Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5665

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-09-2014
Datum publicatie
11-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_6302
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 20 lid 6 WW; inkomstenaftrekregeling. Twee dienstbetrekkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 13/6302

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. J. Aberkrom),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder per 3 september 2012 de uitkering van eiseres ingevolge de Werkloosheidswet (WW) beëindigd.

Bij besluit van 19 februari 2013 heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 27 september 2012 herroepen en beslist dat eiseres recht heeft op een inkomstenaftrekregeling ingevolge de artikelen 20 en 35aa van de WW.

Nadien heeft verweerder bij besluit van 27 augustus 2013 (het bestreden besluit) het besluit van 19 februari 2013 herroepen en beslist dat de WW-uitkering van eiseres per 3 september 2012 is beëindigd. Verweerder geeft niettemin toepassing aan de zogenaamde inkomstenaftrekregeling over de periode van 3 september 2012 tot en met 24 februari 2013.

Eiseres heeft tegen het besluit van 27 augustus 2013 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten

vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berkt.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres was tot september 2011 in privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [werkgever], als analist voor 24 uur per week en als lid/secretaris van de OR AFSG voor 12 uur per week. De functie lid/secretaris van de OR AFSG is per 1 september 2011 vervallen. Verweerder heeft daarvoor aan eiseres met ingang van 1 september 2011 een uitkering ingevolgde de WW voor 12 uur per week toegekend. Per 1 september 2012 is eiseres aangevangen in een nieuwe functie voor 8 uur per week. Daarom heeft verweerder bij het primaire besluit de WW-uitkering van eiser per 3 september 2012 beëindigd.

Eiseres is het met deze beëindiging niet eens en maakt bezwaar omdat zij meent in aanmerking te komen voor toepassing van de zogenaamde inkomstenaftrekregeling. Dit bezwaar heeft verweerder eerst gegrond verklaard, doch is daar bij het bestreden besluit op terug gekomen. In dat bestreden besluit heeft verweerder betoogd dat eiseres niet in aanmerking komt voor de inkomstenaftrekregeling omdat eiseres in de week voorafgaand aan de werkhervatting niet volledig werkloos was.

2.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer niet langer werkloos is.

Ingevolge artikel 20, zesde lid, aanhef en onder b, van de WW, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, is het eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing op de werknemer, die ten minste 52 weken onafgebroken recht op uitkering heeft gehad, mits de werknemer werkzaamheden als werknemer gaat verrichten op een moment waarop sprake is van volledig verlies van zijn arbeidsuren terwijl geen recht bestaat op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.

Vanaf 1 januari 2013 luidt artikel 20, zesde lid, aanhef en onder b, van de WW dat het eerste lid, onderdeel b, niet van toepassing is op de werknemer die ten minste 52 weken onafgebroken recht op uitkering heeft gehad, mits de werknemer werkzaamheden als werknemer gaat verrichten nadat hij gedurende 13 aaneengesloten kalenderweken geen arbeidsuren heeft gehad.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is werkloos de werknemer die in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW wordt in deze wet onder arbeidsuur verstaan het uur waarover een werknemer inkomen uit arbeid heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 35aa, eerste lid, van de WW wordt de uitkering verminderd met 70% van het inkomen indien artikel 20, zesde lidartikel 20, zesde lid, onderdeel b, of negende lidnegende lid, van toepassing is.

3.

Tussen partijen is in geschil de uitleg van artikel 20, zesde lid, aanhef en onder b, van de WW indien, zoals bij eiseres het geval, sprake is van twee dienstbetrekkingen, waarvan de ene volledig vervalt en aldus een WW-uitkering wordt toegekend terwijl de andere functie blijft worden vervult. Doorslaggevend daarvoor is de uitleg van het begrip ‘zijn arbeidsuren’ in artikel 20, zesde lid, onder b, van de WW.

4.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft besloten dat eiseres niet in aanmerking komt voor de inkomstenaftrekregeling. Uitgangspunt is, zoals volgt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie onder meer de uitspraak van 8 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV3547)) dat, indien sprake is van meerdere dienstbetrekkingen waarin een werknemer werkzaam is, de omvang van het aantal uren in beide dienstbetrekkingen in aanmerking moet worden genomen voor de bepaling van het aantal arbeidsuren, als bedoeld in de WW. Geen aanknopingspunten bestaan om ervan uit te gaan dat het begrip arbeidsuren in artikel 20, zesde lid, onder b, van de WW anders dient te worden uitgelegd. De wijziging van artikel 20, zesde lid, onder b, van de WW per 1 januari 2013 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel omdat met die wetswijziging alleen de periode waarover het verlies van arbeidsuren dient plaats te vinden is veranderd doch niet het begrip arbeidsuren als zodanig.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder terecht ook de arbeidsuren uit de dienstbetrekking als analist heeft betrokken bij de vraag of sprake is van volledig verlies van arbeidsuren bij eiseres. Nu dat niet het geval was doordat eisers nog inkomen uit arbeid kreeg omdat zij werkte als analist heeft verweerder dan ook terecht geoordeeld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om voor toepassing van artikel 35aa van de WW, de zogenaamde inkomstenaftrekregeling, in aanmerking te komen. Het betoog van eiseres dat zij wel voor die regeling in aanmerking komt, faalt aldus.

5.

Eiseres heeft voorts in beroep betoogd dat het bestreden besluit van 27 augustus 2013 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Eiseres heeft pas op 27 augustus 2013 vernomen dat dat zij geen recht meer heeft op de inkomstenaftrekregeling. Derhalve dient eiseres in het kader van de rechtszekerheid gebruik te kunnen maken van de inkomstenaftrekregeling van 3 september 2012 tot en met 27 augustus 2013.

Verweerder heeft in reactie op deze beroepsgrond gesteld dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, omdat tot 24 februari 2013 de inkomstenaftrekregeling is toegepast.

Uit artikel 22a van de WW volgt dat verweerder is gehouden een besluit tot toekenning van een uitkering te herzien of in te trekken indien de uitkering ten onrechte tot een te hoog bedrag is verleend. Tegen de achtergrond van deze wettelijke herzieningsplicht van verweerder is de rechtbank van oordeel dat verweerder door vanaf 24 februari 2013 de inkomstenaftrekregeling niet meer toe te passen, niet onjuist heeft gehandeld. Het beroep van eiseres op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet.

6.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.C. van Dinther, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.