betwist –, de rechtbank deze boete op grond van artikel 6:94 BW zou moeten matigen, omdat deze in geen enkele verhouding staat tot de werkelijke schade van Blue Gum als gevolg van de vermeende schending van de boetebepaling door Blue Gum. Die schade is volgens [gedaagde] nihil. Als het gevorderde boetebedrag zou worden toegewezen, geldt dat [gedaagde] deze boete niet kan betalen en dat dit zal leiden tot zijn faillissement, aldus [gedaagde]. Dit feit afgezet tegen het gegeven dat het Blue Gum naar eigen zeggen helemaal niet is te doen om de boetes, maakt volgens [gedaagde] dat een beroep van Blue Gum op het boetebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.16.

Op grond van artikel 6:94 BW kan de rechter de bedongen boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Uit deze bepaling volgt dat de rechtbank haar bevoegdheid tot matiging terughoudend moet toepassen. Matiging is slechts dan aan de orde indien toepassing van het boetebeding leidt tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat. Omstandigheden die hierbij van belang zijn, zijn de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

2.17.

De rechtbank kent in haar afweging in het onderhavige geval gewicht toe aan de omstandigheid dat Blue Gum het hierboven toewijsbaar geachte boetebedrag zelf al heeft beperkt tot € 22.500,00. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat het boetebeding is bedoeld als prikkel voor de franchisenemer om na beëindiging van de franchiserelatie te bewerkstelligen dat bij het publiek en/of relaties niet langer de indruk bestaat dat de franchisenemer nog is aangesloten bij of verbonden aan het franchiseconcept. Het belang van de franchisegever hierbij is respectabel en de hoogte van de boete – zoals door Blue Gum beperkt tot € 22.500,00 – is hiertegen afgezet niet buitensporig of onaanvaardbaar. Mede bezien in dit licht geven de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden geen aanleiding het toewijsbare bedrag nog eens te matigen. Het beroep op matiging wordt verworpen.

Rente

2.18.

De gevorderde rente is niet afzonderlijk betwist en zal daarom worden toegewezen als gevorderd.

Slotoverwegingen, verrekening en kosten

2.19.

In conventie zijn nu de volgende beslissingen genomen.

  • -

    Vordering i, die strekt tot betaling van de tot 18 november 2013 verbeurde contractuele boetes, door Blue Gum gematigd tot € 22.500,00, is toewijsbaar (onderhavig vonnis 2.11).

  • -

    Vordering ii, die strekt tot betaling van de contractuele boetes vanaf 19 november 2013, zal worden afgewezen (onderhavig vonnis 2.12-2.14).

  • -

    Vordering iii, die strekt tot betaling van de contractuele schadevergoeding van € 3.025,00 inclusief btw, is toewijsbaar (tussenvonnis 4.11; onderhavig vonnis 2.2).

  • -

    Vordering iv, die strekt tot betaling van € 60.877,00 (positief contractsbelang), zal worden toegewezen tot een bedrag van € 24.079,81 inclusief btw en voor het meerdere worden afgewezen (tussenvonnis 4.11; onderhavig vonnis 2.8).

  • -

    Vordering v, die strekt tot schadevergoeding ad € 2.445,74 inclusief btw wegens inschakeling van Ettema, wordt toegewezen (tussenvonnis 4.15; onderhavig vonnis 2.2).

  • -

    Vordering vi, die strekt tot betaling van openstaande facturen wegens herstel van klachten door Blue Gum, zal worden toegewezen voor zover het gaat om de factuur van € 779,00 inclusief btw en de factuur van € 361,36 inclusief btw – samen € 1.140,36 inclusief btw – en zal voor het overige worden afgewezen (tussenvonnis 4.20).

  • -

    Vordering vii, die strekt tot afgifte van de bedrijfsauto, is niet toewijsbaar (tussenvonnis 4.3).

2.20.

Zoals hierna uit de beoordeling in reconventie blijkt, heeft [gedaagde] een tegenvordering op Blue Gum ten bedrage van € 2.085,20, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. Dit betekent dat op het in totaal in conventie toewijsbare bedrag een bedrag van € 2.085,20, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, in mindering wordt gebracht. Dit komt in het dictum tot uitdrukking.

2.21.

Blue Gum stelt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht en heeft in verband daarmee een bedrag gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat de buitengerechtelijke werkzaamheden die zijn verricht, meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, zodat de toewijzing van een separate vergoeding daarvoor gerechtvaardigd is. Blue Gum heeft echter het door haar gevorderde bedrag van € 6.256,72 niet gespecificeerd onderbouwd. De vergoeding zal daarom worden gematigd tot het bedrag dat algemeen als redelijk en gebruikelijk wordt beschouwd, zodat, conform het toepasselijke Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, het gevorderde bedrag zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.306,91 exclusief btw en voor het overige zal worden afgewezen. De gevorderde btw over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen omdat Blue Gum niet heeft gesteld dat zij geen ondernemer is in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 of dat zij als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht waarop de vordering betrekking heeft.

2.22.

[gedaagde] wordt overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De kosten aan de zijde van Blue Gum worden begroot op:

- dagvaarding € 78,34

- griffierecht 1.836,00

- salaris advocaat 3.552,50 (2,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 5.466,84

in reconventie

2.23.

In het tussenvonnis (4.34) heeft de rechtbank overwogen dat [gedaagde] voor een bedrag van € 381,60 (dubbele factuur ter zake van klant [naam 2]) en een bedrag van € 1.703,60 (ter zake openstaande verkoopfacturen uit de periode 27 april 2013 - 1 augustus 2013) een vordering heeft op Blue Gum en afhankelijk van de uitkomst van een eventuele bewijslevering voor nog een additioneel bedrag van € 905,69. Ten aanzien van laatstgenoemd bedrag van € 905,69 is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om door middel van schriftelijke stukken bewijs te leveren van zijn stelling dat ook dit bedrag door Blue Gum aan hem moet worden betaald (tussenvonnis 4.33).

2.24.

[gedaagde] heeft daarop in zijn antwoordakte volstaan met een verwijzing naar de facturen die hij als productie 3 bij antwoord heeft overgelegd. Die had de rechtbank echter ook al tot haar beschikking ten tijde van het tussenvonnis en zij heeft die onderbouwing ontoereikend geacht. Nu [gedaagde] heeft nagelaten zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen, is zijn vordering ten aanzien van het bedrag van € 905,69 niet toewijsbaar. Aangezien deze beslissing in het voordeel is van Blue Gum, zal de rechtbank Blue Gum – hoewel haar dit in het tussenvonnis in het vooruitzicht was gesteld – niet alsnog in de gelegenheid stellen op dit punt van de antwoordakte van [gedaagde] te reageren.

2.25.

De wettelijke handelsrente is niet afzonderlijk betwist en zal worden toegewezen als vermeld in het dictum (in conventie).

Slotoverwegingen

2.26.

In reconventie zijn nu de volgende beslissingen genomen.

Ten aanzien van de teveel berekende omzetfee:

  • -

    Een bedrag van € 381,60 is als onverschuldigd betaald toewijsbaar dan wel kan worden verrekend met de (eventuele) vordering van Blue Gum op [gedaagde] (tussenvonnis 4.25).

  • -

    Voor zover de vordering uit onverschuldigde betaling is gebaseerd op de stelling dat Blue Gum ten onrechte over voorbereidende werkzaamheden fee heeft berekend, kan deze niet worden toegewezen (tussenvonnis 4.28).

  • -

    Ten aanzien van de laatste drie facturen (nummers 1103, 1104 en 1220) heeft [gedaagde] niet langer gesteld dat deze ten onrechte in rekening zijn gebracht (tussenvonnis 4.29). In zoverre moet de vordering dus worden afgewezen.

Ten aanzien van de openstaande verkoopfacturen:

  • -

    De vordering tot betaling van € 2.465,00 wegens het niet doorstorten aan [gedaagde] van rechtstreeks aan Blue Gum betaald meerwerk is niet toewijsbaar (tussenvonnis 4.30).

  • -

    Ten aanzien van de openstaande verkoopfacturen uit de periode tussen 27 april 2013 en 1 augustus 2013 geldt dat een bedrag van € 1.703,60 in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt, tenzij het beroep op verrekening met in conventie toe te wijzen vorderingen slaagt (tussenvonnis 4.33).

  • -

    Het restantbedrag van € 905,69 is niet toewijsbaar (tussenvonnis 4.33 en hierboven 2.24).

2.27.

De aldus toewijsbare bedragen van € 381,60 en € 1.703,60, vermeerderd met wettelijke handelsrente, zullen bij wijze van verrekening in mindering worden gebracht op het toewijsbare bedrag in conventie (tussenvonnis 4.34) en dus in reconventie worden afgewezen.

2.28.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Blue Gum worden begroot op € 1.421,00 wegens salaris advocaat (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 1.421,00).

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Blue Gum van € 22.500,00 ter zake van de contractuele boete ex artikel 14.9 van de franchiseovereenkomst over de periode vanaf 2 augustus 2013 tot en met 18 augustus 2013,

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Blue Gum van een schadevergoeding van € 3.025,00 inclusief btw ex artikel 14.4 van de franchiseovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 2 augustus 2013 tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Blue Gum van een schadevergoeding van € 24.079,81 inclusief btw ter zake van gederfd positief contractsbelang, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 2 augustus 2013 tot de dag van volledige betaling,

3.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Blue Gum van een bedrag van € 2.445,74 inclusief btw ter zake van de kosten van Installatie- en Montagebedrijf Ettema, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf de factuurdatum 14 augustus 2013 tot de dag van volledige betaling,

3.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Blue Gum van een factuurbedrag van in totaal € 1.140,36 inclusief btw ter zake van de kosten ten behoeve van het herstel van de klachten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:199a BW vanaf de factuurdata tot de dag van volledige betaling,

3.6.

bepaalt dat op het totaal van de hierboven toegewezen bedragen in mindering strekt

het in reconventie toewijsbaar geachte bedrag van € 2.085,20, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over laatstgenoemd bedrag met ingang van 8 januari 2014 tot de dag van volledige betaling,

3.7.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Blue Gum van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.306,91, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:199 BW vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,

3.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Blue Gum tot op heden begroot op € 5.466,84,

3.9.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.10.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.11.

wijst het gevorderde af,

3.12.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Blue Gum tot op heden begroot op € 1.421,00,

3.13.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.14.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2014.

Coll.: JC