Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6127

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-09-2014
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
05/740074-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een man uit Apeldoorn moet van de rechtbank Gelderland 18 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, de cel in voor de verkrachting en mishandeling van zijn ex-vriendin. Ook legde de rechtbank hem het door de officier van justitie geëiste reclasseringstoezicht op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740074-13

Datum zitting : 12 september 2014

Datum uitspraak : 26 september 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Joegoslavië)

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

Raadsvrouw: mr. S.S. Zijderveld, advocaat te Wageningen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 juni 2013 te Apeldoorn,

meermalen, door geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of

bedreiging met geweld of één en/of meer andere feitelijkheden,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen mede

bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, door

- zijn penis in de mond en/of in de vagina van die [slachtoffer] te brengen en/of

- één of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] te brengen,

en bestaande dat geweld en/of die één of meer andere feitelijkheden en/of die

bedreiging met geweld en/of één of meer andere feitelijkheden, hierin dat

verdachte

- die [slachtoffer] (meermalen) heeft vastgepakt en/of in bedwang heeft gehouden

en/of naar de grond heeft gewerkt en/of

- die [slachtoffer] heeft aangegeven dat hij seks met haar wilde hebben

- die [slachtoffer] deels heeft ontkleed en/of

- die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gebeten en/of aan haar haren heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer] heeft meegetrokken naar zijn slaapkamer en/of zijn bed en/of

- die [slachtoffer] heeft aangegeven dat hij haar dood zou maken en/of

- ( meermalen) voorbij is gegaan aan het verbale en/of non-verbale verzet van

die [slachtoffer],

en verdachte (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 03 juni 2013 te Apeldoorn,

opzettelijk mishandelend. [slachtoffer],

heeft geslagen en/of gebeten en/of aan de haren heeft getrokken,

waardoor zij letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 6 september 2013, 19 november 2013 en 12 september 2014 ter terechtzitting onderzocht. Ter terechtzitting van 12 september 2014 zijn verdachte en diens raadsvrouw, mr. S.S. Zijderveld, advocaat te Wageningen, verschenen.

De officier van justitie heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 3 juni 2013 rond 19.45 uur meldden zich twee jonge vrouwen, [slachtoffer] en [getuige 1], aan het politiebureau te Apeldoorn. [slachtoffer] vertelde aangifte te willen doen van (aanvankelijk) poging tot verkrachting door haar ex-vriend [verdachte]. Rond 21.00 uur heeft [slachtoffer] een informatief gesprek gevoerd en een dag later heeft zij aangifte gedaan van verkrachting. Uit de aangifte kwam voorts naar voren dat [slachtoffer] mishandeld zou zijn. De politie is een opsporingsonderzoek gestart en is overgegaan tot de aanhouding van verdachte.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. In het bijzonder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat zij de verklaring van de aangeefster niet geloofwaardig acht. In de eerste plaats vindt de raadsvrouw het een teken aan de wand dat aangeefster in eerste instantie bij herhaling heeft geweigerd bij de rechter-commissaris te verschijnen teneinde gehoord te worden als getuige. In de tweede plaats is er de omstandigheid dat de angst van een mogelijk te betalen schadevergoeding het intrekken van de aangifte kennelijk in de weg heeft gestaan.

Beoordeling door de rechtbank

Op 4 juni 2013 deed [slachtoffer] (hierna: aangeefster) aangifte van verkrachting. Zij verklaarde dat zij op 3 juni 2013 om 19.00 uur een afspraak had op het station van Apeldoorn met haar ex-vriend [verdachte] (hierna: verdachte) omdat zij nog spullen, met name een iPad en € 150,--, van hem kreeg. Omdat verdachte niet kwam opdagen is zij vergezeld van haar vriendin [getuige 1] en haar kleine broertje lopend naar de woning van verdachte gegaan aan de [straat] te Apeldoorn.2 Verdachte bleek thuis te zijn en liet aangeefster binnen. Omdat het bezoek aan verdachte niet lang zou duren, bleef [getuige 1] buiten wachten. Het bezoek ontaardde al snel in een woordenwisseling. Verdachte werd boos. Na wat heen en weer geduw en getrek pakte verdachte haar broek boven haar legging en duwde aangeefster daarbij naar achteren. Onder de legging had aangeefster een string aan. Verdachte duwde aangeefster op de grond waardoor zij met haar rug op de grond terecht kwam. Verdachte zei dat zij haar geld pas zou krijgen als hij haar had geneukt. Aangeefster zei dat ze dat niet wilde. Verdachte ging bovenop haar liggen. Aangeefster verweerde zich door met haar vuisten te slaan en met haar benen te schoppen. Verdachte zei nogmaals dat hij wilde neuken. Aangeefster schreeuwde en jankte dat ze dat niet wilde. Aangeefster smeekte dat hij zou stoppen. Met zijn rechterhand drukte hij haar mond dicht. Daarna trok verdachte aan haar broek en benen. Aangeefster trok haar benen op zodat haar broek niet uit zou gaan. Verdachte trok aangeefster aan haar benen over de grond naar de slaapkamer. Verdachte pakte haar legging en string tegelijkertijd vast en trok zodanig dat deze stuk gingen. Tegelijkertijd ging haar joggingbroek mee uit. Verdachte ging weer bovenop haar liggen. Hij ging toen met zijn hand naar haar vagina en vingerde haar. Aangeefster schreeuwde en huilde nogmaals dat hij van haar af moest blijven. Ook riep ze om hulp. Aangeefster trachtte zich nogmaals te verweren door te schoppen. Op enig moment kon zij opstaan. Daarna voelde aangeefster dat verdachte haar bij de haren greep en op het bed trok. Aangeefster kwam op haar rug op het bed te liggen en verdachte ging wederom op haar liggen. Uit angst zei aangeefster dat zij zou blijven. Verdachte liet haar toen gaan. Toen verdachte even ging zitten, rende aangeefster naar de voordeur.3 Verdachte greep haar weer bij haar haren en trok haar weer naar de slaapkamer. Het trekken aan haar haren deed haar heel veel pijn, aldus aangeefster. Verdachte gooide haar vervolgens op bed. Verdachte ging voor haar zitten en trok wederom aan haar haren. Verdachte zei dat zij hem moest pijpen. Hij pakte haar haren en duwde haar hoofd naar zijn penis. Verdachte had geen kleding aan op dat moment. Aangeefster huilde en smeekte verdachte om haar te laten gaan. Op enig moment lukte het aangeefster om naar het balkon te gaan. Daar riep ze naar [getuige 1] die nog beneden was dat verdachte haar wilde verkrachten. Verdachte pakte aangeefster weer bij haar haren en trok haar mee naar de slaapkamer. Verdachte zei dat ze te ver was gegaan en dat hij haar af zou maken. Verdachte ging weer bovenop haar liggen en vingerde haar andermaal. Aangeefster schreeuwde en huilde dat zij het niet wilde en dat hij haar pijn deed. Verdachte zei: “Ik ga je afmaken, ik maak je af. Stop met schreeuwen. Ik maak je dood”. Daarop drukte verdachte zijn penis in de mond van aangeefster. Aangeefster beet daarop in diens penis. Verdachte ging daarop weer verder met vingeren. Verdachte ging wederom bovenop haar liggen en duwde daarbij zijn penis in haar vagina. Aangeefster begon daar verdachte te trappen. Verdachte trok daarbij de schoenen van aangeefster uit. Verdachte zei weer dat hij zou stoppen als zij bij hem bleef. Aangeefster gaf aan weer te willen blijven. Het lukte haar daarbij om haar joggingbroek aan te trekken. Op enig moment ging verdachte naar het balkon en riep naar [getuige 1] dat aangeefster bij hem bleef. Daarop lukte het aangeefster naar de voordeur te rennen en weg te komen.4 Op dat moment had zij haar joggingbroek aan en lagen haar schoenen nog in de woning.5 Aangeefster heeft voorts verklaard dat verdachte ook heeft gehapt in haar linkerheup en -been. Voors heeft zij verklaard last te hebben van haar knieholtes. Dit kwam doordat haar broek schuurde langs haar huid toen verdachte haar broek uit wilde trekken en haar over de grond naar de slaapkamer trok.6 Op 4 juni 2013 heeft de politie in de woning van verdachte verschillende goederen in beslag genomen. Het betrof hierbij onder meer een string en een zwarte legging.7 Beide kledingstukken bleken kapot te zijn.8 Van deze kledingstukken heeft aangeefster verklaard dat zij die op de dag van de verkrachting aan had.9

[getuige 1] heeft verklaard dat zij op 3 juni 2013 met haar broertje en [slachtoffer] naar de ex-man van [slachtoffer] gingen om haar geld op te halen. Aanvankelijk zouden ze bij het station afspreken, maar daar was hij niet. Daarna liepen ze door naar de woning van verdachte. [slachtoffer] ging naar binnen. Op enig moment kwam [slachtoffer] naar het balkon en zei: “Hij wil me niet loslaten, hij wil me verkrachten”. Hij trok haar aan haar haren naar binnen. [slachtoffer] schreeuwde: “Au, help, help”. Later kwam ook verdachte naar het balkon en zei tegen [getuige 1] dat [slachtoffer] bij hem bleef. Via haar mobiel probeerde ze tevergeefs de moeder van [slachtoffer] te bereiken. [slachtoffer] kwam op een gegeven moment naar buiten gerend met verdachte in zijn blote benen achter haar aan. Daarop renden ze weg. [slachtoffer] was op haar sokken. Haar mascara was uitgelopen en haar haren zaten door de war. Haar gezicht was opgezwollen.10 Onderweg kwamen ze toevallig de moeder van [getuige 1] tegen. Vervolgens reden ze naar het politiebureau. [slachtoffer] zei tegen [getuige 1]: “Kijk, hij heeft alles kapot getrokken”. Daarbij liet [slachtoffer] haar zien dat ze geen string en legging meer aanhad. In haar knieholtes zaten striemen. [slachtoffer] zei dat het van haar broek kwam.11 Medewerkers van de noodhulpdienst op het politiebureau zagen dat aangeefster was gekleed in een zwart trainingspak en dat zij op sokken liep. Ze had ook geen schoenen bij zich. De make-up van aangeefster was helemaal uitgelopen en haar lange haren zaten verwilderd.12

Op 4 juni 2013 is aangeefster door een forensisch arts onderzocht en werd bij haar een zedenkit afgenomen.13 Uit het NFI-rapport van 3 oktober 2013 blijkt dat daarbij het gebied op en rondom de vagina is bemonsterd. Er is onder meer een DNA-mengprofiel onder kenmerk ZAAC1887NL#01 en ZAAC1887NL#02 bepaald aan de hand van op de linkeronderbuik van het slachtoffer aangetroffen celmateriaal (speeksel). In dit mengprofiel zijn twee DNA-profielen herleid, te weten één profiel gelijkend op het DNA-profiel van aangeefster en één gelijkend op het profiel van verdachte. Geconcludeerd wordt dat de bemonstering matcht met het DNA van verdachte. Daarbij is de kans dat het DNA van een willekeurig ander persoon matcht met het DNA uit de bemonstering berekend op kleiner dan één op één miljard.

Op 4 juni 2013 is verdachte door een forensisch arts bemonsterd. Uit het NFI-rapport van 3 oktober 2013 blijkt dat het daarbij met name het gebied op en rondom de penis betreft. Er is op de voorhuid speeksel aangetroffen aan de hand waarvan een DNA-profiel is bepaald onder kenmerk ZAAC1898NL#01 dat gelijkenis vertoont met het DNA-profiel van het slachtoffer. Geconcludeerd wordt dat de bemonstering matcht met het DNA van aangeefster. Daarbij is de kans dat het DNA van een willekeurig ander persoon matcht met het DNA uit de bemonstering berekend op kleiner dan één op één miljard.

Op de penishuid van verdachte is voorts speeksel aangetroffen aan de hand waarvan een DNA-profiel onder kenmerk ZAAC1898NL#03 is bepaald. Geconcludeerd wordt dat de bemonstering matcht met het DNA van aangeefster. Daarbij is de kans dat het DNA van een willekeurig ander persoon matcht met het DNA uit de bemonstering berekend op kleiner dan één op één miljard.

Voorts is een DNA-mengprofiel bepaald onder kenmerk ZAAC1898NL#08 en ZAAC1898NL#09 aan de hand van op de wijsvinger en middelvinger van de rechterhand van verdachte aangetroffen celmateriaal. Uit dit mengprofiel zijn twee DNA-profielen herleid, te weten één profiel gelijkend op het DNA-profiel van verdachte en één gelijkend op het DNA-profiel van aangeefster. Geconcludeerd wordt dat de bemonstering matcht met het DNA van aangeefster. Daarbij is de kans dat het DNA van een willekeurig ander persoon matcht met het DNA uit de bemonstering berekend op kleiner dan één op één miljard.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat aangeefster op 3 juni 2013 bij hem is geweest en dat er toen ruzie ontstond. Aangeefster is vervolgens weggegaan.14 Ter zitting15 en tegenover de politie16 heeft verdachte verklaard aan de haren van aangeefster getrokken te hebben.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte en aangeefster een relatie hebben gehad en elkaar op of rondom 3 juni 2013 in hun woonplaats (tevens pleegplaats) hebben ontmoet, is de rechtbank, gezien de bijzonder hoge zeldzaamheidswaarde van de betreffende hiervoor beschreven DNA-matches, van oordeel dat verdachte degene is geweest die celmateriaal heeft bijgedragen aan het hiervoor beschreven spoor dat bij aangeefster is bemonsterd en dat aangeefster degene is geweest die celmateriaal heeft bijgedragen aan de hiervoor beschreven sporen die bij verdachte zijn bemonsterd.

De rechtbank is gelet op vorenstaande bewijsmiddelen tevens van oordeel dat voor het aantreffen van deze biologische sporen geen andere verklaring te geven valt dan dat er op 3 juni 2013 (en dus niet op vrijwillige basis op 2 juni 2013 zoals verdachte stelt) tussen aangeefster en verdachte de door haar beschreven gedwongen seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Mede gezien de beschreven handelingen en de plaats van de bemonsterde sporen gaat het naar het oordeel van de rechtbank daarbij dus om delictgerelateerde sporen.

Betrouwbaarheid verklaring aangeefster

De raadsvrouw heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster aan de kaak gesteld. De raadsvrouw heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat de aangeefster stelstelmatig niet is komen opdagen bij een verhoor van de rechter-commissaris.

De rechtbank overweegt in het algemeen dat het niet zelden voorkomt dat getuigen niet in eerste instantie verschijnen om als getuige ter zitting, bij de rechter-commissaris of bij de politie te verschijnen omdat eenvoudigweg een (correct) post- of verblijfsadres niet is achterhaald of dat een getuige om wat voor reden dan ook niet binnen een justitiële omgeving durft of wenst te verklaren. Genoegzaam kan uit de stukken van de rechter‑commissaris worden afgeleid dat, mede gelet op het niet woonachtig zijn op een vast adres door aangeefster, een meer dan gemiddeld aantal inspanningen is geleverd om aangeefster als getuige bij de rechter-commissaris te horen.

Dit maakt op zich echter nog niet dat de verklaring van aangeefster als niet betrouwbaar kan worden aangemerkt zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd.

Dat geldt evenmin voor de omstandigheid dat aangeefster op enig moment via een handgeschreven brief te kennen heeft gegeven haar aangifte in te willen trekken. Immers, als reden voor het intrekken van die aangifte heeft aangeefster tegenover de politie verklaard dat zij vond dat verdachte ‘wel lang genoeg had gezeten’ en dat ‘hij zijn straf wel had gehad’, en ook dat zij schijnbaar de vriendschap met de dochter van verdachte niet op het spel wilde zetten. Wat daar ook van zij, uit niets blijkt dat aangeefster hiermee heeft bedoeld dat de verkrachting waarvan zij aangifte heeft gedaan niet had plaatsgevonden.

De verklaringen die aangeefster keer op keer heeft afgelegd zijn stellig en consistent. Daarnaast zijn er ondersteunende verklaringen van getuigen die beter passen in een scenario dat er een verkrachting heeft plaatsgevonden dan in een scenario dat er een ‘beetje gevochten’ is, zoals de verdachte heeft verklaard. In de eerste plaats is er de bovenbuurvrouw [getuige 2] die rondom het door de aangeefster genoemde tijdstip iemand van het vrouwelijk geslacht “Nee, nee, nee” hoorde schreeuwen en dat er daarbij sprake was van ‘gehuil, geschreeuw en lawaai’ wat ‘wel een half uur’ geduurd heeft. In de tweede plaats bevindt zich in het dossier een proces-verbaal van bevindingen waarin door een verbalisante [verbalisant] is opgetekend dat zij in haar vrije tijd aan het hardlopen was. Zij liep op 3 juni 2013 rond 19.20 uur op de [straat] in Apeldoorn. Zij zag een vrouw die helemaal overstuur en buiten zinnen was. Minder dan een half uur later meldt aangeefster zich bij het hoofdbureau van politie te Apeldoorn. Voor de suggestie van de raadsvrouw dat sprake zou zijn van een motief bij aangeefster om onjuist te verklaren heeft de rechtbank noch in het dossier noch in het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.

Alternatief scenario

Het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat er daags vóór de in de ogen van de verdediging beweerdelijke verkrachting in de woning van verdachte vrijwillig seksueel verkeer tussen verdachte en aangeefster heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

In de eerste plaats staat verdachte alleen in zijn verklaring dat aangeefster op 2 juni 2013 tussen 14.30 uur en 23.00 uur ’s avonds bij hem is geweest.17 Er is geen ander bewijsmiddel waaruit dit zou blijken. Daarbij komt nog dat niet ter discussie staat dat de ontmoeting tussen verdachte en aangeefster aanvankelijk op of bij het station zou plaatsvinden en dat onderwerp van gesprek het teruggeven van diverse goederen van waarde zou zijn. De rechtbank ziet niet in dat een dergelijke ontmoeting plotseling op een openbare plek zou moeten plaatsvinden, terwijl de avond ervoor verdachte en aangeefster zonder ruzie afscheid van elkaar zouden hebben genomen in de woning van verdachte. Voorts heeft verdachte zowel ter zitting18 als tegenover de politie meermalen aangegeven dat er op 3 juni 2014 geen seksueel verkeer heeft plaatsgevonden. Op de vraag van de rechtbank op welke wijze op 2 juni 2014 seksueel verkeer heeft plaatsgevonden, heeft verdachte ter zitting verklaard: “We hebben normaal sex gehad. Die zondag heb ik gewoon sex gehad. Ik ben met mijn penis in haar vagina geweest. Er was geen sprake van andere seksuele handelingen. Ik ben niet met vingers in haar vagina geweest. Ik ben niet met mijn penis in haar mond geweest”. Ook de door de politie expliciet gestelde vragen: “Heeft zij u die zondag 2 juni 2013 ook gepijpt” en “Heeft zij u die zondag 2 juni 2013 ook gevingerd” heeft verdachte ontkennend beantwoord.19

Aldus stroken deze verklaringen niet met de bevindingen van het NFI en de daaruit door de rechtbank hiervoor getrokken conclusies waaruit blijkt dat er speeksel en ander celmateriaal van aangeefster op respectievelijk de penis van verdachte en de vingers van verdachte is aangetroffen. De rechtbank is op grond van het vorenstaande dan ook van oordeel dat het verweer dat sprake is van een alternatief scenario dat aan een bewezenverklaring in de weg staat, moet worden verworpen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 03 juni 2013 te Apeldoorn,

door geweld en feitelijkheden en bedreiging met geweld,

[slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen mede

bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, door

- zijn penis in de mond en in de vagina van die [slachtoffer] te brengen en

- één of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] te brengen,

en bestaande dat geweld en die feitelijkheden en die bedreiging met geweld, hierin dat

verdachte

- die [slachtoffer] meermalen heeft vastgepakt en in bedwang heeft gehouden en naar de grond heeft gewerkt en

- die [slachtoffer] heeft aangegeven dat hij seks met haar wilde hebben

- die [slachtoffer] deels heeft ontkleed en

- die [slachtoffer] heeft gebeten en aan haar haren heeft getrokken en

- die [slachtoffer] heeft meegetrokken naar zijn slaapkamer en zijn bed en

- die [slachtoffer] heeft aangegeven dat hij haar dood zou maken en

- meermalen voorbij is gegaan aan het verbale en non-verbale verzet van

die [slachtoffer],

en verdachte aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan;

2.

hij op 03 juni 2013 te Apeldoorn, opzettelijk mishandelend. [slachtoffer], heeft gebeten en aan de haren heeft getrokken, waardoor zij letsel en pijn heeft ondervonden;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze etrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

verkrachting

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Uit het psychologisch onderzoek van 1 augustus 2013, opgemaakt door [psycholoog], psycholoog, komt onder meer het volgende naar voren. Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een verstandelijk handicap, te weten lichte zwakzinnigheid. Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde. Ook werd het tenlastegelegde door deze gebrekkige ontwikkeling beïnvloed. Koornstra stelt verder dat, indien bewezen, het duidelijk moge zijn dat het agressieve handelen van verdachte zijn basis vond in de onmacht van het ontstane conflict. Deze onmacht kent een rechtstreeks verband met de verstandelijke beperking van verdachte. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor een seksueel agressief uitageren van onmacht en angst. Het incident moet gezien worden in het licht van recidive van huiselijk geweld, die voor verdachte als een rode draad door zijn relaties loopt. Voor het uitgevoerde geweld wordt geadviseerd verdachte op basis van zijn lichte zwakzinnigheid, verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Waar het de verkrachting aangaat kan Koornstra niet adviseren daar er uit het onderhavig onderzoek geen aanwijzingen naar voren komen dat verdachte zijn onmachtige agressie seksualiseert.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog dat de tenlastegelegde mishandeling de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend over en maakt die tot de hare. De rechtbank ziet gelet op de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en het chronische karakter daarvan aanleiding om de conclusie van de psycholoog eveneens te laten gelden voor de ten laste gelegde verkrachting. De rechtbank acht verdachte dan ook voor beide ten laste gelegde feiten in verminderde mate toerekeningsvatbaar.

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij Siza of een soortgelijke instelling, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie heeft in aanvulling op haar eis voorts verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bij een eventuele bewezenverklaring verzocht over te gaan tot een voorwaardelijke sanctie met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 22 juli 2014, en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 29 juli 2013, betreffende verdachte;

 een monodisciplinair rapport van [psycholoog], psycholoog, gedateerd 1 augustus 2013.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin op grove wijze gedwongen tot het hebben van seks met hem. Ondanks het schreeuwen, smeken en huilen van aangeefster om verdachte te doen stoppen, is hij doorgegaan met het bevredigen van zijn lustgevoelens. Hij heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en bij haar angstgevoelens teweeggebracht. In beginsel kan daar niet anders op worden gereageerd dan met een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf ook rekening met de volgende factoren.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat het toezicht op verdachte op 15 februari 2012, vanuit een andere zaak, is gestart. Binnen dit toezicht werd ambulante begeleiding vanuit de behandelinstelling Siza (een instelling voor mensen met een handicap) opgelegd, maar deze is geëindigd wegens de toenmalige detentie van verdachte. De reclassering ziet zorgen en risico’s – de cognitieve beperkingen, gedragsproblematiek en gebrekkige zelfredzaamheid – die de kans op herhaling van agressief gedrag relatief beïnvloeden. Op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de eventuele interventies in het verleden, is een toezicht op bijzondere voorwaarden geïndiceerd. Daarbij heeft verdachte aangegeven graag contact te willen houden met de instelling Siza. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden op te leggen de meldplicht en een opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang.

De psycholoog stelt dat de kans op recidive vooral samenhang met de mate van controle die verdachte in sociale situaties ervaart. Indien hij een situatie niet kan overzien, wordt hij overspoeld door onmacht hetgeen vrijwel direct tot agressief uitageren leidt. Geadviseerd wordt om verdachte in het kader van een voorwaardelijk op te leggen strafdeel, onder stringente begeleiding van de reclassering te stellen, waarbij binnen het toezicht, de praktische begeleiding zo snel mogelijk weer in handen komt van Siza, bij voorkeur bij de begeleider waar verdachte mee bekend is.

De rechtbank houdt rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De rechtbank houdt daarnaast rekening met het feit dat verdachte weliswaar eerder veroordeeld is en een transactie heeft opgelegd gekregen ter zake huiselijk geweld en een mishandeling, maar houdt hierbij tevens rekening met de omstandigheid dat het hier geen recent opgelegde sancties betreft.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan geëist, vooral vanwege de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Bovendien zal de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals gevorderd door de officier van justitie. Voor een door de Reclassering Nederland geadviseerde opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang ziet de rechtbank, gelet op het niet daartoe gemotiveerd zijn door verdachte, geen aanleiding.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen termen aanwezig zijn om het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 242 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

- verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

- veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende (algemene en bijzondere) voorwaarden niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.


Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de Reclassering Nederland, [locatie];

5. zich gedurende de proeftijd van twee jaren zal laten begeleiden door Siza te Apeldoorn zoals hij ook door deze instantie werd begeleid voorafgaande aan zijn arrestatie in deze zaak met dit verschil dat deze begeleiding nu een verplicht karakter draagt;

6. geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Aldus gewezen door:

mr. Van Lookeren Campagne, voorzitter, Van der Mei en Van Santen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Koster, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 september 2014.

Mr. Van Santen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0620 2013072242, gesloten op 16 juli 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte, p. 048/049

3 P. 049

4 P. 050

5 P. 051

6 P. 052

7 Verslag binnentreden woning, p. 022/023

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 028

9 Proces-verbaal verhoor aangeefster, p. 061

10 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 74/p.75

11 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 74/p.75

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 042

13 P. 003 stam-procesverbaal

14 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 128

15 Proces-verbaal ter terechtzitting van 12 september 2014

16 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 114

17 Proces-verbaal ter terechtzitting van 12 september 2014

18 Idem

19 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 147