Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6131

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
09-10-2014
Zaaknummer
258757
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In de dagvaarding noemt eiser als grondslag voor zijn vordering dat gedaagde wanprestatie heeft gepleegd door zijn verplichtingen uit de overeenkomst met eiser niet na te komen terwijl eiser op zijn beurt wel aan zijn verplichtingen heeft voldaan, te weten het bieden van intensieve coaching. Uit de dagvaarding blijkt echter dat eiser geen schadevergoeding vordert maar nakoming van betalingsverplichtingen van gedaagde. Hij vordert immers betaling van de bovenstaande facturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/258757 / HA ZA 14-66

Vonnis van 3 september 2014

in de zaak van

[eiser][eiser]

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. T. Bogers te Utrecht ,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.P. Fijn van Draat te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 april 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 juli 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben in het verleden beiden een aannemingsbedrijf geëxploiteerd en [gedaagde] doet dat nog steeds. Partijen hebben reeds in 2009/2010 kortstondig contact gehad over een mogelijke overname van de door [eiser] gedreven onderneming door [gedaagde], waarvan [gedaagde] directeur grootaandeelhouder was.

2.2.

Per 21 maart 2012 is [gedaagde] in staat van faillissement verklaard. Vervolgens hebben partijen in mei 2012 opnieuw gesprekken gevoerd omtrent een mogelijke overname van de onderneming van [eiser] door [gedaagde], die vanaf 9 mei 2012 een aannemingsbedrijf in de vorm van een eenmanszaak dreef onder de handelsnamen ‘[naam]’ en ‘[naam]’.

2.3.

In een door partijen ondertekende overeenkomst van 11 juni 2012 is – kort samengevat – opgenomen dat de werkzaamheden van het aannemingsbedrijf van [eiser] met ingang van 1 juli 2012 door [gedaagde] zullen worden voortgezet onder de handelsnaam ‘[eiser] & [naam]’, dat [eiser] tot 31 december 2012 inzetbaar blijft voor overdracht relaties etc, dat de werknemers van [eiser] vanaf 1 januari 2013 in dienst komen van [gedaagde] en tot die tijd doorberekening op basis van gewerkte uren conform urenstaten tegen nader af te spreken uurtarieven van een door accountantskantoor [naam 1] te berekenen kostprijs uurloon plaatsvindt, dat voor het bedrijfspand en het bedrijfsterrein een huurovereenkomst wordt gesloten met ingang van 1 oktober 2012 tegen een netto huur van € 30.000,- per jaar en dat voor de overname van de roerende activa en voorraad een fiscaal voordelige betalingsregeling zal worden getroffen.

2.4.

In een e-mail van 15 juni 2012 van de heer [naam 1] Accountants en Belastingadviseurs B.V. is (namens [eiser]) aan de accountant van [gedaagde] geschreven:

(…)

Daarnaast vind ik het niet netjes dat vanuit de zijde van jouw cliënt, buiten ons overleg om, een stuk wordt opgesteld en aan mijn cliënt ter tekening wordt aangeboden.

Die denkt dat dat nodig is terwijl dat niet zo is. Wij zijn dan ook van mening dat hier geen rechten aan ontleend kunnen worden en voor zover dat nodig zou zijn beroept cliënt zich dan ook op dwaling.

(…)

2.5.

Aan de overeenkomst van 11 juni 2012 is geen uitvoering gegeven. Wel heeft [gedaagde] vanaf mei 2012 personeel van [eiser] ingeleend tegen kostprijs (het bruto uurloon van de betreffende medewerkers) vermeerderd met een opslag van 10%, en heeft hij materialen van [eiser] tegen kostprijs geleverd gekregen. Aan de hand van door [gedaagde] opgestelde ‘projectoverzichten’ werd periodiek door [eiser] gefactureerd voor ingezet personeel en kosten.

2.6.

Op 5 juli 2012 heeft er een bespreking plaatsgevonden waarin de accountant van [eiser] aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat het tot die tijd gehanteerde uurloon van € 30,00 te laag was en volgens de uitgevoerde berekeningen € 33,00 moest zijn. Nadat de onderliggende berekeningen op of omstreeks 20 augustus 2012 waren ontvangen en [gedaagde] hiermee had ingestemd, heeft hij een naheffing betaald over de gewerkte uren.

2.7.

Op 4 en 20 september 2012 hebben partijen nadere besprekingen gevoerd over de beoogde overname. In het door [naam 1] opgestelde verslag hiervan is over de inkoop van materialen en over de facturering van de uren – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen:

- Inkoopfacturen materialen op naam [eiser], toevoeging rechtbank) worden per week verzameld en doorgefactureerd naar [gedaagde], toevoeging rechtbank)

# 20-09-2012:

Om het creditrisico en de “bankiersfunctie” van [eiser] zoveel mogelijk te beperken zal [gedaagde] zoveel en zo snel mogelijk de inkopen op eigen naam/rekening doen

- Uurlonen facturering kostprijs + 10%

# 20-09-2012

Hierover zijn een aantal mogelijkheden besproken

In het voorstel per gewerkt uur is het leegloop risico voor [eiser] en [eiser] geeft aan dat dan 10% opslag niet genoeg is. Rente aan bank is al 7%.

[naam 2], toevoeging rechtbank) geeft aan dat de loonkostenberekening van [naam 1], toevoeging rechtbank) afwijkt van de berekeningswijze van Bouwend Nederland.

(…)

Wanneer de berekeningsmethode van Bouwend Nederland wordt gevolgd zijn de kostprijs uurloon, op basis van uurlonen per 01-04-2012 (miv periode 04)

[naam] : € 27,33

[naam] : € 34,16

[naam] : € 34,02

De berekening is doorgegeven aan [naam 1] met het verzoek om zijn commentaar.

(…)

[eiser] stelt voor een doorberekening van bovengenoemde kostprijzen met een opslag van 15%, met dien verstande dat voor [naam] de kostprijs ad € 34,76 wordt gehanteerd, ivm met indirecte kosten, zoals voorraadbeheer, uitvoerderswerk, materieelgebruik.

2.8.

Toen eind oktober 2012 bleek dat partijen definitief geen overeenstemming konden bereiken over een overname is de samenwerking geëindigd.

2.9.

Bij brief van 14 februari 2013 heeft [eiser] aan [gedaagde] geschreven, voor zover hier relevant:

Geachte heer [gedaagde],

Helaas is gebleken dat een overname door u niet mogelijk was en de samenwerking niet heeft gebracht wat wij er van verwacht hadden.

Eerlijk gezegd zijn wij zeer teleurgesteld in uw handelwijze.

(…)

Diverse malen hebben wij aangegeven dat de door u gehanteerde prijzen, voor de facturen van [eiser] aan [naam], voor ons niet acceptabel waren. Uw stelling was steeds: “je hoeft er niet aan tekort te komen, het mag [eiser] geen geld kosten”. De uitkomst is dat wij er behoorlijk bij in geschoten zijn.

(…)

Naar uw zeggen calculeert u met € 39,50 per uur, maar we hebben een offerte te zien gekregen waar gecalculeerd is met € 39,50 plus 8% + 5% + 0,04%= € 44,79 per uur.

U liet ons berekenen € 33,00 + 5%= € 34,65.

Ook zijn wij in het bezit van een offerte, waarvan wij weten dat de genoemde werkzaamheden zijn uitgevoerd, met een totaalbedrag die plm 50% hoger is dan het door ons gefactureerde.

(…)

Wij hebben toen maar besloten om onze administratie te volgen en onze tarieven te hanteren. Het resultaat hebben wij bijgesloten, in de vorm van facturen met het bedrag wat nog door ons te factureren is. Zie factuur 2013-019 t/m 2013-046.

Tevens sluiten wij een factuur bij voor het gebruik van 7 maanden van onze werkplaats, kantoorruimte, kantine, incl. gas, water en electra, alsmede de CAR-verzekering. Het VCA is ook door ons betaald om u ter wille te zijn, ivm de geplande overname. Zie factuur 2013-047.

De inkoopfacturen zijn ook door ons betaald, dus wij hebben ook als bank voor uw bedrijf moeten fungeren.

Wij vragen u dan ook om het totaalbedrag van al deze facturen binnen 7 dagen op onze bankrekening te storten.

(…)

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 41.333,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 38.372,36 vanaf 30 januari 2014 tot aan de dag van volledige voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure en de nakosten.

3.2.

Het bedrag van € 41.333,09 is als volgt opgebouwd:

Wegens verzonden facturen (hoofdsom) € 37.214,36

Wettelijke handelsrente t/m 12 februari 2014 € 2.960,73

Buitengerechtelijke incassokosten € 1.158,00

Totaal € 41.333,09

Van de hoofdsom heeft € 1.227,41 betrekking op (het restant van) een factuur uit 2012 (factuur 2012-186) en € 27,30 op een factuur van 17 januari 2012 (factuur 2013-006). Het grootste deel van de hoofdsom, een bedrag van € 35.959,65, bestaat uit facturen van 9 en 14 februari 2013 (facturen 2013-019 t/m 047) die zijn meegestuurd met de onder 2.9 genoemde brief van [eiser] aan [gedaagde] van 14 februari 2013 (productie 12 van [gedaagde]).

3.3.

In de dagvaarding noemt [eiser] als grondslag voor zijn vordering dat [gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd door zijn verplichtingen uit de overeenkomst met [eiser] niet na te komen terwijl [eiser] op zijn beurt wel aan zijn verplichtingen heeft voldaan, te weten het bieden van intensieve coaching op verzoek van [gedaagde]. Uit de dagvaarding ([nummer]) blijkt echter dat [eiser] geen schadevergoeding vordert maar nakoming van betalingsverplichtingen van [gedaagde]. Hij vordert immers betaling van de bovenstaande facturen. Voor wat betreft de facturen van februari 2013 maakt [eiser] aanspraak op (grotendeels) nabetalingen/opslagen over de reeds in rekening gebrachte uren en materialen en op vergoedingen voor het gebruik door [gedaagde] van werkplaats, kantoor, kantine, CAR-verzekering en VCA-certificering.

3.4.

[gedaagde] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

[gedaagde] heeft primair het verweer gevoerd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard aangezien [eiser] ten onrechte het verweer van [gedaagde] niet in de dagvaarding heeft opgenomen, relevante bewijsstukken (zoals de brief van 14 februari 2013) heeft achtergehouden en onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wat de grondslag van zijn vordering is. Hoewel de rechtbank van oordeel is dat de vordering van [eiser] zeer summier is onderbouwd en bovendien bepaald onzorgvuldig is te noemen dat de genoemde brief van 14 februari 2013 ontbrak en de specificaties waarnaar in de gevorderde facturen wordt verwezen pas enkele dagen voor de comparitie zijn verzonden, zal zij niet de nietigheid van de dagvaarding uitspreken. Het bepaalde in lid 3 van artikel 111 Rv (de substantiëringsplicht en de bewijsaandraagplicht) is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven en met enige moeite is ook wel uit de dagvaarding af te leiden waarop [eiser] zijn vordering in grote lijnen baseert. De rechtbank zal hierna dan ook inhoudelijk op de zaak ingaan.

factuur 2012-186

4.1.

Deze factuur dateert van 6 december 2012, heeft als omschrijving ‘herstel lekkage’ en bedraagt € 2.454,38. Hiervan heeft [gedaagde] € 1.226,97 betaald. Van het restant van € 1.227,41 vordert [eiser] thans betaling.

4.2.

In een e-mailbericht van 14 januari 2013 heeft [gedaagde] aan de administrateur van [eiser] ([naam 2]) laten weten dat hij van deze factuur vooralsnog 50% zal voldoen omdat de opdrachtgever niet akkoord gaat met de uitgevoerde werkzaamheden en [gedaagde] voorlopig geen betaling zal ontvangen. ‘Hiermee delen we dan in eerste instantie samen de kosten’, aldus [gedaagde] in zijn e-mail. Volgens [gedaagde] had hij dit reeds eerder zo met [eiser] afgesproken. Een dergelijke afspraak wordt echter door [eiser] betwist. Bovendien refereert [gedaagde] in genoemde mail niet aan een afspraak hieromtrent en lijkt hij dit eerder zelf een billijke oplossing te vinden. Gesteld noch gebleken is ook dat partijen in het kader van hun samenwerking zijn overeengekomen dat het risico van non-betaling van facturen ter zake van opdrachten waarvoor [gedaagde] personeel van [eiser] heeft ingezet, (bij helfte) zou worden gedeeld. In het licht hiervan is de betwisting van [gedaagde] van het restant van deze factuur onvoldoende onderbouwd. De gevorderde betaling van het restant ad € 1.227,41 zal dan ook worden toegewezen.

factuur 2013-006

4.3.

Met deze op 17 januari 2013 gedateerde factuur van totaal € 27,30 worden geleverde goederen (volgens een bijgaande specificatie), inclusief een opslag van 5% in rekening gebracht. Deze factuur kan eveneens worden toegewezen aangezien het verweer van [gedaagde], zoals hierna zal worden besproken, zich niet richt tegen deze kosten maar tegen de facturen die op 9 februari 2013 en 14 februari 2013 aan hem zijn verzonden.

factuur 2013-047

4.4.

Bij factuur 2013-047, gedateerd 14 februari 2013, is het volgende in rekening gebracht :

  • -

    voor gebruik werkplaats, kantoor en kantine € 8.750,00

  • -

    voor CAR-verzekering 897,17

  • -

    voor gebruik koffie in kantine 284,85

  • -

    voor VCA-certificering 1.195,21

Sub-totaal exclusief btw € 11.127,23

- btw 2.336,72

Totaal inclusief btw € 13.463,95

4.5.

[gedaagde] heeft ten aanzien van deze factuur aangevoerd dat de grondslag voor het in rekening brengen van deze gebruiks- en verbruikskosten ontbreekt. Partijen zijn niet overeengekomen dat [eiser], los van de hierna te noemen opslagen, separaat nog een vergoeding in rekening mocht brengen voor het gebruik van de werkplaats, kantoorruimte, kantine, inclusief gas, water en verzekeringen en voor de CAR-verzekering en VCA-certificering. De opslag van 10% strekte reeds ter vergoeding van kosten en daarbovenop is vanaf begin oktober 2012 over geleverd materieel ook nog 5% opslag berekend voor – onder meer – het gebruik van opslagruimte. Dit blijkt onder meer uit een door [gedaagde] als productie 5 overgelegd projectoverzicht.

4.6.

De rechtbank concludeert dat [eiser], ook desgevraagd tijdens de comparitie, geen grondslag voor het in rekening brengen van deze kosten heeft kunnen geven, anders dan de stelling dat hij dit alleszins redelijk acht, gelet op het feit dat hij uiteindelijk heeft moeten toeleggen op de samenwerking. [naam 2] heeft ter comparitie toegelicht dat gedurende de samenwerking en met name sinds zijn betrokkenheid vanaf 1 augustus 2012 is gebleken dat de van [gedaagde] ontvangen bedragen niet toereikend waren om de indirecte kosten van [eiser] mee te dekken. Hij is daarom teruggegaan naar de concept-overnameovereenkomst van 11 juni 2012, waarin een huurprijs is genoemd van € 30.000,- en heeft dit bedrag teruggerekend naar 7 maanden, waarna hij vervolgens de helft hiervan bij [gedaagde] in rekening heeft gebracht. Nog daargelaten het feit dat [eiser] aan die overeenkomst geen rechten meer kan ontlenen, mede gelet op de onder 2.4 genoemde e-mail, wordt in die overeenkomst slechts gerept over een per 1 oktober 2012 te sluiten huurovereenkomst uitgaande van een overname door [gedaagde]. Gelet ook op de brief van [eiser] van 14 februari 2013 (zie onder 2.9) heeft het er alle schijn van dat [eiser] enkele maanden na het eindigen van de samenwerking alsnog heeft getracht de – in zijn ogen – onevenwichtigheid in de samenwerking enigszins in balans te brengen. Spijt van een ongelukkig uitgevallen overeenkomst creëert echter geen recht op het eenzijdig wijzigen daarvan. Nu de gefactureerde vergoedingen niet kunnen worden gebaseerd op tussen partijen gemaakte afspraken, en evenmin is gebleken dat een andere grondslag van toepassing is, zal de betaling van factuur 2013-014 moeten worden afgewezen.

facturen 2013-019 t/m 046

4.7.

Deze facturen zijn alle gedateerd op 9 februari 2013 en vermelden telkens een ‘totaal te factureren bedrag’ (volgens bijgaande specificatie), een ‘reeds gefactureerd bedrag’ en een per saldo nog verschuldigd bedrag voor het betreffende project. Zoals reeds opgemerkt zijn de specificaties waarnaar in die facturen wordt verwezen pas vlak voor de zitting aan de rechtbank toegezonden. Kort samengevat komt het er echter op neer dat [naam 2] in die specificaties een herberekening heeft gemaakt van de reeds in 2012 voor de betreffende projecten verzonden eindfacturen. Hij gaat daarbij uit van een uurtarief van € 38,00 terwijl er reeds gefactureerd en betaald was uitgaande van een uurtarief van € 33,00. Voorts worden extra materiaal- en personeelskosten in rekening gebracht.

4.8.

[eiser] stelt dat er nooit overeenstemming is bereikt over de uurvergoeding en dat hij, nadat [naam 2] volgens de berekeningsmethode van Bouwend Nederland de juiste berekening had gemaakt, is uitgekomen op een uurvergoeding van € 38,00. Aangezien in 2012 was gefactureerd op basis van een uurvergoeding van € 33,00, meent [eiser] nog aanspraak te kunnen maken op het verschil. De extra materiaal- en personeelskosten zijn volgens [eiser] een uitvloeisel van controles die weliswaar laat hebben plaatsgevonden maar waaruit zou zijn gebleken dat aanvankelijk niet alles in rekening is gebracht.

4.9.

[gedaagde] voert aan dat het uurloon van de in te lenen werknemers in mei 2012 nog niet geheel duidelijk was maar dat daarover in augustus 2012 overeenstemming is bereikt nadat de berekening van de accountant van [eiser] beschikbaar was. In mei 2012 is afgesproken dat de accountant van [eiser] zo spoedig mogelijk een overzicht zou toezenden van het bruto uurloon dat aan de werknemers werd uitbetaald. Voor de tussenliggende periode werd afgesproken dat het gemiddelde salaris van de betreffende werknemers werd gesteld op € 26,64 bruto per uur en dat de door [gedaagde] te betalen vergoeding (bruto uurloon + 10%) derhalve € 29,30 bedroeg. Dit laatste bedrag werd afgerond op € 30,00 per uur voor alle werknemers. Op of rond 20 augustus 2012 ontving [gedaagde] van de accountant van [eiser] een overzicht van ‘de effectieve kostprijsberekening per uur’ per 5 juli 2012 voor de drie betreffende werknemers van [eiser]. Voor [naam 3] was dat € 31,72 per uur, voor [eiser] € 31,59 per uur en voor [naam 4] € 27,23 per uur. Op basis daarvan werd het door [gedaagde] voor de inleen verschuldigde vergoeding vastgesteld op € 33,00 per uur voor elke werknemer. Aangezien tot dat moment was gefactureerd op basis van € 30,00, heeft een herberekening plaatsgevonden en heeft [gedaagde] een nabetaling gedaan. Ter zake van de gebruikte materialen heeft ook reeds volledige betaling plaatsgevonden. Wekelijks werden de materialen en uren in Excel bestanden verwerkt, de uren aan de hand van urenstaten van de werknemers. Deze bestanden vormden de basis voor de eindafrekeningen. [eiser] heeft deze bestanden en eindafrekeningen telkens kunnen controleren. De facturen van 9 februari 2013 bevatten ook enkele dubbele boekingen. Zo zou één van de werknemers van [eiser] op hetzelfde moment bij twee verschillende projecten werkzaam zijn geweest, hetgeen onmogelijk is.

4.10.

De rechtbank stelt voorop dat uit de onweersproken stelling van [gedaagde] ten aanzien van de totstandkoming van het tarief van € 33,00 moet worden geconcludeerd dat over dit bedrag overeenstemming is bereikt. Dit volgt ook reeds uit de omstandigheid dat ook [eiser] haar eindafrekeningen in 2012 heeft gebaseerd op deze uurvergoeding. Uit het onder 2.7 genoemde besprekingsverslag kan worden geconcludeerd dat [naam 2] in september 2012 heeft aangedrongen op verhoging van dat tarief maar uit niets kan worden afgeleid dat partijen daar vervolgens ook overeenstemming over hebben bereikt. Desgevraagd heeft [eiser] tijdens de comparitie ook erkend dat die overeenstemming eigenlijk niet is bereikt en dat zijn aandringen op verhoging van de uurvergoeding een belangrijke oorzaak is geweest voor het eindigen van de samenwerking. De grondslag voor nabetalingen ter zake van de ingeleende persoonsleden ontbreekt dan ook. De bedragen die [eiser] in februari 2013 nog in rekening heeft willen brengen voor materialen en personeelskosten die abusievelijk aanvankelijk niet in rekening waren gebracht, zullen worden afgewezen. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij niet voor alle gebruikte materialen en ingeleend personeel van [eiser] heeft betaald en hiertegenover heeft [eiser] zijn stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. De betaling van de facturen van 9 februari 2013 zal dan ook worden afgewezen.

4.11.

Tijdens de comparitie heeft [eiser] nog opgemerkt verbolgen te zijn over het feit dat [gedaagde] op 11 januari 2013 aan hem een factuur heeft gestuurd van € 6.967,20 (inclusief btw) voor het uitvoeren van calculaties en werkvoorbereiding. Deze factuur heeft [gedaagde] kennelijk verrekend met openstaande facturen van [eiser]. Wat hier verder ook van zij, de rechtbank kan hierover geen oordeel geven aangezien [eiser] geen betaling heeft gevorderd van de facturen waarmee deze factuur van [gedaagde] – in de ogen van [eiser] ten onrechte – is verrekend.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat de gevorderde betaling van de facturen van 9 en 14 februari 2013 wordt afgewezen en uitsluitend wordt toegewezen de betaling van de factuur uit 2012 van € 1.227,41 en die van 19 januari 2013 van € 27,30, in totaal € 1.254,71. De wettelijke handelsrente vanaf de vervaldag van deze facturen is eveneens toewijsbaar.

4.13.

[eiser] heeft voorts nog buitengerechtelijke kosten van € 1.158,00 gevorderd. Nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden is het Besluit buitengerechtelijke incassokosten van toepassing. Door middel van de overgelegde sommaties en het logboek van het incassobureau is voldoende komen vast te staan dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht waarvoor een vergoeding verschuldigd is. Gelet op de toewijsbare hoofdsom van € 1.254,71 bedraagt het toewijsbare bedrag aan incassokosten echter niet het gevorderde bedrag maar een bedrag van € 188,20. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar. Nu [eiser] niet heeft gesteld op welke datum de buitengerechtelijke kosten voor deze facturen daadwerkelijk zijn betaald, zal de rechtbank de rente toewijzen met ingang van de dag van dagvaarding, 4 februari 2014.

4.14.

Nu van het gevorderde totaalbedrag van € 41.333,09 slechts € 1.442,91 wordt toegewezen, zal [eiser] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 868,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.656,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.442,91 (éénduizendvierhonderdtweeënveertig euro en éénennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het bedrag van € 1.254,71 met ingang van de vervaldata van de betreffende facturen, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 188,20 met ingang van 4 februari 2014, telkens tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.656,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.