Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5953

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-09-2014
Datum publicatie
23-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_8194
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:1743, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Navorderingsaanslagen 2002, 2003, 2005 met vergrijpboetes en aanslagen 2004 en 2007. Wat behoort tot de stukken van het geding? Kwade trouw eiser. Omkering en verzwaring bewijslast, behoudens voor 2007, nu de uitnodiging tot het doen van aangifte naar verkeerd adres is gezonden en geen herinnering en aanmaning zijn verzonden. Redelijke schatting 2002 tot en met 2005, onjuistheid niet overtuigend aangetoond. Voor 2007 is het geschatte inkomen niet aannemelijk gemaakt. Vermindering aanslag. Matiging boetes, nu sprake is van omkering bewijslast en schatting. Tevens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2241
FutD 2014-2242
V-N Vandaag 2014/1920

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 13/8194, 13/8195, 13/8196, 13/8197, 13/8198 en 13/8199

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 23 september 2014

in de zaak tussen

[X], te Spanje, eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd.

Voor het jaar 2002:

  • -

    met dagtekening 28 november 2007 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) (aanslagnummer [000].H.27) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 470.886, alsmede bij beschikking een boete van € 234.938;

  • -

    met dagtekening 27 november 2007 een navorderingsaanslag premie wet arbeidsongeschiktheidsverzekeringen zelfstandigen (hierna: WAZ) (aanslagnummer [000].W.27) berekend naar een WAZ-grondslag van € 24.958.

Voor het jaar 2003:

  • -

    met dagtekening 28 november 2007 een navorderingsaanslag IB/PVV (aanslagnummer [000].H.37) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.740, alsmede bij beschikking een boete van € 42.206;

  • -

    met dagtekening 27 november 2007 een navorderingsaanslag premie WAZ (aanslagnummer [000].W.37) berekend naar een WAZ-grondslag van €24.958;

  • -

    met dagtekening 27 november 2007 een navorderingsaanslag premie ziekenfondswet zelfstandigen (aanslagnummer [000].S.37) berekend naar een grondslag van € 4.932.

Voor het jaar 2004, met dagtekening 27 november 2007, een aanslag IB/PVV (aanslagnummer [000].H.46) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 165.639.

Voor het jaar 2005, met dagtekening 28 november 2007, een navorderingsaanslag IB/PVV (aanslagnummer [000].H.57) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.650, alsmede bij beschikking een boete van € 17.220.

Voor het jaar 2007:

  • -

    met dagtekening 28 juli 2010 een aanslag IB/PVV (aanslagnummer [000].H.76), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.000;

  • -

    met dagtekening 28 juli 2010 een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) (aanslagnummer [000].W.76), berekend naar een bijdrage-inkomen van € 30.623.

Gelijktijdig met het vaststellen van de belastingaanslagen is aan eiser bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 24 oktober 2011 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van onderscheidenlijk 21 juni 2012 voor de jaren 2002 tot en met 2005 en 10 november 2012 voor het jaar 2007 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard. Wel heeft verweerder ambtshalve de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.000. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

De rechtbank heeft op respectievelijk 18 april 2013 en 12 september 2013 uitspraak gedaan in de beroepsprocedures. Daarbij zijn de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd en de zaken teruggewezen naar verweerder.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 9 december 2013 de bezwaren over de jaren 2002 tot en met 2005 afgewezen. Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraak op bezwaar van 9 december 2013 ook het bezwaar over het jaar 2007 afgewezen.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 20 december 2013, ontvangen door de rechtbank op 23 december 2013, beroep ingesteld. Bij brieven van 30 januari 2014, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, heeft eiser zijn beroepen nader gemotiveerd.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Namens eiser is mr. [A], kantoorgenoot van zijn gemachtigde, verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en mr. [B].

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser was in de periode van 3 juli 2002 tot en met 26 januari 2008 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [A-straat 1] te [Q]. Per 26 januari 2008 heeft hij zich laten uitschrijven naar Spanje, zonder opgaaf van een nader adres. In de periode van 20 oktober 2011 tot en met 9 januari 2012 verbleef eiser op het adres [A-straat 2] te [R] in een penitentiaire inrichting.

2.

Met dagtekeningen 30 juni 2005, 28 september 2005 en 10 augustus 2007 zijn de definitieve aanslagen IB/PVV 2002, 2003 en 2005 vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangiften naar een verzamelinkomen van respectievelijk € 10.785, € 4.932 en € 0.

3.

Voor het jaar 2004 heeft eiser aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van € 12.449.

4.

Voor het jaar 2007 heeft eiser geen aangifte ingediend.

5.

Het Bovenregionaal Recherche Team Amsterdam Amstelland / Gooi- en Vechtstreek heeft vanaf 2004 een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) verricht naar onder andere eiser vanwege de verdenking van eiser van het plegen van strafbare feiten waarmee financieel voordeel is behaald. Hiervan is een financieel rapport opgemaakt onder proces-verbaalnummer [001], gedateerd 28 april 2006 (hierna: het financieel rapport). Bij dit financieel rapport zijn tevens (samenvattingen van) processen-verbaal gevoegd. In een proces-verbaal van 25 maart 2005, dat een weergave van een verhoor van eiser behelst, is als eisers antwoord op de vraag zijn inkomen te beschrijven, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

“Dat is verschillend per dag. Soms 150 euro per dag dan weer eens 700 a 800 euro per week. Dat zijn geen inkomsten van mijn bedrijf. Deze zaken staan nergens geregistreerd. De belastingdienst weet hier wel het een en ander van af. Ik heb daar wel eens een boete voor gehad, zo’n 23000 euro. Dat was gelegen in verband met het door mij zwart verdiende geld.”

6.

Op 21 maart 2005 is eiser door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor het plegen van diefstal met braak in vereniging, het medeplegen van opzetheling, het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, medeplichtigheid aan diefstal met braak in vereniging en het medeplegen van schuldheling. Deze feiten hebben zich voorgedaan in de jaren 2003 en 2004. Bij vonnis van 8 september 2008 heeft de rechtbank Amsterdam beslist op de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij arrest van 15 februari 2012 heeft het Gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, uitspraak gedaan in het hoger beroep dat eiser tegen het ontnemingsvonnis had aangetekend. Bij dat arrest is eiser de verplichting opgelegd aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag te betalen van € 629.050. Het hiertegen ingestelde beroep in cassatie is door de Hoge Raad op 4 februari 2014 verworpen.

7.

Begin 2006 heeft verweerder een rechtshulpverzoek van de Spaanse autoriteiten ontvangen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder kennis genomen van het feit dat een sfo was verricht naar eiser en heeft verweerder een eigen onderzoek bij eiser ingesteld over de belastingjaren 2001 tot en met 2005. Tijdens dit boekenonderzoek heeft de recherche van Amsterdam aan verweerder een kopie verstrekt van het financieel rapport.

Van het boekenonderzoek is een rapport opgemaakt met dagtekening 29 november 2006. In dat rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Uit de gegevens van het financieel rapport blijkt dat de heer [X] inkomsten niet juist heeft aangegeven. In een aantal jaren heeft hij grote uitgaven gedaan voor goederen ( o.a. auto, swarovski kristal, dure horloges, caravans, huishouden ) en uitgeleende gelden, welke gezien zijn aangegeven inkomen niet hebben kunnen plaatsvinden.

(…)

Resumerend dienen de inkomens over de jaren 2001 tot en met 2005 als volgt te worden vastgesteld:

Omschrijving

(…)

2002

2003

2004

2005

Auto

60.000

6.600

BPM

21.923

Caravan 36

37.250

34.750

Caravan 8

5.000

Swarovski kristal

27.867

23.765

23.597

Kosten [X]

11.100

5.322

Horloges

60.000

Huishouden [C]

16.900

16.900

16.900

16.900

Kosten [C]

3.729

24.340

8.096

Leningen u/g

186.000

(…)

MOT meldingen

175.745

17.035

Totalen

470.241

99.740

178.088

51.650

Aangegeven (netto) inkomen

10.140

4.932

12.449

Méér netto inkomen

460.101

94.808

165.639

51.650

Aangegeven in box 1

10.785

4.932

12.449

0

Vaststellen op:

470.886

99.740

178.088

51.650

(…)”

8.

Verweerder heeft de belastingaanslagen voor de jaren 2002 tot en met 2005 conform de bevindingen van het boekenonderzoek opgelegd.

9.

De aanslagen voor het jaar 2007 zijn door verweerder ambtshalve opgelegd. In zijn brief van 6 november 2012 (motivering van de uitspraak op bezwaar) heeft verweerder het standpunt ingenomen dat een redelijke schatting van het verzamelinkomen op € 65.000 gesteld kan worden en heeft hij een berekening van deze schatting gegeven.

10.

Bij uitspraken op bezwaar van 9 december 2013 heeft verweerder de bezwaren afgewezen. Hierbij heeft verweerder vermeld dat de bewijslast wordt omgekeerd op grond van artikel 25, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

Geschil

11.

In geschil is het antwoord op de navolgende vragen:

  • -

    heeft verweerder alle stukken van het geding ingebracht?

  • -

    bestaat voor de jaren 2002, 2003 en 2005 de mogelijkheid tot navordering?

  • -

    is eiser voor het jaar 2007 uitgenodigd tot het doen van aangifte?

  • -

    dient de bewijslast te worden omgekeerd en verzwaard?

  • -

    zijn de belastingaanslagen terecht en naar de juiste bedragen opgelegd?

Voorts zijn de in rekening gebrachte heffingsrente en de aan eiser opgelegde boetes in geschil.

De beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

12.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het onderliggende dossier niet heeft ontvangen en dat hem niet duidelijk is over welke stukken verweerder beschikt. Verweerder heeft verklaard dat het originele controledossier dat bij het boekenonderzoek is opgesteld niet langer aanwezig is. De digitaal aanwezige gegevens zijn in het onderhavige dossier opgenomen en aan de gemachtigde van eiser verstrekt. Tevens heeft verweerder het financieel rapport, exclusief de bijlagen, als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de controlemedewerker de onderliggende stukken van het sfo heeft ingezien en dat die in zoverre mede ten grondslag liggen aan de onderhavige belastingaanslagen, maar dat verweerder niet de beschikking heeft over die stukken. Dit betreft in totaal zo’n 15.000 pagina’s.

13.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en die een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de rechter over te leggen. Die verplichting gaat in het algemeen niet zo ver dat een inspecteur gehouden is bewijsstukken in te brengen die ten grondslag liggen aan een onderzoeksrapport dat bij zijn besluitvorming een rol heeft gespeeld, maar die hem niet ter beschikking hebben gestaan (vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI: NL:HR:2014:1182). Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de onderliggende stukken van het sfo geen sprake van ter beschikking staan in voormelde zin, althans deze stukken hebben niet een (zelfstandige) rol gespeeld bij de besluitvorming van verweerder. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van verweerder ter zitting dat de onderliggende stukken door de onderzoekers ter verificatie zijn ingezien, maar dat de basis voor de belastingaanslagen ligt in het financieel rapport en de processen-verbaal, welke stukken zijn overgelegd. De onderliggende stukken hebben geen aanvullende informatie opgeleverd die mede ten grondslag is gelegd aan de belastingaanslagen. De onderliggende stukken van het sfo zijn daarom geen stukken van het geding waarop artikel 8:42, eerste lid, van de Awb betrekking heeft.

14.

Bij het voorgaande laat de rechtbank uitdrukkelijk in het midden in hoeverre eiser door de gang van zaken is benadeeld, nu de gemachtigde van eiser niet heeft betwist dat hij over de onderliggende stukken beschikt uit hoofde van de strafrechtelijke procedure.

Navorderingsbevoegdheid

15.

Op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

16.

Van kwade trouw in de zin van dit artikel is sprake indien een belastingplichtige de inspecteur opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden of opzettelijk onjuiste inlichtingen heeft verstrekt (vgl. Hoge Raad 3 december 2010, nr. 09/04514, ECLI: NL:HR:2010:BO5989). Onder opzet valt ook voorwaardelijk opzet. Daarvan is sprake indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat een onjuiste aangifte zou worden gedaan, en dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen) (vgl. Hoge Raad 13 februari 2004, nr. 39 477, ECLI: NL:HR:2004:AO3643 en Hoge Raad 3 december 2010, nr. 09/04514, ECLI: NL:HR:2010:BO5989).

17.

Het is aan verweerder feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen dat eiser te kwader trouw was. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd. Uit het door verweerder verrichte onderzoek blijkt dat in de jaren 2002 tot en met 2005 sprake is geweest van grote uitgaven, die niet stroken met de omvang van het inkomen zoals dat door eiser is aangegeven. Eiser heeft bovendien - zoals hiervoor onder 5. weergegeven - ook zelf verklaard dat de inkomsten buiten zijn bedrijf wisselden van soms € 150 per dag tot dan weer eens € 700 à € 800 per week. De aangiften waren derhalve onjuist en zijn bewust naar een aanmerkelijk te laag bedrag gedaan. Daarmee is de kwade trouw van eiser gegeven en was verweerder bevoegd over de jaren 2002, 2003 en 2005 tot navordering over te gaan.

Bewijslast

18.

Op grond van artikel 27e, eerste lid, van de AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, onder meer indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (de zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast). Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting relatief beschouwd aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en tevens dat het bedrag dat als gevolg van de gebreken niet is geheven op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Tevens is vereist dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

19.

Gelet op de omvang van de bedragen die door eiser zijn erkend, moet - reeds als van een schatting van € 700 extra inkomen per week wordt uitgegaan - geconcludeerd worden dat sprake is van relatief en absoluut aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting die niet zijn geheven. Uit hetgeen hiervoor omtrent de kwade trouw is overwogen vloeit bovendien de bewustheid van eiser voort. Dit heeft ook te gelden voor het belastingjaar 2004. Verweerder heeft voor de jaren 2002 tot en met 2005 dan ook terecht geconcludeerd tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

20.

Met betrekking tot de aanslagen over 2007 overweegt de rechtbank als volgt. Over 2007 heeft eiser geen aangifte gedaan. Eiser heeft betwist dat hij daartoe is uitgenodigd. Verweerder heeft gesteld dat de uitnodiging tot het doen van aangifte op 29 februari 2008 is verzonden, en gaat ervan uit dat deze uitnodiging naar het adres in [Q] is verzonden. Daar stond eiser echter na 26 januari 2008 niet meer ingeschreven. Voorts is aannemelijk dat verweerder geen herinnering en aanmaning heeft verzonden. Gelet hierop kan het niet doen van de vereiste aangifte niet aan eiser worden tegengeworpen en kan dit feit niet leiden tot omkering van de bewijslast.

21.

Voor zover verweerder zich heeft beroepen op schending van de administratieplicht overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 52 van de AWR, waarnaar verweerder heeft verwezen, luidde in 2007 als volgt:

“1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

2.

Administratieplichtigen zijn:

  1. lichamen;

  2. natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 genieten;

  3. natuurlijke personen die inhoudingsplichtige zijn;

  4. natuurlijke personen die een werkzaamheid als bedoeld in de artikelen 3.91 en 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001 verrichten (…)”

22.

Over het jaar 2007 heeft verweerder niets aangevoerd ter zake van de bron van het inkomen. De feiten waarvoor eiser is veroordeeld, en die hebben geleid tot een aanzienlijke ontnemingsvordering, hebben plaatsgevonden in de jaren 2003 en 2004. Het boekenonderzoek heeft zich gericht op de jaren 2001 tot en met 2005. Verweerder heeft ook overigens geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld dat eiser administratieplichtig was in 2007. Gelet daarop kan het niet voldoen aan artikel 52 van de AWR geen grondslag voor omkering van de bewijslast vormen. De rechtbank zal de aanslagen voor het jaar 2007 op basis van de gewone regels van bewijslast beoordelen.



De hoogte van de belastingaanslagen

23.

De omkering van de bewijslast voor de jaren 2002 tot en met 2005 ontslaat verweerder niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. Verweerder heeft de belastingaanslagen gebaseerd op het in de strafrechtelijke procedure vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en de daaraan ten grondslag liggende bevindingen in het kader van het sfo. Daarbij is er rekening mee gehouden dat eiser, naast de hiervoor gememoreerde Mercedes, twee caravans, vier horloges en aanzienlijke hoeveelheden Swarovski kristal heeft gekocht, verschillende kasstortingen heeft gedaan, zijn partner vrijwel wekelijks € 300 tot € 350 huishoudgeld heeft gegeven en verschillende grote leningen tegen hoge rentes heeft verstrekt. De belastingaanslagen berusten daarmee op een redelijke schatting.

24.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser de onjuistheid van de belastingaanslagen over de jaren 2002 tot en met 2005 niet overtuigend aangetoond. Verweerder heeft de belastingaanslagen gebaseerd op de hoogte van de (geschatte) uitgaven die eiser in elk van de jaren heeft gedaan. Eiser heeft een groot deel van die uitgaven niet betwist. Een van de uitgaven betreft een Mercedes [D]. Eiser heeft betwist dat deze van hem was, maar daarmee is niet overtuigend aangetoond dat hij deze niet heeft betaald. Voor het overige heeft eiser volstaan met algemene betwistingen en niets aangetoond.

25.

Met betrekking tot de aanslagen IB/PVV en ZVW 2007 overweegt de rechtbank als volgt. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de aanslagen niet tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld. Nu eiser, ook gedurende deze procedure, niets over zijn inkomsten in 2007 heeft verklaard en geen aangifte heeft gedaan, heeft verweerder ook voor 2007 een inventarisatie van de uitgaven van eiser gemaakt. Dit kan een voldoende onderbouwing zijn, omdat aannemelijk is dat tegenover uitgaven vergelijkbare inkomsten zullen moeten staan, met name nu eiser heeft betwist over (aanmerkelijk) vermogen te beschikken en gesteld noch aannemelijk is geworden dat eiser geld heeft geleend van derden. Per post dient echter de aannemelijkheid te worden beoordeeld.

26.

Verweerder heeft de schatting van het inkomen van € 65.000 in de motivering van de uitspraak op bezwaar als volgt gespecificeerd:

- woonlasten (huur, gas, water, elektra)

€ 7.200

- levensonderhoud (eten, drinken, kleding)

€ 6.000

- verzekeringen (zorg, inboedel, WA)

€ 1.800

- aanschaf Mercedes [D]

€ 45.000

- kosten auto (verzekering, motorrijtuigenbelasting, benzine, onderhoud)

€ 3.600

- onvoorzien

€ 1.200

27.

Ter zake van de woonlasten, kosten levensonderhoud en verzekeringen overweegt de rechtbank dat het hier zodanig algemeen gebruikelijke lasten betreft dat het aannemelijk is dat eiser deze kosten heeft gemaakt. De bedragen zijn niet bovenmatig. Eiser heeft deze posten niet geloofwaardig betwist. De kosten ter zake van de Mercedes heeft eiser wel voldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat de auto feitelijk van zijn zoon was en dat deze in 2007 slechts op zijn naam is gesteld. Gelet hierop had verweerder de kosten nader dienen te onderbouwen, te meer nu het dezelfde auto betreft waarvoor ook in 2002 en 2003 al een correctie heeft plaatsgevonden. Deze post is dan ook niet aannemelijk gemaakt. De kosten die met deze auto samenhangen zijn dientengevolge evenzeer onvoldoende aannemelijk geworden, nog daargelaten dat verweerder is uitgegaan van € 300 per maand en de auto in 2007 slechts enkele maanden op naam van eiser heeft gestaan. Het totaalbedrag van € 3.600 is daarmee in ieder geval onjuist. De onvoorziene kosten zijn niet nader gespecificeerd. Daarmee is ook die post door verweerder onvoldoende aannemelijk gemaakt.

28.

Op basis van het voorgaande resteert een bedrag aan uitgaven van € 15.000 waarvoor voldoende onderbouwing is gegeven. Aannemelijk is dat het belastbaar inkomen uit werk en woning en het bijdrage-inkomen ZVW van eiser in 2007 eveneens (ten minste) € 15.000 heeft bedragen, gezien hetgeen over de verhouding tussen inkomsten en uitgaven is overwogen in overweging 25.

Boetes

29.

Voor de jaren 2002, 2003 en 2005 heeft verweerder een vergrijpboete van 100% van de verschuldigde belasting aan eiser opgelegd op grond van artikel 67e van de AWR. Dit artikel bepaalt, voor zover van belang, dat indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven, dit een vergrijp vormt ter zake waarvan de inspecteur hem, gelijktijdig met de vaststelling van de navorderingsaanslag, een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 100 percent van de grondslag voor de boete.

30.

De rechtbank overweegt dat op verweerder de bewijslast rust aannemelijk te maken dat het aan opzet of grove schuld van eiser te wijten is dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld dan wel dat een onjuiste aangifte is gedaan. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen ter zake van de kwade trouw van eiser. Hiermee is tevens de opzet van eiser gegeven, zodat is voldaan aan de voorwaarden voor het opleggen van een vergrijpboete.

31.

De rechtbank ziet wel aanleiding de boetes te matigen, Bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval passend en geboden is, dient acht te worden geslagen op de proportionaliteit van die boete in verband met de ernst van het gepleegde feit. Bij de beoordeling van die ernst dient mede acht te worden geslagen op de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de omkering van de bewijslast is toegepast en het feit dat de correcties zijn gebaseerd op een schatting. Dit brengt mee dat sprake is van een onzekerheidsmarge (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, ECLI: NL:HR:2011:BN6324). De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval en de onderbouwing van de schatting aanleiding de boetes op deze grond te matigen met 10%. Dit betekent dat de rechtbank boetes passend en geboden acht van achtereenvolgens € 211.444 voor 2002, € 37.985 voor 2003 en € 15.498 voor 2005.

32.

Ten slotte dient beoordeeld te worden of de boetes gematigd moeten worden wegens overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaren nadat die termijn is aangevangen uitspraak heeft gedaan (zie Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI: NL:HR:2005:AO9006). De termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

33.

De rechtbank stelt vast dat eiser gelet op de inhoud van het controlerapoport van 29 november 2006 op dat moment redelijkerwijs de verwachting kon hebben dat aan hem boetes zouden worden opgelegd. Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de termijn met bijna zes jaren. Hierin ziet de rechtbank aanleiding de boetes nog eens met 20% te verminderen. Dit betekent dat de boetes uiteindelijk zullen worden vastgesteld op € 169.155 voor 2002, € 30.388 voor 2003 en € 12.398 voor 2005.

34.

Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard voor zover deze zijn gericht tegen de boetebeschikkingen en de aanslagen over 2007.

Heffingsrente

35.

Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente over de jaren 2002 tot en met 2005 ongegrond te worden verklaard. Het beroep ten aanzien van 2004 wordt immers ongegrond verklaard en voor de jaren 2002, 2003 en 2005 is het beroep slechts gegrond voor zover het de boetes betreft. De heffingsrente over het jaar 2007 zal overeenkomstig de vermindering van de aanslagen dienen te worden verminderd.

Proceskostenvergoeding

36.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.461 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487, een factor 1,5 voor vijf samenhangende zaken en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen de boetebeschikkingen en de aanslagen IB/PVV 2007 en ZVW 2007 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen en de aanslagen IB/PVV 2007 en ZVW 2007;

  • -

    verlaagt de boetebeschikkingen ter zake van de IB/PVV 2002, 2003 en 2005 tot respectievelijk € 169.155, € 30.388 en € 12.398;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2007 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.000;

  • -

    vermindert de aanslag ZVW 2007 tot een aanslag berekend naar een bijdrage-inkomen van € 15.000;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    verklaart de overige beroepen ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 1.461;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van 44 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. A.F. Germs-de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.R. Richardson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 23 september 2014

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.