Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6136

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
01-10-2014
Zaaknummer
257009
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Storteboom houdt zich onder meer bezig met het slachten en verwerken van pluimvee. De machines van de productielijn worden dagelijks in de avonduren schoongemaakt. Voor de uitvoering van dit schoonmaakwerk heeft Storteboom een contract gesloten met SCU. Zurich is de aansprakelijkheidsverzekeraar van CSU. Een werknemer van CSU is tijdens de schoonmaakwerkzaamheden bij Storteboom met zijn rechter onderarm in een machine terecht is gekomen. Zurich vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Storteboom jegens de medewerker van CSU, dat deze schade aan Storteboom moet worden toegerekend en dat Storteboom verplicht is om op grond van artikel 6:162 (juncto 6:173) BW die schade te vergoeden, door betaling aan Zurich als vorderingsgerechtigde. Storteboom voert primair aan dat het verhaalsrecht van Zurich wordt geblokkeerd door het bepaalde in artikel 6:197 lid 2 en 3 BW. Tevens stelt zij dat CSU op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor fouten van haar werknemer omdat hij onvoldoende oplettend is geweest en de instructies niet heeft nageleefd bij het uitvoeren van de hem opgedragen werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 301
AR 2014/725

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/257009 / HA ZA 14-10

Vonnis van 3 september 2014

in de zaak van

de rechtspersoon naar het Iers recht

ZURICH INSURANCE PLC, Netherlands Branch,

gevestigd te Dublin, Ierland,

eiseres,

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STORTEBOOM NIJKERK BV,

gevestigd te Nijkerk,

gedaagde,

(proces)advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

advocaat mr. S.E. Phoelich-Pontier te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna Zurich en Storteboom worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 mei 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 juni 2014

  • -

    akte van depot van een dvd namens Zurich van 1 juli 2014

  • -

    akte van depot van dvd’s namens Storteboom van 17 juli 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Storteboom houdt zich onder meer bezig met het slachten en verwerken van pluimvee. In de vestiging van Storteboom te Putten bevindt zich een kippenslachterij, waar kippen volautomatisch worden geslacht in een productielijn. De machines van de productielijn worden dagelijks in de avonduren schoongemaakt. Voor de uitvoering van dit schoonmaakwerk heeft Storteboom een contract gesloten met CSU Food Services B.V. (hierna: CSU). Zurich is de aansprakelijkheidsverzekeraar van CSU.

2.2.

Op vrijdagavond 30 oktober 2009 heeft een ongeval plaatsgevonden, waarbij een werknemer van CSU, de heer [naam 1], tijdens de schoonmaakwerkzaamheden bij Storteboom met zijn rechter onderarm in een onthuidmachine terecht is gekomen, met als gevolg dat een deel van de huid en het vlees van zijn onderarm werd afgesneden.

2.3.

Bij beschikking van 15 april 2010 heeft de Arbeidsinspectie naar aanleiding van dit ongeval aan CSU een boete opgelegd van € 10.800,-.

2.4.

Bij brief van 19 oktober 2011 heeft mr. Streefkerk Storteboom namens Zurich en CSU aansprakelijk gesteld voor de door [naam 1] geleden letselschade.

2.5.

In het op verzoek van Nationale Nederlanden, de aansprakelijkheidsverzekeraar van Storteboom, opgestelde eindrapport van CED Forensic B.V. van 21 juni 2012 is, voor zover hier thans van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Onderzoek:

(…)

Op voornoemde datum (29 april 2012, rechtbank) sprak ik met mevrouw [naam 2] en de heer [naam 3]. De door beiden gedane mededelingen zijn door mij verwoord in een gespreksverslag hetgeen ter goedkeuring en ondertekening aan de heer [naam 3] en mevrouw [naam 2] is toegezonden.

Tijdens mijn bezoek aan verzekerdes vestiging te Putten toonde de heer [naam 3] mij de productielijn waarin de Onthuidmachine is opgenomen. (…)

Door de heer [naam 3] werd gedemonstreerd op welke wijze de schoonmakers de machine dienden te reinigen. Hiertoe dient de schoonmaker de machine te bedienen en wel vanuit stilstand naar de schoonmaakstand. In de schoonmaakstand draait de machine op lage toeren. Zodra één van de kappen wordt geopend slaat de machine af. De heer [naam 3] deelde mee dat de schoonmakers altijd instructie krijgen om bij het openen van de afdekplaten/kappen de rode noodknop te bedienen. Deze noodknop zit onder handbereik en zal de machine volledig afschakelen. Het reinigen onder hoge druk van de draaiende delen geschiedt met een in werking zijnde machine op de schoonmaakstand.

(…)

Opmerkingen:

(…)

Op 31 mei 2012 (…) stuurde mevrouw [naam 2] per mail de door de heer [naam 3] ondertekende gespreksnotitie retour.

De heer [naam 3] heeft in deze gespreksnotitie (bijlage 1 bij het rapport, rechtbank) punt 3 van het reinigingsprotocol doorgehaald en bijgeschreven de volgende tekst: “In afwijking tot voorschriften wordt machine niet draaiend gereinigd daar de machine in de meeste gevallen gedemonteerd is (w.o. transportband) Bij het laten draaien is er een vergrote kans van ratelen c.q. defect raken van deze transportband”.

Vorenstaand impliceert dat het voorreinigen van de machine in de langzaam draaiende schoonmaakstand niet zou plaatsvinden.

Beschouwing:

(…)

De productielijnen en met name de Onthuidmachine worden gereinigd volgens voorschrift van de fabrikant, echter - zo nu blijkt - met uitzondering van het in schoonmaakstand laten draaien van de machine. Deze machine wordt volgens opgaaf van de vestigingsmanager (de heer [naam 3], rechtbank) gedemonteerd, onder hoge druk gereinigd en daarna weer gemonteerd.

(…)”.

2.6.

In bijlage 1 bij voormeld rapport is de ondertekende gespreksnotitie van het gesprek met de heer [naam 3] opgenomen. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Voor de volledigheid overleg ik eveneens een exemplaar “Gebruikersdocumentatie voor onthuidmachine STEEN ST 600K”. Voor het reinigen van deze Onthuidmachine verwijs ik kortheidshalve naar Hoofdstuk 4.6 Reinigen dat in dit verslag is opgenomen:

4.6

REINIGEN

De machine moet elke dag gereinigd worden. De reiniging gaat als volgt:

  1. Zet de hoofdschakelaar in stand 0

  2. Open de afscherming van de huidtoevoer achteraan de machine en verwijder de vellen.

  3. Sluit de afscherming, zet de hoofdschakelaar in stand 1 en start de machine.

  4. Was de machine van boven naar beneden.

  5. Controleer of de getande rollen en de bovenunit rollen rondom schoon zijn.

  6. Stop de machine en zet de hoofdschakelaar in stand 0.

  7. Open alle afschermkappen, zet de bovenunit naar boven en open de banden. U moet de knoppen A en B volledig uitdraaien

  8. Verwijder het mes (bouten zitten aan de onderkant).

  9. Reinig de gehele onthuidkop en de bovenunit.

  10. Monteer het mes, sluit de in-en uitvoerband en zet deze vast met knoppen A en B, duw de bovenunit terug op zijn plaats en sluit alle afschermingen.

  11. Zet de hoofdschakelaar in stand 1 en start de machine.

  12. Spoel de machine af.

  13. Als alles klaar is stop dan de machine en de hoofdschakelaar in stand 0.

(…).”

Punt 3 van voormelde instructie is doorgehaald en daarbij is met pen een asterix geplaatst. Op de instructie is bovenaan de pagina bij een asterix handgeschreven de volgende tekst geplaatst:

“In afwijking tot voorschriften wordt machine niet draaiend gereinigd daar machine in meeste gevallen gedemonteerd is(w.o. transportband) Bij het dan laten draaien is er een vergrote kans van rafelen c.q. defect raken van deze transportband”.

Daarna vervolgt de gespreksnotitie en is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Uit deze reinigingsinstructie blijkt dat de machine aan de achterzijde eerst moet worden ontdaan van resten vellen, waarna de afscherming gesloten moet worden. Hierna dient de machine draaiend in de schoonmaakstand te worden gereinigd. (…) Zoals uit de instructie blijkt wordt de in schoonmaakstand draaiende machine gereinigd met gesloten kappen. De schoonmaker mag alleen de kappen openen indien hij de hoofdschakelaar in de 0 stand zet. De machine draait dan niet.”

2.7.

Bij akte van cessie, door [naam 1] ondertekend op 30 september 2013, heeft [naam 1] alle vorderingen, die hij uit hoofde van het ongeval van 30 oktober 2009 tegen Storteboom heeft of kan doen gelden, overgedragen aan Zurich.

3 De vordering

3.1.

Zurich vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht zal verklaren dat Storteboom jegens [naam 1] aansprakelijk is voor de schade die deze als gevolg van het ongeval op 30 oktober 2009 heeft geleden en nog zal lijden, dat deze schade aan Storteboom moet worden toegerekend en dat Storteboom verplicht is om op grond van artikel 6:162 (juncto 6:173) BW die schade te vergoeden, door betaling aan Zurich als vorderingsgerechtigde,

  2. Storteboom zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de eerste dag na het verstrijken van een termijn van twee weken na het te wijzen vonnis.

3.2.

Storteboom voert verweer. Hierna zal op de stellingen van partijen, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Zurich stelt dat het ongeval van [naam 1] is veroorzaakt door gebreken aan de onthuidmachine, te weten: (i) het gedeeltelijk ontbreken van de beschermkap van de machine, (ii) het niet (goed) functioneren van de stopknoppen op het bedieningspaneel van de machine en (iii) het niet functioneren van de elektrische beveiliging bij het omhoog zetten van de beschermkap van de machine. Storteboom is volgens Zurich als bezitter en als bedrijfsmatig exploitant van de onthuidmachine op grond van de artikelen 6:173 en 6:181 BW, althans op grond van artikel 6:162 BW, aansprakelijk voor de door [naam 1] geleden en nog te lijden letselschade. Zurich stelt dat zij jegens Storteboom primair het vorderingsrecht van [naam 1], dat zij door middel van cessie heeft overgenomen, uitoefent en dat zij subsidiair haar verhaalsvordering als gesubrogeerd verzekeraar van CSU uitoefent. Zij voert voorts aan dat CSU [naam 1] voldoende had geïnstrueerd met betrekking tot de wijze van het schoonmaken van de machine en dat CSU er ten tijde van het ongeval niet van op de hoogte was dat de machine voormelde gebreken had. Zurich meent dan ook dat de letselschade van [naam 1] volledig aan Storteboom moet worden toegerekend en daarom volledig door Storteboom moet worden vergoed. Zij betwist dat er sprake is van eigen schuld van [naam 1] en voert aan dat een eventuele causale bijdrage van [naam 1] in het niet valt bij het aan Storteboom te maken verwijt. Zij stelt voorts dat artikel 6:170 BW toepassing mist, nu dit artikel slechts ziet op schade die door derden is geleden als gevolg van een fout van een werknemer en het in deze zaak gaat om door de werknemer zelf geleden schade. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft Zurich namens CSU desgevraagd de aansprakelijkheid voor het aan [naam 1] overkomen ongeval erkend. Zij heeft voorts verklaard dat de gevorderde verklaring voor recht zo moet worden begrepen dat deze dient te luiden dat Storteboom volledig aansprakelijk is voor de door [naam 1] als gevolg van het ongeval geleden en nog te lijden schade. Zij stelt dat de rol van CSU bij de toedracht van het ongeval verwaarloosbaar is in vergelijking met de rol van Storteboom daarbij.

4.2.

Storteboom voert primair aan dat het verhaalsrecht van Zurich wordt geblokkeerd door het bepaalde in artikel 6:197 lid 2 en 3 BW en dat Zurich daarom geen beroep kan doen op de risicoaansprakelijkheid voor een gebrekkige zaak. Subsidiair betwist zij dat de onthuidmachine gebrekkig was en meer subsidiair stelt zij dat er sprake is van eigen schuld van [naam 1]. Zij betoogt voorts dat, indien er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van CSU en haarzelf, de schade geheel, althans grotendeels voor rekening van Zurich (als verzekeraar van CSU) moet blijven, nu CSU [naam 1] onvoldoende heeft geïnstrueerd over de wijze van schoonmaken van de machine en CSU er voorts onvoldoende op heeft toegezien of [naam 1] de schoonmaakinstructies naleefde. Tevens stelt zij dat CSU op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is voor fouten van haar werknemers en dus voor de fout van [naam 1] dat hij onvoldoende oplettend is geweest en de instructies niet heeft nageleefd bij het uitvoeren van de hem opgedragen werkzaamheden.

4.3.

De rechtbank overweegt het volgende. Nu Zurich de aansprakelijkheid namens CSU heeft erkend, doet de uitzondering van artikel 6:197 lid 2 sub b BW zich voor. Zurich treedt dan immers op als gesubrogeerde verzekeraar van CSU, die als werkgever van [naam 1] (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door hem geleden schade. Dit betekent dat Zurich zich in die hoedanigheid wel kan beroepen op de mogelijke risicoaansprakelijkheid van Storteboom als bezitter van een gebrekkige zaak. Dat Zurich de aansprakelijkheid van CSU eerst ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft erkend, doet daaraan niet af.

4.4.

Zurich beroept zich primair op de risicoaansprakelijkheid van Storteboom als bezitter van een gebrekkige zaak. Subsidiair stelt zij dat er sprake is van onrechtmatig handelen van Storteboom doordat zij een kapotte machine in de productiehal heeft laten staan. Storteboom betwist dat sprake is van een gebrekkige zaak. Zij voert voorts aan dat de machines voor het reinigen stilstaand werden opgeleverd aan CSU en dat de machines ook stilstaand dienden te worden gereinigd, zodat er geen reden was voor de schoonmakers om de machine aan te zetten. Wanneer [naam 1] (dan wel CSU) zich aan deze instructie had gehouden, dus de machine niet had aangezet, hadden eventuele gebreken aan de machine niet tot het ongeval geleid, aldus Storteboom.

4.5. De rechtbank stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 6:173 is de bezitter van een roerende zaak waarvan bekend is dat zij, zo zij niet voldoet aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan de zaak mag stellen, een bijzonder gevaar voor personen of zaken oplevert, wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, aansprakelijk, tenzij aansprakelijkheid op grond van de algemene bepalingen met betrekking tot aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van ontstaan daarvan zou hebben gekend.

Bij het antwoord op de vraag of de zaak voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, komt het aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of de zaak, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (Hoge Raad 17 december 2010, NJ 2012, 155).

4.6. De rechtbank overweegt het volgende. Het gaat om een machine om kippenvlees volautomatisch te ontdoen van de huid, die daartoe is voorzien van een, bij een in werking zijnde machine, draaiende aandrukrol en een draaiende snijrol met messen. De machine is vanwege het gevaar om in aanraking te komen met de draaiende aandrukrol en de draaiende snijrol onder meer uitgerust met een beschermkap die, indien de machine in werking is, over de transportband, de aandrukrol en de snijrol heen wordt geplaatst. De machine is voorts voorzien van een beveiliging, waardoor de machine afslaat als de beschermkap omhoog wordt gezet. Daarnaast is de machine voorzien van een paneel met drie knoppen om de transportband, de aandrukrol en de snijrol stop te zetten, alsmede een alarmknop, die de gehele machine uitzet.

4.7. Vaststaat dat de beschermkap bij de onderhavige onthuidmachine ten tijde van het ongeval gedeeltelijk ontbrak, te weten: het deel dat over de aandrukrol en snijrol heen werd geplaatst, omdat dat deel was afgebroken. Door het ontbreken van dat deel van de beschermkap was het mogelijk om zonder de beschermkap omhoog te zetten, toch bij de aandrukrol en snijrol te komen. Wanneer de machine in werking is, levert dat een gevaar op voor de gebruiker om met zijn hand of arm in de draaiende machine terecht te komen, zoals dat ook is gebeurd bij het ongeval van [naam 1], met (ernstig) letsel tot gevolg. De onthuidmachine wordt door Storteboom bedrijfsmatig gebruikt en dient dagelijks te worden schoongemaakt. Gelet op dit gebruik en het potentiele gevaar dat een draaiende aandrukrol en/of een draaiende snijrol met zich brengt, dient de machine naar het oordeel van de rechtbank afdoende beveiligd te zijn, in die zin dat ook de niet steeds oplettende, niet steeds voorzichtige gebruiker of schoonmaker daarmee niet in aanraking kan komen. Storteboom stelt weliswaar dat de instructie luidde dat de machine voor het schoonmaken niet mocht worden aangezet en dat wanneer [naam 1] zich aan die instructie had gehouden, het ongeval niet had plaatsgevonden, maar naar het oordeel van de rechtbank betekent dat niet dat de machine niet als gebrekkig in de zin van artikel 6:173 BW kan worden beschouwd. Immers ook in het geval dat zou komen vast te staan dat de instructie luidde dat de machine slechts stilstaand mocht worden gereinigd, zoals door Storteboom is gesteld en door Zurich is betwist, moet de bezitter van een zodanige potentieel gevaarlijke machine als de onthuidmachine, die bedrijfsmatig wordt gebruikt, ermee rekening houden dat de niet altijd even oplettende en/of niet altijd voorzichtige gebruiker of schoonmaker zich niet altijd aan de gegeven instructie houdt. Dit geldt temeer nu de door Storteboom gestelde instructie, dat de machine alleen stilstaand mocht worden schoongemaakt, kennelijk afwijkt van de door de fabrikant verstrekte gebruikersinformatie, waarvan de inhoud hiervoor onder 2.6 is weergegeven. Het is derhalve niet ondenkbeeldig dat een schoonmaker de machine zal schoonmaken op de wijze zoals voorgeschreven in voormelde gebruikersinformatie derhalve draaiend en niet stilstaand, zoals door [naam 1] ook feitelijk is gedaan en zoals overigens door de heer [naam 3] ook aanvankelijk als schoonmaakwijze is verklaard, blijkens de inhoud van het eindrapport van CED Forensic B.V. van 21 juni 2012.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onthuidmachine door het gedeeltelijk ontbreken van de beschermkap niet voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden daaraan mocht stellen en dat de onthuidmachine moet worden aangemerkt als een gebrekkige zaak in de zin van artikel 6:173 BW. Nu het gevaar zich heeft verwezenlijkt, is het causaal verband tussen de gebrekkige machine en de schade gegeven. Dit betekent dat Storteboom in beginsel naast CSU (hoofdelijk) aansprakelijk is voor de door [naam 1] als gevolg van het ongeval geleden letselschade.

4.8. Nu er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid van Storteboom en CSU zal in verband met de bepaling van de mate van ieders aansprakelijkheid vervolgens moeten worden beoordeeld in hoeverre de aan ieder van hen toe te rekenen omstandigheden hebben bijgedragen tot de schade van [naam 1]. Daarnaast moet worden beoordeeld of er sprake is van eigen schuld van [naam 1] aan het ongeval en zo ja, in welke mate.

Voor de beoordeling van de bepaling van de mate van de aansprakelijkheid van Storteboom en CSU en de beoordeling van de mogelijke eigen schuld van [naam 1] is van belang dat komt vast te staan of en zo ja, welke andere gebreken de machine, behoudens het gedeeltelijk ontbreken van de beschermkap, had ten tijde van het ongeval, hoelang de gebreken aan de machine reeds bestonden, of CSU ten tijde van het ongeval van de gebreken aan de machine op de hoogte was, welke instructies er toen golden voor de schoonmaakwerkzaamheden aan de machine tussen enerzijds Storteboom en CSU en anderzijds CSU en haar werknemers en of CSU [naam 1] al dan niet voldoende heeft geïnstrueerd en op de naleving daarvan heeft toegezien.

4.9.

Tussen partijen staat vast dat de beschermkap van de machine gedeeltelijk ontbrak.

Storteboom heeft echter gemotiveerd weersproken dat de stopknoppen van het bedieningspaneel en de elektrische beveiliging bij het omhoog zetten van de beschermkap niet (goed) functioneerden. Zij heeft voorts gemotiveerd weersproken dat de machine al langere tijd kapot was. Storteboom heeft niet weersproken dat CSU ten tijde van het ongeval niet op de hoogte was van de gebreken aan de machine, zodat de rechtbank ervan zal uitgaan dat CSU daarvan niet op de hoogte was. Zurich heeft erkend dat de algemene instructie luidde dat de machine stilstaand moest worden gereinigd, maar stelt dat in de praktijk uit praktische overwegingen sommige delen van de machine draaiend werden gereinigd en dat dat bij Storteboom bekend was. Storteboom heeft gemotiveerd betwist dat de machine in de praktijk draaiend werd gereinigd en dat zij daarvan op de hoogte was.

Nu Zurich zich beroept op het rechtgevolg van haar stellingen dat (i) naast het gedeeltelijk ontbreken van de beschermkap, de stopknoppen op het bedieningspaneel van de machine en de elektrische beveiliging bij het omhoog zetten van de beschermkap niet (goed) functioneerden, (ii) de gebreken aan de machine al langere tijd bestonden en (iii) de machine in de praktijk draaiend werd gereinigd en Storteboom daarvan op de hoogte was, rust op Zurich de bewijslast van die stellingen. Zurich zal conform haar bewijsaanbod worden toegelaten hiervan bewijs te leveren.

4.10.

Voorts zal beoordeeld moeten worden of CSU [naam 1] onvoldoende heeft geïnstrueerd en/of zij onvoldoende heeft toegezien op de naleving van die instructies en of er sprake is van eigen schuld van [naam 1], zoals Storteboom stelt en Zurich betwist.

De bewijslast van die stellingen - zowel in het kader van de aan CSU toe te rekenen omstandigheden als in het kader van het beroep op eigen schuld - rust op Storteboom, nu zij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept. De rechtbank zal Storteboom conform haar bewijsaanbod toelaten tot bewijslevering van haar stellingen met betrekking tot de aan CSU toe te rekenen omstandigheden en - uit proceseconomische overwegingen – tevens reeds tot bewijslevering van haar stellingen met betrekking tot de eigen schuld van [naam 1].

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 6:170 BW in de onderhavige zaak toepassing mist, nu dat artikel ziet op schade die aan een derde is toegebracht door een fout van een ondergeschikte en het in deze zaak gaat om schade die de ondergeschikte ([naam 1]) zelf heeft geleden. Storteboom heeft immers zelf geen schade geleden door een mogelijke fout van [naam 1]. Dat zij naast CSU hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade van [naam 1], betekent niet dat zij schade lijdt, in de zin van voormeld artikel.

4.12.

Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.13.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt Zurich op te bewijzen dat (i) naast het gedeeltelijk ontbreken van de beschermkap, de stopknoppen op het bedieningspaneel van de machine en de elektrische beveiliging bij het omhoog zetten van de beschermkap niet (goed) functioneerden, (ii) de gebreken aan de machine al langere tijd bestonden en (iii) de machine in de praktijk draaiend werd gereinigd en Storteboom daarvan op de hoogte was, en dat deze omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade,

5.2.

draagt Storteboom op te bewijzen dat (i) CSU [naam 1] onvoldoende heeft geïnstrueerd met betrekking tot het schoonmaken van de onthuidmachine en/of dat zij onvoldoende heeft toegezien op de naleving van de instructies door hem en dat deze omstandigheden hebben bijgedragen aan de schade en dat (ii) [naam 1] eigen schuld heeft aan het ongeval,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 september 2014 voor uitlating door zowel Zurich als Storteboom of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat zowel Zurich als Storteboom, indien zij geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken willen overleggen, die stukken direct in het geding moeten brengen,

5.5.

bepaalt dat zowel Zurich als Storteboom, indien zij getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2014 en januari 2015 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.J. Peerdeman in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.