Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5666

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
AWB-14_1927
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2015:5107, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan eiser is een naheffingsaanslag accijns opgelegd in verband met het voorhanden hebben van sigaretten die niet in heffing zijn betrokken. Rechtbank Gelderland verklaart het beroep van eiser tegen deze naheffingsaanslag ongegrond aangezien hij zowel de beschikkingsmacht over deze sigaretten had als de wetenschap dat de sigaretten niet in de heffing waren betrokken. Aan de vraag of dit na implementatie van de Accijnsrichtlijn 2008 nog is vereist, komt de rechtbank dan ook niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2112
mr. B.A. Kalshoven annotatie in NTFR 2014/2430

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/1927

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 9 september 2014

in de zaak tussen

[X], te Cyprus, eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 15 maart 2013 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) accijns opgelegd over de periode 14 maart 2013 tot en met 15 maart 2013 van € 1.984.645.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 oktober 2013 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 8 november 2013, ontvangen door de rechtbank op 11 november 2013, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2014. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [A].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1.

De Belastingdienst/FIOD (FIOD) is op 14 maart 2013 de loods aan de [A-straat 1] te [Q] binnengetreden. Daarbij zijn vijf verdachten, waaronder eiser, aangehouden in verband met het voorhanden hebben van accijnsproducten die niet in de heffing van de Wet op de accijns (WA) waren betrokken. Hierbij zijn 11.294.400 sigaretten van het merk [B] aangetroffen en inbeslaggenomen.

2.

De FIOD heeft van het verloop en de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek een proces-verbaal, gedagtekend 17 juni 2013 (het proces-verbaal), opgemaakt. In het proces-verbaal zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

“(…)

I-3 Strafbare feit

Verdachten [C], [D], [E], [F] en [X] worden verdacht van het opzettelijk voorhanden hebben van sigaretten, waarvan de verpakkingen voorzien zijn van het beeldmerk [B], die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken, strafbaar gesteld bij artikel 5 juncto artikel 97 Wet op de accijns, gepleegd op 14 maart 2013, althans in 2013 te [Q], althans in Nederland.

Artikel 5 juncto 97 Wet op de accijns

Het opzettelijk voorhanden hebben van een accijnsgoed, zijnde sigaretten, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken.

(…)

II-1 Aanleiding onderzoek FIOD

Op woensdag 13 maart 2013 hebben, na tussenkomst van het Douane Informatie Centrum (DIC), ambtenaren van de Douane contact gekregen met een chauffeur met de Duitse nationaliteit. Deze chauffeur had aangegeven dat hij iemand van de Douane wilde spreken. In een café in [R] heeft daarop een ontmoeting plaats gevonden. De chauffeur vertelde aan de Douane-ambtenaren dat:

- zijn vrachtwagen was geladen met 500.000 stuks sigaretten,

- hij zoveel mogelijk anoniem wilde blijven,

- hij al 7 maanden, 2 tot 3 keer per week, sigaretten vervoerde van Duitsland naar Nederland,

- hij daarvoor 150 tot 200 euro per keer ontving,

- hij wilde stoppen met het vervoeren van sigaretten omdat hij en zijn familie werden bedreigd,

- hij moest richting [S] rijden tot aan de afrit [001] op de A58 alwaar de sigaretten moesten worden afgeleverd,

- zijn vrachtauto zou worden overgenomen en hij deze zou terug krijgen als er was gelost,

- het volgens hem om minstens 2000 mastercases zou gaan en dat hij niet de enige chauffeur was die op deze wijze sigaretten vervoerde,

- de bovenste laag van de lading bestond uit snoepjes en dat daaronder sigaretten waren geladen,

Door de douane-ambtenaren is contact gezocht met opsporingsambtenaar [G] van de Belastingdienst/FIOD. In overleg hebben de ambtenaren daarop in de vrachtauto gekeken en 1 doos geopend. Daarbij zagen zij dat er in de doos sloffen sigaretten zaten van het merk [B].

In afwachting van de komst van een observatieteam van de FIOD is de vrachtauto door de douane-ambtenaren constant onder toezicht gehouden. Daarna is de vrachtauto door het observatieteam in observatie genomen.

(…)

V-1 Vermoedelijke modus operandi

Vanuit het buitenland (mogelijk vanuit Cyprus/Griekenland via Duitsland ) worden door een organisatie sigaretten, waarvoor geen belastingen zijn afgedragen, naar Nederland vervoerd. De chauffeur(s) krijgen per rit een bedrag betaald. In Nederland worden deze transporten op een afgesproken plaats opgewacht, waarna de geladen vrachtwagen door de chauffeur moet worden overgegeven. De vrachtwagen wordt naar een adres, [A-straat 1] te [Q], gereden waar een loods in gebruik is. Daar worden de sigaretten gelost door een aantal buitenlandse personen (Roemenen) die via advertenties zijn gelokt om in Nederland te komen werken. Deze personen worden ondergebracht in een door de organisatie gehuurd huis. De aansturing van deze mensen wordt gedaan door vermoedelijk twee Cyprioten waaronder verdachte [X]. Om de werkzaamheden in en rond de loods te kunnen uitvoeren zijn onder andere een heftruck, palletwagen en dergelijke aangeschaft. De ramen in de loods waarin wordt gewerkt zijn geblindeerd.

Wanneer de sigaretten in de loods zijn gelost worden deze verstopt in een deklading (rubberen tegels, snoepjes, isolatie en vloerplaten). De deklading wordt op dusdanige wijze behandeld dat er geheime bergplaatsen ontstaan. Vloerplaten en tegels worden bijvoorbeeld uitgehold. Daarna worden de sigaretten naar het Verenigd Koninkrijk gesmokkeld. De sigaretten zijn niet voorzien van accijnszegels en zijn gelet op het merk en de tekst bestemd voor de vrije markt in de UK.

(…)

V-2-2 aanhoudingen in de loods [A-straat 1] te [Q]

Op donderdag 14 maart 2013 zijn, nadat de vrachtauto achteruit in de loods was gereden, de vijf verdachten zoals hiervoor vermeld op heterdaad aangehouden. De verdachten waren bezig 2 pallets met witte dozen met opschrift [H] te lossen met behulp van een pompwagen en een vorkheftruck. In de loods is door de opsporingsambtenaar waargenomen dat er op het moment van aanhouden nog 12 pallets stonden met daarop dezelfde dozen met de opdruk [H].

V-2-3 Doorzoeking in de loods [A-straat 1] te [Q]

(..)

In de loods zijn een aantal pallets met dozen en een aantal pallets met rubberen tegels en platen aangetroffen. In de dozen zijn sigaretten aangetroffen van het merk [B]. (…)

In het proces-verbaal wordt een beschrijving gegeven van de loods en van hetgeen is aangetroffen en inbeslag genomen in de loods.

(…)

  • -

    1 Aantal pallets met witte (snoep) dozen gevuld met sigaretten die vermoedelijk net gelost waren uit de vrachtwagen (8)

  • -

    2 Kist met lege witte dozen, soortgelijk aan de dozen die in de vrachtwagen 8 en in loods (1) stonden

  • -

    3 Lege rubberen platen voorzien van compartimenten (deksel bovenkant was niet volledig verlijmd

  • -

    4 bruine overdozen gevuld met sigaretten en ingeseald met zwart plastic

  • -

    5 rubberen tegels gevuld met sloffen sigaretten

  • -

    6 lege reeds gevouwen overdozen, soortgelijk als de gevulde dozen (4)

  • -

    7 lege rubberen platen (3) en rubberen tegels (5)

  • -

    8 [I] huurauto met in vrachtwagen en op laadklep pallets met witte dozen (1)

  • -

    9 Lege platte witte dozen, soortgelijk aan dozen (1)

  • -

    10 Vuilnis/afval

(…)

Opgemerkt wordt dat in de vuilnis/afval (10) onder meer een tweetal lege verpakkingen van sigaretten en een lege slof zijn aangetroffen welke voorzien waren van het (beeld)merk [B]. Deze lege verpakkingen en slof zijn soortgelijk aan de verpakkingen en sloffen welke zijn aangetroffen in de rubberen tegels/bruine dozen/witte dozen.

V-2-4 huur loodsen [A-straat 1] in [Q] (…)

Op 14 maart 2013 is gehoord de verhurend makelaar van de loods aan de [A-straat 1] te [Q]. De heer (…) verklaarde onder andere dat:

  • -

    hij is benaderd door Melvin (…) met de vraag dat een kennis van hem uit Cyprus bedrijfsruimte zocht,

  • -

    na bezichtiging van meerdere loodsen is gekozen voor [A-straat 1],

  • -

    er naast Melvin (…) nog 3 personen aanwezig waren waaronder een persoon die Mike werd genoemd,

  • -

    (…)

In het dossier van de makelaar zaten kopieen van legitimatiebewijzen van [X] (…)

V-3 Verklaringen algemeen

Tijdens de verhoren zijn door de Roemeense verdachten verklaringen afgelegd. (…)

Verder verklaren ze allen dat ze werden aangestuurd door “Mike”, V5 [X]. Deze Mike zorgde er voor dat ze naar de loods werden gebracht om te werken (…)”

3.

Het Openbaar Ministerie heeft kenbaar gemaakt eiser strafrechtelijk te gaan vervolgen.

4.

Verweerder heeft naar aanleiding van de bevindingen in het proces-verbaal de in geding zijnde naheffingsaanslag aan eiser opgelegd.

Geschil

5.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiser is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

6.

De Raad van de Europese Unie heeft op 16 december 2008 Richtlijn 2008/118/EG (de Accijnsrichtlijn 2008), houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG uitgevaardigd. De wetgever heeft naar aanleiding van de Accijnsrichtlijn 2008 de WA dienovereenkomstig aangepast. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de WA is sindsdien bepaald dat onder uitslag tot verbruik wordt verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het gemeenschapsrecht en de nationale wetgeving. In artikel 51, aanhef en onderdeel b, van de WA is vervolgens bepaald dat, bij toepassing van het hiervoor genoemde artikel, de accijns wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben daarvan is betrokken.

7.

In het vroegere artikel 2f van de WA was bepaald dat als uitslag mede wordt aangemerkt het in strijd met artikel 5 van de WA vervaardigen van een accijnsgoed alsmede het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing is betrokken. De Memorie van Toelichting (MvT) op de onder 6. genoemde wijziging van de WA vermeldt ten aanzien van deze bepaling, voor zover hier van belang:

“(…)

De in de jurisprudentie van de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden voor toepassing van artikel 2f, zoals de feitelijke beschikkingsmacht en het wetenschapsvereiste, zijn voor de toepassing van het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, niet meer van belang. Ter zake van het in deze bepaling bedoelde «voorhanden hebben» wijst de Accijnsrichtlijn 2008 (artikel 8, eerste lid, onderdeel b) als belastingplichtige aan «de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of enig ander persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is». Dit betekent dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt.

De Accijnsrichtlijn 2008 vereist voorts niet dat degene die accijnsgoederen voorhanden heeft wetenschap droeg of redelijkerwijs had moeten dragen van het feit dat de goederen niet conform de wettelijke bepalingen in de heffing zijn betrokken (wetenschapsvereiste). Dit vereiste wordt door de Accijnsrichtlijn 2008 alleen gesteld in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling (artikel 8, eerste lid, onderdeel a, onder ii).

Op grond van artikel 80 van de wet, artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit accijns en artikel 54 van de Uitvoeringsregeling accijns moet aan de hand van bescheiden de herkomst van accijnsgoederen kunnen worden aangetoond, indien deze goederen worden vervoerd dan wel voorhanden zijn buiten een accijnsgoederenplaats. Indien degene die de accijnsgoederen voorhanden heeft de herkomst niet aan de hand van bescheiden kan aantonen, rust op hem de bewijslast; hij zal dan moeten aantonen dat de accijnsgoederen overeenkomstig de bepalingen van de wet in de heffing zijn betrokken (zie Hoge Raad 24 augustus 1999, nr. 34 164, BNB 1999/383). Indien hij daarin niet slaagt, is sprake van het in het nieuwe artikel 2, eerste lid, onderdeel b, bedoelde belastbare feit. De inspecteur kan de belasting dan van hem naheffen.

(…)”

8.

De Hoge Raad heeft onder de oude wettekst geoordeeld dat van voorhanden hebben slechts sprake is als de belanghebbende in kwestie geacht kan worden de feitelijke beschikkingsmacht over de bewuste goederen te hebben en tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing zijn betrokken (zie Hoge Raad 14 mei 2004, nr. 38 370, BNB 2004/289, ECLI:NL:HR:2004:AO9493). Volgens de Hoge Raad kan degene die accijnsgoederen in opdracht van derden vervoert of doet vervoeren dan wel onder zijn beheer opslaat of doet opslaan, terwijl hij de hoedanigheid van de goederen kent en daadwerkelijke toegang heeft tot die goederen, geacht worden de feitelijke beschikkingsmacht over deze goederen te hebben. In de hiervoor onder 7. aangehaalde passage uit de MvT is vermeld dat onder de Accijnsrichtlijn 2008 ook degene die noch de beschikkingsmacht heeft noch wetenschap heeft als belastingplichtige voor de WA kan worden aangemerkt. De rechtbank is echter op grond van de volgende overwegingen van oordeel dat eiser op 14 maart 2013 de feitelijke beschikkingsmacht over de sigaretten heeft gehad en heeft geweten, dan wel redelijkerwijs heeft moeten weten, dat deze sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de WA in de heffing zijn betrokken (het wetenschapsvereiste). Het antwoord op de vraag of de door de Hoge Raad ontwikkelde voorwaarden, zoals neergelegd in voornoemd arrest, onder de huidige WA nog van toepassing zijn, kan dan ook in het midden blijven.

9.

De rechtbank is, gelet op de hiervoor aangehaalde passages uit het proces-verbaal in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat verweerder tegenover de betwisting door eiser aannemelijk heeft gemaakt dat eiser wist dat er sigaretten naar de loods werden vervoerd en (vervolgens) onder zijn beheer in de loods werden opgeslagen en dat eiser toegang had tot deze sigaretten. Eiser is aangehouden op het moment dat hij, samen met vier anderen, 2 pallets met witte dozen met het opschrift [H] (in het proces-verbaal ook wel aangeduid als [H]) aan het lossen was uit de in het proces-verbaal genoemde vrachtwagen. In de loods stond een kist met lege witte dozen, soortgelijk aan de dozen die nog in de vrachtwagen stonden en die al in de loods stonden. Tevens bevonden zich in de loods een aantal lege platte witte dozen, die eveneens soortgelijk waren aan voornoemde witte dozen. Verder bevonden zich in de loods bruine overdozen gevuld met sigaretten, ingeseald in zwart plastic, lege gevouwen bruine overdozen en rubberen tegels gevuld met sigaretten. In het vuilnis is een tweetal lege verpakkingen van sigaretten en een lege slof aangetroffen welke voorzien waren van het (beeld)merk [B]. Tijdens de doorzoeking van de loods is vastgesteld dat de lege verpakkingen en de slof soortgelijk zijn aan de verpakkingen en sloffen die zijn aangetroffen in de rubberen tegels, de bruine dozen en de witte dozen. Verder volgt uit de verklaringen van degenen die meehielpen met het lossen van de pallets dat eiser degene was die hen naar de loods bracht om te werken. Uit de verklaring en het dossier van de verhurend makelaar volgt ten slotte dat eiser erbij was toen de loods (de bedrijfsruimte) werd bezichtigd en vervolgens uitgekozen.

10.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat in een situatie als de onderhavige, waarbij accijnsgoederen buiten de reguliere handel om binnen de landsgrenzen worden gebracht en worden vervoerd naar een loods met geblindeerde ramen en aldaar opgeslagen, eiser redelijkerwijs op de hoogte moet zijn geweest van de omstandigheid dat de sigaretten niet in de accijnsheffing waren betrokken. Gelet hierop is ook voldaan aan het wetenschapsvereiste.

11.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de naheffingsaanslag als een bestuurlijke boete kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 5:40, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Ingevolge dit artikel moet sprake zijn van een bestraffende sanctie (punitieve sanctie). Hiervan is in dit geval geen sprake nu belasting is nageheven overeenkomstig de bepalingen van de WA. Van een bestraffende sanctie (boete) is geen sprake.

12.

Verder kan de stelling van eiser dat sprake is van willekeur en détournement de pouvoir, omdat aan eiser wel, en aan de chauffeur van de vrachtwagen geen naheffingsaanslag is opgelegd, niet slagen. Eiser heeft deze stelling onderbouwd door erop te wijzen dat de chauffeur wel wetenschap had en eiser niet. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat ook eiser wetenschap had. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in strijd met voornoemde beginselen heeft gehandeld door de naheffingsaanslag aan eiser op te leggen. Verweerder mag immers kiezen en hoeft niet aan alle betrokkenen een naheffingsaanslag op te leggen.

13.

Ook hetgeen eiser overigens nog heeft aangevoerd kan niet tot het oordeel leiden dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan eiser is opgelegd. Nu deze naheffingsaanslag, zoals ook tussen partijen niet in geschil is, is berekend overeenkomstig de bepalingen van de WA, is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan eiser is opgelegd.

14.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

15.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.R. Richardson, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 9 september 2014

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.