Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5825

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
3184266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoekende partij vordert herroeping van beschikking. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van bedrog en evenmin van het achterhouden van stukken. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0790
AR 2014/687

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 3184266 \ AZ VERZ 14-51 \ 572

uitspraak van 9 september 2014

beschikking

in de zaak van

[werkneemster]

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij

gemachtigde mr. J.S. Wurfbain

en

de Stichting Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid

gevestigd te Nijmegen

verwerende partij

gemachtigde mr. A.M. Breedveld

Partijen worden hierna [werkneemster] en OBGZ genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 25 juni 2014 met producties

- het verweerschrift van 19 augustus 2014 met producties

- de ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties van de zijde van [werkneemster] en OBGZ

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 26 augustus 2014 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van [werkneemster].

2 De feiten

2.1

Op 7 maart 2014 is tussen partijen een beschikking gewezen door de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, met zaaknummer 2668625\ HA VERZ 14-4 \493 \55.

2.2

In deze beschikking staat het volgende:

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 2668625 \ HA VERZ 14-4 \ 493 \ 55

uitspraak van 7 maart 2014

beschikking

in de zaak van

de stichting Stichting Openbare Bibliotheek Gelderland Zuid

gevestigd te Nijmegen

verzoekende partij

gemachtigde mr. A.M. Breedveld

tegen

[werkneemster]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. J.S. Wurfbain

Partijen worden hierna OBGZ en [werkneemster] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties

- het verweerschrift met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 18 februari 2014.

2 De feiten

2.1.

OBGZ is een organisatie met verschillende vestigingen, verspreid over 18 locaties.

2.2.

Op 1 februari 1993 is [werkneemster] in dienst getreden bij Bibliotheek Gelderland Zuid.

Sedert 1 september 2008 is zij gemiddeld 31 uur per week werkzaam in twee verschillende functies: medewerker informatie en advies voor gemiddeld 20,5 uur per week (schaal 5) en medewerkster educatie/lezen voor gemiddeld 10,5 uur per week (schaal 6).

Het laatstelijk bruto maandsalaris bedraagt € 2.101,68 bruto, exclusief ouderschapsverlof.

In beginsel verricht zij haar werkzaamheden op de locatie[naam locatie].

2.3.

Op de arbeidsovereenkomst is de cao openbare bibliotheken van toepassing. In artikel 24 staat het volgende:

“De werkgever stelt voor iedere werknemer een individueel werktijdenschema vast, na overleg met de betrokken werknemer. De werkgever houdt hierbij rekening met het gestelde in de artikelen 21, 22, 23 en 26 en Bijlage C, alsmede met de in de instelling geldende werktijdregeling respectievelijk het daarvan deel uitmakende dienstrooster. Het door de werkgever opgestelde werktijdenschema zal behalve in geval van overmacht vier weken voor inwerkingtreding aan de werknemer worden bekendgemaakt.”

Artikel 25 lid 1 luidt als volgt:

“In afwijking van het bepaalde in artikel 24 stelt de werkgever ten behoeve van de invalkrachten een aantal vaste dagen per week vast waarop werkzaamheden worden verricht, afhankelijk van de arbeidsduur en uitgaande van de volgende norm:

  • -

    Arbeidsduur 0 t/m 10 uur per week: max. 2 vaste dagen per week;

  • -

    Arbeidsduur 11 t/m 20 uur per week: max. 3 vaste dagen per week.”

2.4.

Op 22 mei 2013 heeft [werkneemster] (per mail, productie 24 bij het verzoekschrift) verlenging van haar ouderschapsverlof aangevraagd voor de periode 6 augustus 2013 tot en met 28 mei 2014. Namens OBGZ is (onder meer) het volgende teruggemaild:

“(…)

Je zou me nog een antwoord geven op mijn verzoek in [naam locatie] te gaan werken op woensdagmiddag en vrijdagmiddag en –avond.

Ik hoorde dat je nog geen andere avond werkt en we hebben afgesproken dat mensen in de front office allemaal 1 avond per week werken. Misschien is dat thuis ook gemakkelijker te regelen?

(…)”.

Het antwoord van [werkneemster] daarop luidt als volgt:

“(…)

Wellicht kun je bij roosters mijn basisrooster inzien. Hierin zul je zien dat ik normaliter volgens de basisrooster (zonder ouderschapsverlof) die nu geldig is en waar ik mij dan ook op beroep en avonddienst op de dinsdagavond heb.

Ik ben aan het denken om voor ieder een haalbaarheid te creëren, hierin zal ik enkel op de vrijdagmiddagen in [naam locatie] kunnen werken. (…) Helaas kan ik je meedelen dat ik de vrijdagavond niet kan werken. De argumentatie en beweegreden komen op zeer kort termijn jouw kant uit. Begreep ook dat als men een wijziging in werktijden/plek krijgt dat je daar minimaal vier weken van te voren behoort te horen en ook nog de tijd behoort te krijgen om te reageren. Cao artikel 21,22,23,24,26 en bijlage C bieden uitkomst.

Dus, keep one touch! (…)”.

2.5.

In een mail van OBGZ aan [werkneemster] van 2 juni 2013 staat het volgende:

“(…)

Hierbij nogmaals het dringende verzoek om op vrijdagmiddag- en avond, dus van 14-17.30 en 18.30-20.30 te gaan werken in [naam locatie].

  • -

    We hebben je nodig op vrijdag om het rooster rond te krijgen.

  • -

    In het verre verleden werkte je op di.avond in de CB, maar door je afwezigheid is dat door anderen ingevuld.

Je werkt nu geen avond, terwijl iedereen een avond werkt.

- Gezien je woonplaats is voor jou [naam locatie] goed te bereiken. Dus is het zowel in jouw belang als in het belang van de organisatie.

Dit gaat in vanaf 12 augustus, zodat je voldoende tijd hebt om thuis en werk goed op elkaar af te stemmen. (…)”.

Daarop heeft [werkneemster] als volgt geantwoord:

“(…)

Als ik nu een antwoord zou moeten geven, dan zeg ik nee. (…) Normaliter zou ik idd dinsdagavonden werken, maar ik neem nu juist op die dag mijn ouderschapsverlof op. Vandaar dat ik tijdelijk geen avonddiensten werk. Dit is slechts tijdelijk van aard. Bij volledig opname van mijn wettelijke ouderschapsverlof ben ik wederom bereid om de dinsdagavonden te werken.

(…)

Wel moet ik erbij zeggen dat het slechts kan gaan om een tijdelijke termijn, hetgeen ook vooraf onvoorwaardelijk schriftelijk vastgelegd dient te worden. Uitgangspunt is om na mijn ouderschapsverlof weer terug te komen om op dinsdagavond te komen werken. Indien het wenselijk is om een andere dag te komen werken, dan zullen wij gezamenlijk hiernaar kijken en tot een oplossing komen, mits dat in balans is met werk/prive/studie. (…)”.

2.6.

Op 21 juni 2013 heeft OBGZ [werkneemster] gemaild over haar in te roosteren uren. In deze mail staat onder meer het volgende:

“(…) Je hebt aangegeven liefst op woensdag, vrijdag en zaterdag te willen werken. Hiermee wil OBGZ zoveel mogelijk rekening houden, maar wij kunnen dit niet garanderen. (…)”.

[werkneemster] antwoord luidt als volgt:

“(…) Verder lees ik over mijn voorkeur van de dagen wanneer ik zou willen werken. Dat zijn nu eenmaal de afspraken. Ik werk op dinsdag, woensdag, vrijdag en 1x per 3 weken op een zaterdag. Momenteel heb ik ouderschapsverlof waardoor ik niet op dinsdag werk en derhalve resteert woensdag, vrijdag, zaterdag (week 1) als mijn werkdagen. Ik ben best bereid om op een andere zaterdag te werken (week 2 of 3 ipv week 1) na mijn vakantie. (…)”.

2.7.

Op 5 juli 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen OBGZ en [werkneemster] over haar aangevraagde ouderschapsverlof en de daarvoor in te zetten uren. Na dit gesprek heeft OBGZ [werkneemster] een brief gestuurd met daarin het volgende:

“(…)

Zaak is dat we je nieuwe basisrooster optimaal afstemmen op de behoeften van de organisatie, met daarin je ouderschapsverlofuren opgenomen. Conform artikel 24 uit de CAO dient het rooster vier weken voor aanvang bij je bekend te zijn. Je kunt daarbij ingeroosterd worden op een andere dag of vestiging van de Bibliotheek Gelderland Zuid dan je gewend was. We doen daarbij een beroep op je mee te denken in je rooster met onze organisatie als geheel.

(…)

Alle zaken in ogenschouw nemende stelt de bibliotheek het volgende rooster voor vanaf

6 augustus tot 28 mei 2014.

(…)

Woensdag 13.00-16.00 (3 uur FO/CB)

Vrijdag 14.00-20.30 (6 uur FO/[naam locatie])

Zaterdag (week 3 en eventueel week 1) 9.00-17.00 (2,5 of 5 uur per week FO/CB)

(…)

Dit voorstel komt zoveel mogelijk tegemoet aan je huidige werkdagen en een zo beperkt mogelijke afstand tot de vestiging. Dit nieuwe basisrooster zal geldig zijn tot 28 mei 2014. (…)”.

2.8.

[werkneemster] schriftelijke reactie luidt als volgt:

“(…)

Ik ben bereid om tot en met 30 september in [naam locatie] in de avondopenstelling te gaan werken (soort proefdraaien). (…) Indien tijdelijk werken op vrijdagavond niet inpasbaar is in het geheel (privé, opleiding, studiebelasting, OR) dan wil ik ook vooraf duidelijk afspreken dat ik na 30 september niet op vrijdagavond zal werken. Ik zal uiterlijk 2 weken voor deze datum een terugkoppeling geven over mijn ervaringen. Daarnaast zou ik ook graag willen weten waarom ik het probleem rond [naam locatie] moet gaan oplossen zeker gezien de bezetting op vrijdagavond terwijl ik op een vrijdagavond niet werk. Hoe is de bereidwilligheid bij andere collega’s? Waarom de keuze voor mij? (…)”.

2.9.

Naar aanleiding van een brief van OBGZ van 6 augustus 2013 heeft [werkneemster] op

7 augustus gesproken met de afdeling P&O van OBGZ. Van dit gesprek is het volgende verslag gemaild aan [werkneemster]:

“(…)

Woensdag 7 augustus hebben we gesproken over jouw inzet tot 1 september wat betreft de uren Educatie in de frontoffice, waarvan hier het verslag.

(…)

Gezien de veranderingen binnen de organisatie zijn, net als de roosters van veel anderen, ook aanpassingen nodig in jouw rooster.

Je hebt je bereid verklaard om op de vrijdagavonden te komen werken. Mocht er in de komende tijd een mogelijkheid zijn om de vrijdag avond, zeker in de periode tot februari (in verband met opleiding) te laten vervallen, zou je dat op prijs stellen. Op dit moment is het echter noodzaak om deze vrijdagavond te werken aangezien er geen alternatieven zijn. (…)”.

2.10.

[werkneemster] heeft als volgt gereageerd op voormelde brief van 6 augustus 2013 (welke brief geen deel uitmaakt van de gedingstukken):

“(…) Ik kan mij voorstellen dat jullie onderhand deze gang van zaken beu zijn, maar geloof mij, dat is wederzijds. Wij zijn kennelijk niet in staat gebleken om samen uit te komen. Het gevoel dat er niet met gepaste aandacht naar mij is geluisterd is sterk aanwezig. Het feit dat er vaker niet is teruggekomen op gestelde vragen is daar bijvoorbeeld een bewijs van. Mijn gevoel bij dit traject is helaas niet positief. En dat is niet persoonlijk. Ik hou van open en direct communiceren waarbij men met respect met elkaar omgaat. Om het gevoel een juiste plaats te geven, heb ik besloten om dit traject juridisch te laten toetsen bij de vakbond Abvakabo FNV en bij mijn rechtsbijstand. Daarna kunnen wij het hoofdstuk afsluiten en onze energie richten op andere openstaande zaken. En in het vervolg de zaken duidelijk en in kort tijdsbestek afhandelen. (…)”.

2.11.

Naar aanleiding van deze brief is [werkneemster] bericht dat zij op 16 augustus 2013 werd verwacht voor een gesprek over haar wijze van communiceren.

Naar aanleiding van de na dit gesprek ontvangen brief van OBGZ heeft [werkneemster] als volgt gereageerd:

“(…)

Aan het begin van het gesprek is aangegeven dat er een verslag komt. Nu ik dat heb ontvangen, lees ik dat het gesprek als een correctiegesprek wordt gezien en het wordt nog gekker, ik word zelfs gewaarschuwd voor mijn gedrag. Ik kan helaas hiermee niet akkoord gaan, achteraf dit zo vorm geven terwijl vooraf en in het gesprek het doel, (wat het nu is) ervan aan mij niet kenbaar is gemaakt, kan niet de juiste werkwijze zijn. Ik vind dit niet fijn. Een functionering of een feedbackgesprek is immers de regeling bij OBGZ meen ik in dit soort zaken. Als zaakwaarnemer in dit soort kwesties zie ik ook geen zorgvuldig rol door P&O hierin genomen en dat betreurt mij ook enigszins.

De rotsvaste fundering van mijn vertrouwen heeft een deuk opgelopen en is nu op los zand beland. (…)”.

2.12.

Bij brief van 14 september 2013 heeft [werkneemster] het volgende laten weten:

“(…)

Langs deze weg wil ik aangeven per 1 oktober 2013 niet op vrijdagavonden te kunnen werken. Hieronder mijn beweegredenen:

  1. Studiebelasting. (…)

  2. Zorgtaken voor mijn kinderen en privé is uit zijn balans door de extra werkbelasting, (…)

  3. Onder mijn niveau werken, (…)

  4. Het match niet met de HBO opleidingeisen als praktijkplek van mijn opleiding ontwikkel/ontplooiingsrichting.

  5. Koppeling ouderschapsverlof aan acceptatie nieuw basisrooster. (…)

  6. (…)

Hieronder wil ik trachten mee te geven dat ik ook algemene bezwaren heb om in [naam locatie] te werken (middag/avond).

(…)

Op basis van bovenstaande punten (met name punt 1 t/m 4) hebben mij doen beslissen om na 1 oktober 2013 niet meer op vrijdagavond te werken. In eerste instantie ging ik al niet akkoord met het uitgereikte nieuwe basisrooster van 9 juli 2013. Ik stel voor om terug te gaan naar mijn arbeidsovereenkomstige individuele arbeidstijden arbeidsrooster van

januari 2013. (…)”.

2.13.

Bij mail van 4 oktober 2013 heeft [werkneemster] zich ziek gemeld.

Op diezelfde dag is zij opgeroepen bij de bedrijfsarts. In een mail van diezelfde datum schrijft [werkneemster]:

“(…) De vertrouwen die geschaad is is zeer wederzijds kan ik hieruit concluderen. Want ik wil je nadrukkelijk vermelden dat het niet om een werkweigering gaat maar om een ziek melding op vermelde grondslag in mijn mail.

Je bent vrij in het nemen van je eigen conclusies in deze hetgeen in mijn ogen niet juist is. Om heel eerlijk te zijn te zijn heb ik ook geen boodschap meer aan wat jij ervan vindt in deze situatie. Mijn gezondheid gaat altijd voor.”.

2.14.

Het advies van de bedrijfsarts luidt als volgt:

“(…)

Mevrouw vertelde dat er in wezen sprake is van een conflictsituatie en dat zij haar vertegenwoordiger heeft ingeschakeld om uit deze situatie te geraken.

Zij heeft op dit moment te veel klachten om haar werkzaamheden te kunnen hervatten.

Ik heb geen verder advies dan: probeer uit deze situatie te geraken. Eventueel met behulp van een mediator. (…)”.

2.15.

Bij brief van 8 oktober 2013 heeft OBGZ [werkneemster] laten weten dat zij op

14 oktober 2013 wordt verwacht om te praten over een oplossing. Nadat [werkneemster] heeft laten weten op die dag niet aanwezig te zijn, heeft OBGZ haar uitgenodigd voor een gesprek op

25 oktober 2013, dat ook op die datum heeft plaatsgevonden. Dit gesprek heeft niet tot een oplossing geleid.

2.16.

[werkneemster] is tot 17 oktober 2013 lid van de ondernemingsraad geweest.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

OBGZ verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] te ontbinden wegens gewichtige redenen bestaande in een verandering van omstandigheden, bestaande uit een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie, binnen de kortst mogelijke termijn, met toekenning aan [werkneemster] van een vergoeding ter grootte van € 12.000,-- bruto, onder compensatie van de proceskosten.

3.2.

Zij onderbouwt het verzoek als volgt, kort samengevat.

Voorafgaand aan [werkneemster] ziekmelding op 4 oktober 2013 is er tussen partijen uitgebreid gediscussieerd over [werkneemster] aanvraag voor ouderschapsverlof, waarbij [werkneemster] zich op onacceptabele wijze heeft opgesteld, aldus OBGZ. Na de ziekmelding heeft [werkneemster] een

time-out gekregen en daarna heeft een gesprek plaatsgevonden, welk gesprek echter niet het gewenste resultaat heeft gehad. Mediation is, gelet op de wijze waarop [werkneemster] zich in dit gesprek over de arbeidsrelatie heeft uitgelaten, een gepasseerd station.

Gelet op het bovenstaande kan van OBGZ niet verwacht worden de overeenkomst met [werkneemster] voort te zetten, zodat deze dient te worden ontbonden op grond van gewijzigde omstandigheden. Zij is van mening dat de ontstane situatie [werkneemster] is aan te rekenen. Zij heeft [werkneemster] diverse keren op haar gedrag en manier van communiceren aangesproken, maar [werkneemster] is hiervoor niet gevoelig gebleken. Gezien de situatie, die voornamelijk een uitvloeisel is van de houding en het gedrag van [werkneemster], alsmede gelet op haar slechte financiële situatie is zij bereid aan [werkneemster] een vergoeding toe te kennen van € 12.000,-- bruto, een bedrag berekend op basis van het Sociaal Plan dat van toepassing was tijdens de reorganisatie.

3.3.

[werkneemster] voert gemotiveerd verweer.

Volgens haar moet het verzoek worden afgewezen, omdat het verband houdt met haar aanvraag voor ouderschapsverlof. Daarbij komt dat zij arbeidsongeschikt is en tot 17 oktober 2013 lid was van de ondernemingsraad. Verder had OBGZ actiever moeten zoeken naar een oplossing voor het conflict, dat in wezen (slechts) gaat over het inpassen van haar verzoek tot ouderschapsverlof in een voor alle partijen geschikt werkrooster. Partijen zouden er goed aan doen het arbeidsconflict op te lossen met een mediator, aldus [werkneemster].

Mocht de arbeidsovereenkomst worden ontbonden, dan dient bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding niet uitgegaan te worden van het (in casu niet toepasselijke) Sociaal Plan, maar van een C-factor van 1,5.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat een procedure als deze zich in beginsel niet leent voor nadere bewijslevering. De kantonrechter ziet geen aanleiding om in deze procedure anders te beslissen. Dat brengt mee dat moet worden beslist aan de hand van onbetwiste stukken, onweersproken gelaten stellingen en hetgeen aannemelijk voorkomt.

4.2.

In artikel 7:685 BW is bepaald dat ieder van partijen te allen tijde bevoegd is zich tot de kantonrechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden. Als gewichtige redenen worden beschouwd omstandigheden die een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 lid 1 BW opleveren alsmede veranderingen in de omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

4.3.

Een verzoek tot ontbinding kan pas worden ingewilligd indien de kantonrechter zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 648, 670, 670a BW of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Bij een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet namelijk buiten twijfel zijn dat het verzoek geen verband houdt met enig opzegverbod, mede omdat toewijzing van een ontbindingsverzoek verstrekkende gevolgen heeft voor de werknemer.

4.4.

[werkneemster] beroep op reflexwerking van de opzegverboden gaat niet op, nu het verzoek van OBGZ blijkens de in het geding gebrachte stukken niet is gegrond op haar (gestelde) arbeidsongeschiktheid, haar (gewezen) lidmaatschap van de ondernemingsraad of haar aanvraag voor ouderschapsverlof, maar op (met name) een verstoorde arbeidsrelatie.

4.5.

Verder wordt als volgt overwogen.

Tussen partijen is niet in geschil dat thans sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding.

[werkneemster] lijkt nog mogelijkheden te zien voor een vruchtbare voortzetting van het dienstverband, al dan niet door inzet van mediation. OBGZ heeft echter ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dergelijke mogelijkheden om diverse redenen volstrekt niet te zien. Het is naar het oordeel van de kantonrechter derhalve niet reëel om te verwachten dat van een vruchtbare voortzetting van de arbeidsverhouding in de toekomst nog sprake kan zijn. In zoverre is dus sprake van veranderingen in de omstandigheden van dien aard dat deze een gewichtige reden vormen voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

4.6.

Vervolgens ligt de vraag voor of aan [werkneemster], gelet op alle omstandigheden van het geval, een ontbindingsvergoeding naar billijkheid dient te worden toegekend. In dat verband dient te worden beoordeeld in wiens risicosfeer de reden van ontbinding is gelegen en of aan een van partijen ter zake in overwegende mate een verwijt treft.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

[werkneemster] heeft – getuige de hiervoor weergegeven correspondentie – gedurende de discussie over haar inroostering het standpunt ingenomen dat OBGZ slechts met haar instemming het voor haar per januari 2013 geldende rooster mocht wijzigen. Op dit standpunt is zij ter zitting teruggekomen; haar gemachtigde heeft desgevraagd meegedeeld dat OBGZ het rooster mocht wijzigen, ook zonder instemming van [werkneemster].

Voor zover [werkneemster] heeft willen betogen dat OBGZ zich inzake haar inroostering onredelijk heeft opgesteld, faalt dit betoog; uit de in het geding gebrachte stukken blijkt daarvan niet. OBGZ heeft, zo blijkt uit de hiervoor weergegeven correspondentie, getracht bij de inroostering zo veel mogelijk rekening te houden met [werkneemster] wensen. Dat deze niet, althans niet in de door haar gewenste mate, gehonoreerd werden, maakt nog niet dat sprake is van een onredelijke opstelling van OBGZ. Dat [werkneemster] zich hierbij niet kon – en, zoals ter zitting bleek, kan – neerleggen, dient voor haar rekening en risico te blijven.

Anders dan [werkneemster] betoogt, kan het niet voorstellen van mediation OBGZ bezwaarlijk worden verweten. [werkneemster] heeft immers in het gesprek van 25 oktober 2013, al dan niet gedreven door hevige emoties, gezegd de arbeidsrelatie te willen beëindigen en is daarna hierop niet teruggekomen, ook niet tijdens de nadien tussen de gemachtigden gevoerde onderhandelingen over beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft zij immers desgevraagd meegedeeld dat ook vanuit haar mediation voorafgaand aan de procedure niet aan de orde is geweest.

4.7.

[werkneemster] heeft op zichzelf terecht betoogd dat het Sociaal Plan in casu toepassing mist. Gelet echter op hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen, mede rekening houdend met leeftijd en duur dienstverband, is naar het oordeel van de kantonrechter de aangeboden vergoeding van € 12.000,00 bruto billijk. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat OBGZ onbetwist heeft gesteld dat zij wegens fors teruglopende subsidies in een dermate slechte financiële positie verkeert dat zij zich genoodzaakt ziet de komende tijd het personeelsbestand met 23 fte’s in te krimpen. Er is dus geen aanleiding om OBGZ de gelegenheid te geven het verzoek in te trekken.

4.9.

Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 15 maart 2014 en kent aan [werkneemster] ten laste van Bibliotheek Gelderland Zuid een vergoeding toe van € 12.000,00 bruto overeenkomstig het Sociaal Plan;

5.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2014.”

3 Het verzoek en het verweer

3.1

[werkneemster] verzoekt de beschikking die tussen partijen is gewezen (weergegeven onder ro. 2.2) te herroepen.

3.2

[werkneemster] onderbouwt haar verzoek als volgt, kort samengevat. Zij stelt dat zij na de ontvangst van de ontbindingsbeschikking, op 10 mei 2014, jaarrekeningen van OBGZ heeft ontvangen over 2012 en 2013 naar aanleiding van een ingediend WOB-verzoek. Volgens [werkneemster] zijn deze stukken van beslissende aard in het kader van de ontbindingsprocedure en zijn deze door OBGZ gedurende de procedure achtergehouden. [werkneemster] heeft zich vervolgens verder verdiept in de (financiële) situatie van OBGZ en naar eigen zeggen stukken gevonden waaruit blijkt dat OBGZ in de procedure met betrekking tot de financiële positie een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven en feiten heeft verzwegen die tot een voor [werkneemster] gunstiger afloop van de procedure had kunnen leiden.

3.3

OBGZ voert gemotiveerd verweer.

3.4

Op de stellingen en verweren zal hierna nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Een beschikking kan worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382 Rv, te weten:

  • -

    de beschikking berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;

  • -

    de beschikking berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld;

  • -

    één van de partijen heeft na de beschikking stukken van beslissende aard in handen gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

4.2

De stellingen die [werkneemster] in onderhavige procedure naar voren brengt, zien op de financiële positie van OBGZ en niet op de grondslag die aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag ligt, namelijk een onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.

Voor zover de stellingen van [werkneemster] doel treffen, dienen deze naar het oordeel van de kantonrechter slechts te leiden tot een heropening van het geding voor wat betreft de vaststelling van de hoogte van de ontbindingsvergoeding. In hetgeen [werkneemster] heeft aangevoerd, wordt echter geen aanleiding gezien tot heropening. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.3

Als eerste gaat de kantonrechter in op de stelling van [werkneemster] dat zij onder meer ten tijde van de ontbindingsprocedure psychische klachten had. Deze stelling levert geen grond op in de zin van artikel 382 Rv en treft alleen daarom al geen doel. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat, voor zover [werkneemster], althans haar gemachtigde, met de stelling bedoelt dat [werkneemster] tijdens de ontbindingsprocedure niet bekwaam was om de procedure te voeren, het op de weg van (de gemachtigde van) [werkneemster] had gelegen om dit tijdens de ontbindingsprocedure aan de orde te stellen.

4.4

Verder wordt als volgt overwogen.

In de ontbindingsprocedure heeft OBGZ gesteld dat zij wegens fors teruglopende subsidies in een dermate slechte financiële positie verkeert dat zij zich genoodzaakt ziet de komende tijd het personeelsbestand met 23 fte’s in te krimpen. De kantonrechter heeft deze stelling betrokken bij haar oordeel (onder 4.7 van de ontbindingsbeschikking) inzake de ontbindingsvergoeding.

4.5

[werkneemster] stelt in onderhavige procedure dat OBGZ ten aanzien van haar financiële positie een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven en feiten heeft verzwegen die tot een voor [werkneemster] gunstigere afloop van de procedure had kunnen leiden.

4.6

Naar het oordeel van de kantonrechter is echter niet komen vast te staan dat voornoemde stellingname van OBGZ onjuist is dan wel dat zij stukken van beslissende aard heeft achtergehouden. [werkneemster] erkent immers zelf, zo blijkt uit haar verzoekschrift, dat “de lagere subsidieverlening al in 2011 is aangekondigd” (punt 6) en dat uit het “reorganisatieplan 2014 fase 2 blijkt dat deze inkrimp de komende drie jaar zal plaatsvinden” (punt 8). Waarom OBGZ gelogen zou hebben waar zij heeft gewezen op de door haar wegens haar financiën gevoelde noodzaak tot personele inkrimping valt dan ook niet in te zien.

4.7

Voor zover [werkneemster], met haar verwijzing naar productie 40 bij het verzoekschrift in de ontbindingsprocedure, heeft willen betogen dat OBGZ heeft gelogen over haar financiële positie in die zin dat deze niet dermate slecht is dat geen ruimte is voor de door [werkneemster] (subsidiair) verzochte ontbindingsvergoeding leidt dit betoog niet tot het door haar gewenste resultaat. Daargelaten (beantwoording van) de vraag of sprake is geweest van een leugen, had het immers op de weg van [werkneemster] gelegen om in haar verweerschrift dan wel uiterlijk ter zitting in de ontbindingsprocedure dit gestelde bedrog “aan de kaak te stellen”. Gesteld noch gebleken is waarom dit niet redelijkerwijs van haar gevergd kon worden.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek tot heropening zal worden afgewezen. De vraag of, bij heropening, aan [werkneemster] een hogere vergoeding was toegekend, kan dan ook onbeantwoord blijven.

4.9

[werkneemster] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

5 De beslissing

De kantonrechter,

5.1

wijst het verzoek af;

5.2

veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van OBGZ begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2014.