Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:6021

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
05/801715-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor poging tot doodslag op zijn echtgenote en mishandeling van zijn echtgenote. Hij heeft zijn echtgenote eerst geslagen en tijdens een worsteling heeft hij haar met een mes in haar linkeroor gestoken. De rechtbank legt op een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: 05/801715-13

Uitspraak d.d. 22 september 2014

Tegenspraak (279 Sv)

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum],

bij politie opgegeven adres: [adres], [woonplaats],

doch feitelijk verblijvende op een onbekend adres te Polen.

Raadsman: mr. G. Sannes, advocaat te Leeuwarden

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 maart 2014 en 8 september 2014.

De tenlastelegging

Nadat op de terechtzitting van 5 maart 2014 de tenlastelegging is aangepast op de voet van het in artikel 314a Wetboek van Strafvordering bepaalde, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 november 2013 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], zijn vrouw, van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] met een mes in het hoofd en/of het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 19 november 2013 te Apeldoorn aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijn vrouw, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gehoorschade en/of zenuwschade), heeft toegebracht, door haar opzettelijk meermalen, althans eenmaal met een mes in het hoofd te steken;

artikel 304, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 19 november 2013 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], zijn vrouw, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet haar met een mes meermalen, althans eenmaal in het hoofd en/of het lichaam heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 304, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 november 2013 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend [slachtoffer], zijn vrouw meermalen, althans eenmaal in het gezicht en/of tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

artikel 304, onder 1, van het Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 19 november 2013 omstreeks 22:04 uur kwam er bij de meldkamer Oost-Nederland een melding binnen dat in een woning aan de [adres] in Apeldoorn een vrouw (naar later bleek [slachtoffer]) door haar echtgenoot was geslagen. Op diezelfde dag omstreeks 22:08 uur kwam er een tweede melding binnen dat in perceel [adres] een vrouw met een mes in haar oor was gestoken. Verbalisanten zijn ter plaatste gegaan en zij zagen in de hal van de voormelde woning een vrouw met een bebloed gezicht en handen. Zij zagen verder dat uit het linkeroor het heft van een mes stak. Op 28 november 2013 heeft [slachtoffer] aangifte tegen haar echtgenoot (naar later bleek verdachte) gedaan.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en

2

tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht een en ander zoals verwoord in haar overgelegde schriftelijk requisitoir.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De verdachte ontkent de aan hem ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat in het dossier geen bewijs voorhanden is dat verdachte het mes in het hoofd van aangeefster heeft gestoken. Niet eens kan worden bewezen dat verdachte het mes in zijn handen heeft gehad. De in de dossier aanwezige stukken wijzen op een scenario dat door de val het mes, dat aangeefster vasthad, in haar hoofd is terechtgekomen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling primair op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard nu niet duidelijk is op welk moment of welke momenten de tenlastelegging doelt. De raadsman heeft subsidiair vrijspraak bepleit van het onder 2 tenlastegelegde nu er geen wettig bewijs voorhanden is dat verdachte aangeefster heeft geslagen. De verklaring van aangeefster moet als niet gegarandeerd betrouwbaar ter zijde worden geschoven nu die verklaring onvoldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen. De eerste 112-melding en het letsel op haar linkerwang zijn onvoldoende overtuigend om in dezen als steunbewijs te dienen.

Beoordeling door de rechtbank

Nietigheidsverweer feit 2

Met betrekking tot het nietigheidsverweer voor wat betreft feit 2 overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de inhoud van artikel 261, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering dient de dagvaarding een opgave te behelzen van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. Gelet op de inhoud van het dossier acht de rechtbank de dagvaarding voldoende duidelijk qua tijdsbepaling. Het nietigheidsverweer zal dan ook worden verworpen.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat, waarbij elk bewijsmiddel – ook in zijn onderdelen – slechts is gebruikt ten aanzien van feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.


Feiten 1 en 2

Op 19 november 2013 te 22:03:43 uur werd door aangeefster [slachtoffer] een telefonische melding gedaan aan de meldkamer Oost-Nederland. Het gesprek duurde tot 22:07:08 uur. Op dat moment werd de verbinding verbroken. In het gesprek heeft aangeefster gezegd: “My husband hit me. Can you come?” en “He says he kills me right now.” De vrouw woonde op het adres [adres] te Apeldoorn.2

Op 19 november 2013 te 22:09:35 uur werd door [getuige] een telefonische melding gedaan dat haar buurvrouw door haar vriend met een mes in haar oor was gestoken en dat het mes er nog in zat. De vrouw woonde op het adres [adres] te Apeldoorn.3

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verbalisanten op 19 november 2013 om 22:14 uur in de woning aan de [adres] in Apeldoorn waren. In de deuropening van kamernummer 1 zagen zij een vrouw gehurkt zitten. Zij zagen dat het gezicht en de handen van de vrouw onder het bloed zaten. Aan de linkerzijde van het hoofd van de vrouw ter hoogte van haar linkeroor zagen verbalisanten een handvat van een mes. De vrouw vertelde dat haar man het mes in haar hoofd had gestoken.4

Op 20 november 2013 is aangeefster [slachtoffer] door de politie gehoord en heeft zij onder meer verklaard dat verdachte haar met een mes had gestoken.5

Op 28 november 2013 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan. Op 28 en 29 november 2013 is zij nog meerdere keren door de politie gehoord. Zij heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat zij de politie had gebeld omdat verdachte haar met zijn vuist op haar gezicht had geslagen.6 Hij sloeg haar met zijn vuist op haar linkerwang, die begon op te zwellen. Het deed haar pijn.7 Verdachte wilde de telefoon van aangeefster afpakken. Vervolgens gingen zij aan elkaar trekken. Aangeefster voelde pijn, werd duizelig en viel op de grond. Zij viel op haar knieën en daarna voorover op haar handen. Zij merkte dat er bloed stroomde en toen voelde zij dat zij een mes in haar linkeroor had. Het broodmes had waarschijnlijk op de koelkast in de kamer gelegen.8 Aangeefster heeft nog verklaard dat zij rechtshandig is en dat zij de telefoon in haar rechterhand heeft vastgehad toen zij de politie heeft gebeld.9

Uit de geneeskundige verklaring van 20 november 2013 blijkt dat het volgende uitwendig letsel bij aangeefster werd waargenomen, te weten bloed in de mond, mes in het linkeroor, snijwond boven op linker thorax helft en verminderde gevoeligheid van de linker gezichtshelft. In de nacht van 19 op 20 november 2013 werd aangeefster geopereerd en het mes werd verwijderd.10

Op 29 november 2013 heeft aangeefster [slachtoffer] heeft ten aanzien van haar letsel nog
– zakelijk weergegeven – verklaard dat zij die dag in het ziekenhuis was geweest. De arts had verteld dat het mes met grote kracht was ingebracht en het bot had doorboord. Zij zal niet meer kunnen horen met haar linkeroor. Een van haar twee pezen in haar wijsvinger was doorgesneden. Hierdoor kon zij haar wijsvinger niet goed gebruiken. Daarom was een operatie noodzakelijk. De artsen hadden verteld dat binnen veertien dagen na het toebrengen van het letsel de pees in haar wijsvinger aan haar linkerhand zou moeten worden gehecht. En daarna zou fysiotherapie moeten worden gevolgd. Het herstel zou ongeveer drie maanden duren.11

Uit het letselrapport van GGD, Noord- en Oost-Gelderland van 26 januari 2014 met betrekking tot aangeefster blijkt dat er geen letsel is opgegeven bij hals, rug, buik en rechterarm. Er was wel letsel van het hoofd, borst, linkerarm, linkerhand en benen. Op de linkerwang zat een lijnvormige bruinrode verkleuring, horizontaal verlopend vanaf de mondhoek in de richting van het oor met een lengte van ongeveer 6 cm, gelijkend op een genezen krasverwonding. Op de linkerwang zat tevens een geelgroene huidverkleuring van 2,5 x 5 cm. Op de huid net boven de linkerschouder was een boogvormige huidverwonding met korstvorming zichtbaar met verkleuringen, gelijkend op een bloeduitstorting. Op de linkerschouder/bovenarm zat een wat onregelmatig gevormde onscherp begrensde geelgroene huidverkleuring ongeveer 6 cm x 6 cm passend bij een bloeduitstorting. Aan de binnenzijde van de wijsvinger van de linkerhand, op het eerste kootje na de middenhand, was een streepvormige diagonaal verlopende huidverwonding zichtbaar met een lengte van ongeveer 9 mm, gelijkend op een snijverwonding. Twee oppervlakkige verwondingen waren zichtbaar aan de binnenzijde van de middelvinger van de linkerhand. Aan de handrug van de linkerhand was een paarsgeelgroene huidverkleuring zichtbaar passend bij een bloeduitstorting. Op de knieën waren geelgroenpaarse verkleuringen van de huid zichtbaar, passend bij bloeduitstortingen. Op de rechterknie wat meer uitgesproken dan links.12

Lezing van verdachte.

Verdachte heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij in de avond van 19 november 2013 drie of vier biertjes had gedronken.13 Er ontstond een woordenwisseling tussen hem en aangeefster. Aangeefster belde de politie en verdachte heeft geprobeerd de telefoon uit haar handen te rukken, omdat hij niet wilde dat de politie zou komen.14 Op de koelkast in de kamer lag een mes. Aangeefster pakte het mes en zij begon met het mes te zwaaien. Verdachte en aangeefster begonnen aan elkaar te trekken en te duwen, omdat verdachte het mes probeerde af te pakken van aangeefster. Verdachte werd geraakt op zijn kin. Ook heeft hij verwondingen aan zijn rechteronderarm. Verdachte pakte haar hand vast en toen strekte hij zijn rechterarm uit. Hij hield haar hand vast en terwijl hij haar vasthield, strekte hij zijn hand en toen werd zij met dat mes geraakt.15 Aangeefster viel en ze boog zich en viel op haar handen en voeten.16

Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat aangeefster en hij aan het worstelen waren en dat hij probeerde het mes van haar af te pakken en dat zij toen is gevallen.17

Uit het letselrapport van GGD, Noord- en Oost-Gelderland van 26 januari 2014 met betrekking tot verdachte blijkt dat aan de onderzijde van de kin van verdachte een licht boogvormige wond zichtbaar was met een lengte van 2,5 cm. De wondranden waren glad en weken van elkaar. Er waren tekenen van genezing. Verdachte had verder letsel op de borst, linkerarm, rechterarm en linkerbeen in de zin van huidverkleuringen, huidverwondingen en bloeduitstortingen.18

Conclusie omtrent de toedracht (feit1)

Uit het voorgaande volgt dat de lezingen van verdachte en aangeefster haaks op elkaar staan.

In de lezing van aangeefster heeft verdachte haar met een mes gestoken. In de lezing van verdachte trad aangeefster hem met een mes tegemoet en is het mes door een val van aangeefster in haar hoofd terechtgekomen.

De rechtbank acht de alternatieve lezing van verdachte niet aannemelijk op basis van de zich in het dossier bevindende stukken. In tegenstelling tot de lezing van aangeefster, wordt de lezing van verdachte namelijk niet ondersteund door enig andere verklaring en/of feitelijk gegeven. Dat verdachte zelf verwondingen heeft opgelopen maakt dat niet anders. De aanwezigheid van die verwondingen zegt immers als zodanig nog niets over het tijdstip en de wijze waarop die verwondingen zijn ontstaan en/of door wie deze verwondingen zijn toegebracht.

De lezing van aangeefster daarentegen wordt ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] die heeft verklaard dat zij een kamer bewoont in het perceel [adres] te Apeldoorn en dat zij aangeefster op 19 november 2013 in de hal had aangetroffen met een mes in haar linkeroor. Op de vraag wie dat had gedaan, had aangeefster gezegd dat haar echtgenoot dit had gedaan.19 De verklaring van aangeefster past naar het oordeel van de rechtbank bij een steekbeweging met een mes richting aangeefsters hoofd op een moment dat zij nog rechtop stond. Aangeefster heeft immers verklaard dat zij, terwijl verdachte en zij aan elkaar aan het trekken waren, duizelig werd en toen (eerst) op haar knieën en (vervolgens) haar handen viel en pijn ervoer en merkte dat er bloed stroomde. Zij voelde toen een mes in haar linkeroor. De duizeligheid van aangeefster past bij een aantasting van haar evenwichtsorgaan door het mes in haar linkeroor. De bloeduitstortingen op de knieën van aangeefster ondersteunen tevens de verklaring van aangeefster dat zij op haar knieën viel. Dit betekent derhalve dat het mes zijwaarts, bijna horizontaal, met een krachtige beweging naar het hoofd van aangeefster moet zijn bewogen nu het mes tot op het heft in het lichaam van aangeefster is ingebracht. Daarbij heeft de rechtbank ook meegewogen dat en waarom volgens de door aangeefster geciteerde arts in het ziekenhuis het mes met grote kracht moet zijn ingebracht, daargelaten dat algemene ervaringsregels een dergelijke conclusie eveneens rechtvaardigen. Het kan niet anders, dan dat een dergelijke steekbeweging opzettelijk heeft plaatsgevonden.

De stelling van de verdediging dat aangeefster door een val (met het hoofd) het mes in haar linkeroor heeft gekregen, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Volgens verdachte had aangeefster in haar rechterhand een mes vast. Het mes zat echter in het linkeroor van aangeefster, hetgeen niet te verklaren lijkt door een val (in het mes). Bovendien bevatten de verklaringen van verdachte zelf onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijk scenario.

Juridische betekenis van het gebruikte geweld

Op grond van het vorenstaande is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs voorhanden voor de aan verdachte tenlastegelegde poging tot doodslag. Het met een mes in het hoofd/oor van een ander steken, is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het trachten te beëindigen van het leven van een ander, dat het niet anders kan zijn dat verdachte daartoe het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan.

Conclusie ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte aangeefster een vuistslag heeft gegeven vóórdat zij de 112-melding heeft gedaan. Dit blijkt ook uit de melding van aangeefster dat haar echtgenoot haar had geslagen. Dat verdachte aangeefster heeft geslagen vindt verder bevestiging in de omstandigheid dat direct na het gebeurde een blauwe plek op de wang van aangeefster zichtbaar was.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

primair

hij op 19 november 2013 te Apeldoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], zijn vrouw, van het leven te beroven, met dat opzet, die [slachtoffer] met een mes in het hoofd heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 19 november 2013 te Apeldoorn opzettelijk mishandelend [slachtoffer], zijn vrouw in het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 primair: Poging tot doodslag;

Feit 2:Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot.

Strafbaarheid van de verdachte

- Bespreking van het beroep op noodweer (feit 1)

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair dan wel subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft gehandeld uit noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd, dat verdachte zich moest verweren nu hij door aangeefster werd aangevallen met een mes. Verdachte heeft gerechtvaardigd gehandeld en heeft voldaan aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.

Volgens de officier van justitie is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Er is sprake van noodweer als het feit is geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk gevaar voor zo een aanranding.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich in een noodweersituatie bevond. Voor het scenario van verdachte, dat er op neerkomt dat aangeefster de agressor was, zijn zoals hiervoor reeds overwogen, onvoldoende aanknopingspunten te vinden in het dossier. Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen omtrent de toedracht dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Het beroep van verdachte op noodweer dan wel noodweerexces kan derhalve niet slagen zodat het wordt verworpen.

- De persoonsrapporten

Door [psychiater 1], psychiater in opleiding onder supervisie van [psychiater 2], psychiater, is op 24 februari 2014 een rapport over verdachte opgemaakt. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd/geconcludeerd.

Bij betrokkene is sprake van alcoholmisbruik en beperkte coping, waarvoor hij behandeling behoeft. Betrokkene ziet zijn alcoholgebruik niet als misbruik, dus hij zou gemotiveerd moeten worden behandeling te ondergaan. Er is geen sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Wel is duidelijk dat de relatieproblemen en het alcoholgebruik van zowel betrokkene als het slachtoffer een (negatieve) wisselwerking op elkaar hadden. De psychiater heeft geen specifiek interventieadvies gegeven, omdat betrokkene het tenlastegelegde ontkent en er daarom geen onderzoek heeft kunnen plaatsvinden naar de eventuele relatie tussen de alcoholproblematiek en het tenlastegelegde. Meer in algemene zin kan worden gezegd dat alcohol een ontremmende werking heeft op emotie/agressiecontrolemechanismen, aldus de psychiater.

Door drs. [psycholoog 1], GZ-psycholoog, onder supervisie van drs. [psycholoog 2], GZ-psycholoog, is op 2 maart 2014 een rapport over verdachte opgemaakt. In dit rapport wordt
– onder meer – het volgende geconstateerd/geconcludeerd.

Bij betrokkene is geen sprake van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling. Er is sprake van een partner relatieprobleem waarbij betrokkene over onvoldoende copingvaardigheden beschikte om de problemen adequaat het hoofd te bieden. Gevoelens van onvrede probeerde hij onder andere te verminderen door het drinken van alcohol. Er was sprake van misbruik, afhankelijkheid van alcohol, zonder dat er sprake is van een ziekelijke stoornis of een gebrekkige ontwikkeling. Hieruit vloeit voort dat betrokkene toerekeningsvatbaar kan worden geacht.

De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de psychiater en de psycholoog over en komt, gezien de persoonlijkheidsproblematiek en de context waarin het onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd tot het oordeel dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bijzonder ernstig misdrijf, te weten poging tot doodslag op zijn echtgenote. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote. Hij heeft aangeefster [slachtoffer] eerst geslagen en tijdens een worsteling heeft hij haar met een mes in haar linkeroor gestoken. Het letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen, is ernstig. Het mes is operatief uit haar linkeroor verwijderd en zij zal met dit oor niet meer kunnen horen. Er is sprake van verminderde gevoeligheid van de linker gezichtshelft. Verder is een pees van een vinger van de linkerhand van [slachtoffer] doorgesneden, waarvoor [slachtoffer] ook een operatie heeft moeten ondergaan. Verdachte heeft daardoor een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. [slachtoffer] had door de handelwijze van verdachte het leven kunnen verliezen. De ervaring leert dat slachtoffers van geweldsmisdrijven naast de lichamelijke gevolgen ook nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarvan is ook hier sprake, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer]. Het gaat om een ernstig geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter draagt en dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank houdt verder rekening met het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie van 1 september 2014, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een geweldsdelict in Nederland is veroordeeld.

Alles afwegende zal de rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf conform de eis van de officier van justitie veroordelen, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De rechtbank ziet geen aanleiding een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, mede gelet op de omstandigheid dat verdachte op dit moment in Polen verblijft en niet bekend is of en wanneer hij (voor langere tijd) naar Nederland zal terugkeren.

In beslag genomen voorwerpen

Uit het verhandelde ter terechtzitting van 8 september 2014 is gebleken dat de rechtbank over de in beslag genomen kleding, twee messen en een mobiele telefoon dient te beslissen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het mes verbeurd dient te worden verklaard. De in beslag genomen kleding van aangeefster kan worden teruggegeven aan haar. De overige kleding, het stanleymes en de telefoons kunnen worden teruggegeven aan verdachte.

De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen/goederen geen verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Het onder aangeefster inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes, goednummer PL0623-2013157246-48246020, is vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair bewezenverklaarde is begaan.

Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen stanleymes, goednummer
0621-2013157246-48292121 is de rechtbank van oordeel dat dit mes dient te worden onttrokken aan het verkeer nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Ten aanzien van de mobiele telefoons merkt de rechtbank op dat er twee mobiele telefoons in beslag zijn genomen, te weten een Nokia en een Samsung. Onder de verdachte is een Nokia telefoon inbeslaggenomen.22 Uit de kennisgeving van inbeslagneming blijkt dat de hulpofficier van justitie heeft beslist dat de telefoon aan verdachte kan worden teruggegeven. De Nokia telefoon, type 1800, goednummer PL0625-2013157246-483106 kan worden teruggeven aan de verdachte. Van de Samsung telefoon is niet bekend wie de beslagene is23, wel blijkt uit de kennisgeving van inbeslagneming dat de hulpofficier van justitie op 20 november 2013 heeft beslist dat de Samsung telefoon dient te worden teruggeven aan de beslagene. Uit het dossier blijkt dat in opdracht van de hulpofficier van justitie een mobiele telefoon aan aangeefster is teruggegeven.24 De rechtbank gaat uit dat dit de Samsung telefoon is, zodat de rechtbank geen beslissing op deze telefoon hoeft te geven.

De onder aangeefster in beslag genomen twee sokken, ondergoed, een trui, een broek25 en een paar laarzen26 kunnen worden teruggegeven aan aangeefster.

Ten aanzien van de kleding van verdachte merkt de rechtbank op dat onder verdachte een trui en sportkleding in beslag zijn genomen27. Verder zijn een zwarte schoen, een camouflagebroek en een wit T-shirt inbeslaggenomen28 waarvan de eigenaar niet bekend is. De rechtbank gaat ervan uit dat dit de kleding en schoeisel van verdachte zijn. De kleding en schoeisel kunnen worden teruggeven aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a, 36b, 36c, 45, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 primair: Poging tot doodslag;

Feit 2:Mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot;

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaar;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het stanleymes, goednummer 0621-2013157246-482921;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het mes, goednummer PL0623-2013157246-482460;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, voor zover nog niet teruggegeven voorwerpen/kleding aan veroordeelde dan wel de rechthebbende, te weten: de Nokia telefoon, type 1800, goednummer PL0625-2013157246-483106, een trui, sportkleding, een zwarte schoen, een camouflagebroek en een wit T-shirt;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven kleding aan de aangeefster dan wel de rechthebbende, te weten: twee sokken, ondergoed, een trui, een broek en een paar laarzen.

Aldus gewezen door mr. Van der Mei, voorzitter, mr. Gilhuis en mr. Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 september 2014.

Mr. Knoop is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2013157246, Regiopolitie Oost Nederland, districtsrecherche Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 28 mei 2014 door [verbalisant], brigadier van politie.

2 Stamproces-verbaal, p. 5, en proces-verbaal van bevindingen, p. 102-103.

3 Stamproces-verbaal, p. 6, en proces-verbaal van bevindingen, p. 103.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 89.

5 Proces-verbaal verhoor van benadeelde [slachtoffer], p. 131.

6 Proces-verbaal van aangifte door aangeefster [slachtoffer], p. 138 en proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], p. 158.

7 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], p. 158-159.

8 Proces-verbaal van aangifte door aangeefster [slachtoffer], p. 138 en proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], p. 158 en 160.

9 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], p. 160.

10 Een geneeskundige verklaring van 20 november 2013, p. 176.

11 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], p. 170.

12 Letselrapportage van de GGD, Noord- en Oost Gelderland van [arts], forensisch arts KNMG van 26 januari 2014, p. 177-179.

13 Processen-verbaal van verhoor van verdachte, p. 54 en p. 71.

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 48.

15 Processen-verbaal van verhoor, p. 49 en p. 59.

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 55.

17 Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris op 22 november 2013.

18 Letselrapportage van de GGD, Noord- en Oost Gelderland van [arts], forensisch arts KNMG van 26 januari 2014, p. 32-33.

19 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], p. 208.

20 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 344-345.

21 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 352-353.

22 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 354-355.

23 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 359.

24 Proces-verbaal van bevindingen, p. 120.

25 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 346-348.

26 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 358.

27 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 356-357.

28 Kennisgeving van inbeslagneming (artikel 94 Sv), p. 349