Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5888

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
05/801482-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Arnhem: Poging zware mishandeling. Werkstraf 80 uur en gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 114 dagen voorwaardelijk, proeftijd 2 jaar en met bijzondere voorwaarden van een behandeling en een meldplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/801482-13

Datum zitting : 04 september 2014

Datum uitspraak : 17 september 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op :[geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

raadsvrouw : mr. S.S. Zijderveld, advocaat te Wageningen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 19 september 2013 te Lunteren, gemeente Ede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], te weten haar man/levengezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal(met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de (boven)arm van [slachtoffer]

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 19 september 2013 te Lunteren, gemeente Ede, opzettelijk mishandelend haar echtgenoot, althans een persoon, te weten [slachtoffer], meermalen, althans éénmaal (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in (boven)arm heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 04 september 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S.S. Zijderveld, advocaat te Wageningen.

De officier van justitie, mr. L. Brugman, heeft gerekwireerd.

Verdachte en haar raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 september 2013 is de man van verdachte, [slachtoffer], in Lunteren aangetroffen met een mes dat diep in zijn bovenarm stak. Kort daarvoor is verdachte met dit mes op [slachtoffer] afgelopen.2 Het mes betreft een deels gekarteld broodmes.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat zij het mes heeft gepakt en op [slachtoffer] is afgelopen. [slachtoffer] kwam naar haar toe en maakte flinke zwaaiende bewegingen met zijn arm, waardoor hij zijn arm in het mes duwde. Verdachte heeft ontkend [slachtoffer] met het mes gestoken te hebben.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem met het mes in zijn bovenarm heeft gestoken.4

De rechtbank acht deze verklaring veel meer passen bij de wijze waarop het mes is aangetroffen, namelijk terwijl het diep in de bovenarm van [slachtoffer] stak, dan de verklaring die verdachte heeft gegeven. De rechtbank acht niet goed voorstelbaar en daarmee ook niet aannemelijk, dat in de situatie dat verdachte een mes (stevig) vasthoudt en [slachtoffer] zwaaiende bewegingen maakt in de richting van verdachte, het mes zo diep in de arm van [slachtoffer] zou (kunnen) doordringen. Bovendien heeft verdachte in haar telefoontje naar 112 zelf aangegeven dat ze [slachtoffer] in zijn arm gestoken had, omdat ze grote ruzie hadden.5

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met een mes in zijn bovenarm heeft gestoken. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit niet anders dan met kracht zijn gebeurd, omdat het mes diep in de bovenarm stak.

Door het op die manier met een dergelijk mes steken in de bovenarm bestaat de aanmerkelijke kans dat pezen in die arm dermate beschadigd raken dat de arm (al dan niet tijdelijk) niet meer (naar behoren) gebruikt kan worden.

Conclusie

De rechtbank acht derhalve het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij op 19 september 2013 te Lunteren, gemeente Ede, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], te weten haar man opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht met een mes, in de (boven)arm van [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primaire:

Poging zware mishandeling

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege het bestaan van noodweerexces. De verdediging heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte werd al jarenlang geslagen door [slachtoffer], die tevens een alcoholprobleem had. Hij beloofde telkens in behandeling te gaan, maar maakte zijn beloftes niet waar. De dag dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken hadden zij, wederom, ruzie over zijn alcoholprobleem en heeft [slachtoffer] verdachte, in het bijzijn van hun kinderen, geslagen en geduwd waardoor verdachte viel. Dit heeft, in combinatie met de ziekte PMDD (Premenstrual Dysphoric Disorder, een ernstige vorm van PMS) bij verdachte een hevige gemoedsbeweging doen ontstaan, waardoor zij het mes van tafel heeft gegrist en daarmee naar verdachte toe is gelopen.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] verdachte op de dag van het gebeurde geslagen heeft. De verklaring van verdachte vindt hiervoor geen ondersteuning in een ander bewijsmiddel. De rechtbank acht wel aannemelijk geworden dat [slachtoffer] verdachte geduwd heeft, waardoor zij ten val is gekomen, gelet op het letsel dat bij haar gezien is.

Tevens staat echter vast dat toen verdachte in de woning ten val was gekomen, [slachtoffer] naar buiten, de tuin in, is gelopen. Verdachte heeft toen het mes van tafel gepakt en is [slachtoffer] achterna gelopen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat er op dat moment geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor en dat er dus geen sprake was van een noodweersituatie. Er was derhalve ook geen verdediging geboden. Voor het slagen van een beroep op noodweerexces is echter een noodweersituatie vereist.

De rechtbank verwerpt daarmee het beroep op noodweerexces.

Ook voor het overige is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 180 uren werkstraf subsidiair 90 dagen hechtenis en voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 114 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht en een ambulante behandeling bij Caritas, de Waag, dan wel een soortgelijke forensische kliniek, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van het feit, het feit dat de kinderen van verdachte hier getuige van zijn geweest en het feit dat rekening gehouden dient te worden met artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast houdt de officier van justitie rekening met het feit dat het slachtoffer geen ernstig of blijvend letsel heeft opgelopen, dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is en de zorg heeft over twee kinderen. Behandeling dient voorop te staan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarde van een behandeling bij, bij voorkeur, Caritas. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de relatieproblematiek en het bestaan van de PMDD die een rol hebben gespeeld in het tenlastegelegde, het feit dat het gebeuren een grote impact heeft gehad voor verdachte en haar gezin en dat verdachte en het slachtoffer bereid zijn om, met behandeling, hun relatie op een goede manier voort te zetten.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 6 augustus 2014;

 een monodisciplinair rapport van [psycholoog], gezondheidszorg- en forensisch psycholoog, gedateerd 27 februari 2014 en

 een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 29 augustus 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft haar man met een mes diep in zijn bovenarm gestoken. Het gebeuren vond plaats net buiten hun woning, waar hun kinderen, waarvan de oudste destijds zes jaar was, aanwezig waren. Uit het dossier volgt onvoldoende dat de kinderen gezien hebben dat hun moeder hun vader had gestoken, maar er volgt wel uit dat de oudste in ieder geval gehoord heeft dát zijn vader is gestoken. Buurtbewoners hebben het slachtoffer daarna gezien, terwijl het mes nog in zijn arm stak.

Verdachte heeft hiermee ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer die van geluk mag spreken dat er, behalve een snijwond, geen sprake was van ernstiger of blijvende lichamelijke schade.

De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat het feit heeft plaats gevonden in de directe nabijheid van de kinderen.

De psycholoog heeft in zijn rapport het volgende geconcludeerd.

Bij verdachte is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens door de aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis met vooral borderline trekken. Inherent daaraan is sprake van een gestoorde emotie/agressieregulatie. Er is een neiging tot impulsiviteit en het omzetten van innerlijke conflicten in gedrag. Vanwege de persoonlijkheidsproblematiek komt verdachte sneller terecht in conflictueuze relaties. Tijdens de escalerende ruzie heeft verdachte vanwege een tekortschietende emotie/agressieregulatie onvoldoende grip gehad op haar emoties en gedrag en dit op haar partner afgereageerd. Geadviseerd wordt om verdachte daarom als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De kans op recidive wordt matig verhoogd aanwezig geacht als de relatie voort blijft bestaan en er geen behandeling plaats vindt. Daarom wordt geadviseerd om verdachte als bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek op te leggen met reclasseringstoezicht.

De rechtbank kan zich vinden in deze conclusies en maakt die tot de hare.

De rechtbank houdt voorts rekening met het feit dat verdachte de zorg heeft over twee kinderen, er bij verdachte sprake is van PMDD en zij en haar man een schuld hebben opgebouwd van

€ 50.000,-. Deze dingen zorgen voor nog meer spanningen en conflicten in hun relatie. Vanwege het bestaan van al deze problematiek zal de rechtbank verdachte een lagere werkstraf opleggen dan geëist, om een te grote belasting te voorkomen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank de oplegging van een werkstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen hechtenis en daarnaast een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 114 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Een lagere straf komt, gelet op de ernst van het feit, niet in aanmerking.

Aan de voorwaardelijke straf zal de rechtbank, gelet op de inhoud van het psychologische rapport en reclasseringsrapport, de bijzondere voorwaarden verbinden van een meldplicht en een ambulante behandeling bij psychologenpraktijk Caritas, forensische polikliniek de Waag danwel soortgelijke ambulante zorginstelling.

De voorwaardelijke straf dient ertoe verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke feiten te begaan.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

het verrichten van een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens haar vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat zij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 40 (veertig) dagen.

En voorts tot

een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 114 (honderdveertien) dagen niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. verplicht diagnostiek laat verrichten en zich laat behandelen bij psychologenpraktijk Caritas of forensische polikliniek de Waag, danwel een soortgelijke ambulante (forensische) zorginstelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering op het adres: Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem (tel.nr. 026-3555333). Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland te Arnhem tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het inmiddels geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van veroordeelde voornoemd.

Aldus gewezen door:

mr. F.M.A. 't Hart (voorzitter), mr. W.A. Holland en mr. J.M. Klep, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost-Nederland, regio Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL074H 2013101073, gesloten op 27 november 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], p. 61; de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3 De medische informatie betreffende [slachtoffer] afkomstig van de Spoedeisende Hulp van Ziekenhuis Gelderse Vallei, d.d. 19 september 2013, als bijlage gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal van 31 januari 2014.

4 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], p. 18.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 99.