Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5854

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-09-2014
Datum publicatie
17-09-2014
Zaaknummer
05/820592-14, 05/900868-12
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:4978, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Arnhem: Meermalen plegen van afdreiging. Gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummers : 05/820592-14, 05/900868-12

Data zittingen : 7 augustus 2014, 04 september 2014

Datum uitspraak : 17 september 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats].

raadsvrouw : mr. W. Oosterbaan-van Veen, advocaat te Ede.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 05/820592-14

hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2011 tot en met 12 juli 2011 te Ermelo en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 27572,-) over zou maken aan verdachte;

In de zaak met parketnummer 05/900868-12

1.

hij in of omstreeks de periode van 6 maart 2012 tot en met 7 maart 2012 te Ermelo en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 60 euro) over zou maken aan verdachte ;

2.

hij op of omstreeks 17 januari 2012 te Groningen en/of Wageningen, in ieder

geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door

bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met

openbaar maken van een geheim [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte

van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele

toebehorende [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar

maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft gedreigd aangifte te

doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag

(totaal ongeveer 11.500,- euro) over zou maken aan verdachte ;

3.

hij in of omstreeks de periode van 26 oktober 2010 tot en met 9 december 2010

te Kampen en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift

en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en) dat hij heeft

gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever

tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 1800,- euro) over zou maken aan

verdachte ;

4.

hij in of omstreeks de periode van 13 juni 2011 tot en met 16 juni 2011 te Kampen en/of Wageningen, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het

door hem voorgenomen misdrijf (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of

bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim

[slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 5], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad

en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en)

dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 2000,- euro) over zou

maken aan verdachte, terwijl de utivoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 30 mei 2012 te Oostkapelle Ermelo en/of Wageningen, in

ieder geval in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te

bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met

smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim[slachtoffer 6]

[slachtoffer 6]heeft gedwongen tot de afgifte van goederen en/of geld, in elk

geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende [slachtoffer 6], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met smaad

en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond(en)

dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen

aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 520,-) over zou maken aan

verdachte.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 04 september 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. W. Oosterbaan-van Veen, advocaat te Ede.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

In de zaak met parketnummer 05/820592-14: [slachtoffer 1] en

In de zaak met parketnummer 05/900868-12:

 [slachtoffer 2] en

 [slachtoffer 6].

De officier van justitie, mr. L. Brugman, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting van 4 september 2014 is, na een daartoe door de raadsvrouw gevoerd verweer, het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard in de zaak met parketnummer 05/900868-12 ter zake van feit 2. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat aangever [slachtoffer 3] 10 maanden na zijn gedane aangifte en klacht tot vervolging, expliciet heeft aangegeven dat hij zijn aangifte in wilde trekken. Daarmee heeft aangever aangegeven geen vervolging meer te wensen.

3 De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 05/820592-14 tenlastegelegde1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 20 t/m 22;

- de schriftelijke bescheiden zijnde de rekeningafschriften van de bankrekening van aangever, p. 24 t/m 33;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2014.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij in de periode van 16 maart 2011 tot en met 12 juli 2011 te Ermelo en Wageningen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende [slachtoffer 1], welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal 27523,-) over zou maken aan verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van het onder 05/900868-12 tenlastegelegde

Feit 12

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 10 t/m 20;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2014.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij in de periode van 6 maart 2012 tot en met 7 maart 2012 te Ermelo en Wageningen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende [slachtoffer 2], welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal 60 euro) over zou maken aan verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Feit 33

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft aangever [slachtoffer 4] gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige, tenzij aangever een geldbedrag over zou maken aan verdachte. Aangever heeft daarom op 26 oktober 2010 te Kampen een geldbedrag van in totaal € 1.300,- overgemaakt ten behoeve van verdachte.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat van de betaling op 26 november 2010 waarover aangever spreekt geen bewijs in het dossier te vinden is en dat dus op het totaalbedrag een bedrag van
€ 500,- in mindering gebracht dient te worden.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 26 oktober 2010 via internet contact heeft gehad met een vrouw genaamd [betrokkene]. Deze [betrokkene] zei dat ze voor € 50,- alles voor de webcam wilde doen. Nadat aangever € 50,- had overgemaakt, antwoordde [betrokkene] dat ze 17 jaar was en naar de politie zou stappen om aangifte te doen en heel Kampen in zou lichten dat aangever een pedofiel was, tenzij hij € 300,- over zou maken. Omdat [betrokkene] telkens liet weten dat de betaling mislukt was, heeft aangever in totaal, op die dag, € 1.300,- overgemaakt naar StDerdengld [naam], rekeningnummer [nr] Toen aangever op 26 november 2010 weer op MSN ging, kreeg hij een bericht van [betrokkene] waarin stond dat aangever zo snel mogelijk € 500,- over moest maken anders zou ze aangifte doen bij de politie en bekend maken in heel Kampen dat aangever een pedofiel was. Ze zei dat ze een bewijs had dat aangever haar als minderjarige betaald had om voor de webcam van alles te doen. Daarop heeft aangever
€ 500,- overgeschreven naar dezelfde rekening als op 26 oktober 2010.5
Door de verbalisant die de aangifte heeft opgenomen, wordt opgemerkt dat bij de aangifte een overzicht is gevoegd van de SNS bankoverschrijvingen gedaan door aangever aan verdachte.6

Dit overzicht vermeldt een overschrijving op 26 november 2010 van € 500,- naar de rekening van St. Derdengld [naam] met rekeningnummer [nr]7

Verdachte heeft ter terechtzitting het tenlastegelegde feit bekend. Hij deed zich in chatcontacten voor als een meisje dat bereid was uit de kleren te gaan en nadat het eerste bedrag was betaald, dreigde hij aangifte te doen van ontucht met een minderjarige en de omgeving van de latere aangevers hiervan op de hoogte te stellen tenzij er meer geld betaald werd.8 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij het e-mailadres [email adres]heeft gebruikt voor de chantagezaken. Hij heeft gebruik gemaakt van de rekening van [naam]. Via deze rekening werden de bedragen naar verdachte overgemaakt.9

Conclusie

Dat het bedrag van € 500,- op 26 november 2010 door aangever is overgemaakt wordt ondersteund door het hiervoor genoemde betalingsoverzicht. Uit de verklaring van verdachte volgt dat dit bedrag naar hem is overgemaakt.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

3.

hij in de periode van 26 oktober 2010 tot en met 9 december 2010

te Kampen en Wageningen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 4] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer 4], welke bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever

tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 1800,- euro) over zou maken aan

verdachte.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Feit 410

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5], p. 34 t/m 36;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2014.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

4.

hij in de periode van 13 juni 2011 tot en met 16 juni 2011 te Kampen en Wageningen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad en/of bedreiging met smaadschrift en/of bedreiging met openbaar maken van een geheim [slachtoffer 5] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer 5],

welke bedreiging met smaad

en/of smaadschrift en/of het openbaar maken van een geheim hierin bestond

dat hij heeft gedreigd aangifte te doen van ontucht met een minderjarige tegen aangever tenzij hij een geldbedrag (totaal ongeveer 2000,- euro) over zou maken aan verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Feit 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan dit feit op basis van de aangifte, de daarbij behorende stukken en de verklaring van verdachte waaruit eenzelfde werkwijze volgt als die gebezigd is bij de andere feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat niet wettig bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die het feit heeft gepleegd. De aangifte vindt daartoe geen steun in het dossier.

Beoordeling door de rechtbank

Ten laste is gelegd dat het feit gepleegd zou zijn op of omstreeks 30 mei 2012. Alleen in de kop van de aangifte wordt deze datum vermeld. In de inhoudelijke verklaring van aangever wordt niet gesproken over een datum. Dat is evenmin het geval in het daarbij gevoegde chatbericht. In de bijgevoegde e-mailberichten, waarvan verdachte heeft gezegd dat hij die gestuurd heeft, wordt de datum 8 mei 2012 vermeld. Op de rekeningafschriften die gevoegd zijn bij het voegingsformulier benadeelde partij staat dat de door aangever betaalde bedragen op 4 mei 2012 zijn overgemaakt.

Er kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden dat het feit gepleegd is op of omstreeks 30 mei 2012. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van 05/820592-14 en 05/900868-12 feit 1 en 3, telkens:

Afdreiging

Ten aanzien van 05/900868-12 feit 4:

Poging tot afdreiging

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 05/820592-14 en onder 05/900868-12 feit 1 en 3 tot en met 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de ernst van de feiten, de mate van geraffineerdheid, de lange periode waarover verdachte de feiten heeft gepleegd, de grootte van het afdreigingsbedrag en het feit dat de wet beperking taakstraf van toepassing is. Ook heeft de officier van justitie meegewogen de ouderdom van de zaken, het feit dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven, bereid is de benadeelden schadeloos te stellen en daartoe al maatregelen heeft getroffen en het feit dat hij zijn leven ten goede lijkt te hebben veranderd en na deze feiten geen nieuwe strafbare feiten meer heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en daarnaast een werkstraf op te leggen. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de volgende omstandigheden.

Volgens de raadsvrouw is in beide zaken sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, waarvan de overschrijding ten aanzien van de feiten 3 en 4 in de zaak met parketnummer 05/900868-12, zeer ernstig is. Voorts dient rekening gehouden te worden met de jonge leeftijd van verdachte, het feit dat hij na deze feiten niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie, hij spijt heeft betuigd, bezig is zich op zijn toekomst te richten en de benadeelden hun geld terug wil geven. De maatschappij heeft er geen baat bij als verdachte een jaar lang in de gevangenis moet zitten, omdat hij dan waarschijnlijk geen lening krijgt om de vorderingen van de benadeelden te voldoen.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 11 juli 2014 en

 een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 11 juni 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft drie aangevers gechanteerd en één aangever gepoogd te chanteren door zich op internet voor te doen als een (minderjarig) meisje dat bereid was om na betaling voor de webcam uit te de kleren te gaan. Verdachte heeft daarvoor filmpjes gebruikt die meisjes op Youtube geplaatst hadden. Nadat de aangevers een beginbedrag betaald hadden, dreigde verdachte aangifte te doen van ontucht met een minderjarige en ook de persoonlijke omgeving van aangevers in te lichten als aangevers niet meer geld zouden betalen. Verdachte deed het voorkomen alsof de aangifte al gedaan was door de aangevers een bevestiging te sturen van een aangifte die hij zelf al eens had gedaan in een andere zaak en had aangepast. Via de betalingsgegevens van de aangevers zocht hij op openbare websites naar hun persoonlijke gegevens. Op die manier kwam hij achter de namen van vrienden, buren en werkgevers en dreigde hij hen persoonlijk in te lichten. In één van de gevallen is verdachte zò lang door gegaan met zijn bedreigingen dat hij aangever ruim € 27.500,- afhandig heeft weten te maken. Deze aangever heeft daarvoor zelfs een lening moeten afsluiten. In een ander geval is het bij een poging gebleven, omdat aangever weigerde te betalen.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij ongeveer twee jaar bezig is geweest met internetoplichting en later met chantage via internet en dat hij daarmee ongeveer € 50.000,- heeft verdiend.

Verdachte heeft hiermee niet alleen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers, maar hen ook angst aangejaagd en hen langere tijd in onzekerheid doen verkeren, alleen om in zijn eigen geldelijk gewin te kunnen voorzien.

Dit rekent de rechtbank verdachte in ernstige mate aan.

Uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister volgt dat verdachte in 2008 twee keer eerder is veroordeeld voor diefstallen. Omdat verdachte hiervoor destijds werkstraffen opgelegd heeft gekregen die hij heeft verricht, dient de rechtbank rekening te houden met het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht.

Omdat de rechtbank verdachte van één feit heeft vrijgesproken acht de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de ernst van de feiten, een gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden. De rechtbank zal daarvan 5 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaren, rekening houdend met de volgende omstandigheden.

Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van een periode van 3,5 maand gerekend vanaf de datum van aanhouding van verdachte. Dat is immers het moment waarop sprake is van een criminal charge en niet de datum waarop de feiten zijn gepleegd, zoals door de raadsvrouw als uitgangspunt is genomen.

De rechtbank houdt ook rekening met de ouderdom van de feiten, de jonge leeftijd van verdachte, het feit dat hij na deze feiten niet meer in aanraking met politie of justitie is gekomen en reeds stappen heeft ondernomen om de benadeelden schadeloos te stellen.

De voorwaardelijke straf dient tevens om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke feiten te begaan.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 05/820592-14 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 28.918,09. Dit bedrag bestaat uit € 27.668,09 ter zake van materiële schade en € 1.250,- ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot het bedrag van
€ 28.773,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 178 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering te beperken tot de daadwerkelijk geleden materiële schade, te weten € 27.523,-.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de materiële schade in ieder geval toewijzen tot een bedrag van € 27.523,-, nu dit het totaalbedrag is dat volgens de bijgevoegde rekeningafschriften betaald is. Als materiële schade zal ook een bedrag van € 145,09 worden toegewezen voor de rente op de door aangever afgesloten lening.

De rechtbank acht het bedrag dat gevorderd wordt terzake immateriële schade, gelet op het feit dat bewezen is verklaard dat de benadeelde gedurende een langere periode is gechanteerd en gelet op de hoogte van het bedrag dat hij heeft betaald aan verdachte, alleszins redelijk en zal de vordering voor dit gedeelte in zijn geheel toewijzen.

Het bedrag dat wordt toegewezen betreft derhalve € 28.918,09. Dit bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 1april 2011, zijnde een datum gelegen in het midden van de periode waarin aangever heeft betaald en die de rechtbank daarom als ingangsdatum redelijk voorkomt.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 05/900868-12 feit 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 560,-. Dit bedrag bestaat uit € 60,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 360,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis. Voor het overige, bestaande uit

€ 200,- immateriële schade, heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering gelet op de hoogte van het afpersingsbedrag en het feit dat het bij één overboeking is gebleven.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering toe te wijzen tot een bedrag van de daadwerkelijk geleden schade, te weten € 60,-. Volgens de raadsvrouw is er geen causaal verband tussen de gestelde immateriële schade en het feit, omdat [slachtoffer 2] maar € 60,- heeft moeten betalen en stelt dat hij als gevolg daarvan rekeningen niet heeft kunnen betalen, in de schuldhulpverlening terecht is gekomen en zijn huis heeft moeten verkopen. Dit wekt de indruk dat [slachtoffer 2] reeds voor het feit problemen had.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de materiële schade in zijn geheel toewijzen, nu dit deel van de vordering niet is betwist.

De rechtbank acht het bedrag dat gevorderd wordt terzake immateriële schade, gelet op de ernst van het feit zoals hiervoor onder de strafmotivering is weergegeven, alleszins redelijk en zal de vordering voor dit gedeelte in zijn geheel toewijzen.

Dit betekent dat de rechtbank de vordering in zijn geheel toe zal wijzen voor het bedrag van

€ 560,-. Dit bedrag zal vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2012.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 05/900868-12 feit 5 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van in totaal € 582,32.

Nu de rechtbank verdachte heeft vrijgesproken van dit feit zal zij de benadeelde niet ontvankelijk verklaren in de vordering.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22b, 24c, 27, 36f, 45, 57 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk ter zake het onder parketnummer 05/900868-12, onder feit 2 tenlastegelegde feit.

Spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 05/900868-12 als feit 5 tenlastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 5 (vijf) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (05/820592-14).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 1], te betalen € 28.918,09. (achtentwintigduizendnegenhonderdachttien euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen € 28.918,09 (achtentwintigduizendnegenhonderdachttien euro en negen cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 179 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] (05/900868-12 feit 1).

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [slachtoffer 2], te betalen € 560,- (vijfhonderdzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen € 560,- (vijfhonderdzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 maart 2012, tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] (05/900868-12 feit 5).

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. W.A. Holland (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. F.M.A. 't Hart, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, district Noordwest Veluwe, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0612 2012009504, gesloten op 19 juni 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Gelderland Midden, staf district, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0700 2012027325, gesloten op 16 augustus 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie IJsselland, team Kampen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL04KA 2012067682, gesloten op 1 augustus 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

4 Het proces-verbaal van aangifte, p. 8, 9 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 september 2014.

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 8 t/m 10.

6 Het proces-verbaal van aangifte, p. 12.

7 Een schriftelijk bescheid zijnde het genoemde overzicht van de door aangever gedane overschrijvingen, p. 19.

8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 september 2014.

9 Het proces-verbaal van verhoor, verklaring verdachte, p. 70, 71.

10 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie IJsselland, team Kampen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL04KA 2012067682, gesloten op 1 augustus 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.