Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5653

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
05-09-2014
Zaaknummer
247732
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of volmacht rangwisseling is gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/247732 / HA ZA 13-513

Vonnis van 30 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QUADRATO BEHEERMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Veghel,

eiseres,

advocaat mr. L. Opsteen te Uden,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ONROEREND GOED MAATSCHAPPIJ

G & O INSTALLATIE DAKWERKEN B.V.,

gevestigd te Tiel,

gedaagde,

advocaat mr. B.J. Stuiver te Tiel,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. B.J. Stuiver te Tiel,

3. de naamloze vennootschap

DEUTSCHE BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.A. Stal te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Quadrato, G&O, [gedaagde sub 2] en Deutsche Bank genoemd worden, terwijl de laatste drie ook gezamenlijk als gedaagden aangeduid worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 januari 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 18 juni 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 december 2004 sluiten Quadrato en [gedaagde sub 2] blijkens een daarvan opgemaakte akte een overeenkomst van geldlening, waarbij [gedaagde sub 2] verklaart van Quadrato € 450.000,00 ter leen te hebben ontvangen. De rente beloopt 6% per jaar. De lening moet op 30 juni 2005 zijn afgelost. [gedaagde sub 2] staat er volgens art. 5 van de akte voor in dat G&O garant staat voor de geldlening en deze garantstelling vorm heeft gegeven door middel van een op 16 december 2004 verleden hypotheekakte waarbij G&O een hypotheek aan Quadrato heeft verstrekt ter verzekering van de vordering uit de geldlening.

2.2.

Deze hypotheekakte bevat een bepaling over een rangwisseling die er op neer komt dat de krachtens de akte van 16 december 2004 gevestigde hypotheek een hogere rangorde heeft dan het recht van hypotheek ten behoeve van G&O en [gedaagde sub 2] gevestigd bij akte van 17 juli 1998 en ingeschreven op 20 juli 1998.

2.3.

Op 14 juni 2005 vestigt G&O een recht van hypotheek ten behoeve van ABN AMRO Bank N.V., te dezen de rechtsvoorganger van Deutsche Bank, waarbij een rangwisseling plaatsvindt die volgens de hypotheekakte tussen Quadrato en de hypotheekgever is overeengekomen. Een desbetreffende volmacht rangwisseling is gedateerd 10 juni 2005 en draagt een handtekening voor Quadrato van [naam 1], enig aandeelhouder van Quadrato. [naam 1] is ook de schoonvader van [gedaagde sub 2].

3 Het geschil

3.1.

Quadrato vordert samengevat, na vermeerdering van de eis:

  • -

    een verklaring voor recht dat de handtekening onder de volmacht rangwisseling van 10 juni 2005 vals is en dat Quadrato derhalve deze niet heeft geplaatst, waardoor de volmacht rangwisseling alsmede de hypotheek met rangwisseling van 14 juni 2005 door middel van een kunstgreep tot stand zijn gekomen en beide akten op grond van het bepaalde in art. 3:49 Burgerlijk Wetboek (BW) jis. artt. 3:51 en 3:44 BW vernietigbaar zijn,

  • -

    een verklaring voor recht dat de hypotheek met rangwisseling van 14 juni 2005, althans voor zover het de rangwisseling betreft, vernietigd is althans deze te vernietigen,

  • -

    Quadrato te machtigen het vonnis in het kadaster in te schrijven zodat de rangwisseling ongedaan gemaakt wordt, danwel gedaagden hiertoe te veroordelen op straffe van een dwangsom,

  • -

    een en ander vermeerderd met de proceskosten en de kosten ad € 1.300,75 van de forensisch schriftexpert [naam 2].

3.2.

Quadrato stelt dat de onder 2.3 bedoelde handtekening vals is. Zij legt ter onderbouwing hiervan een rapport over van de forensisch schriftkundige [naam 2] van 14 april 2013 en een nader rapport van hem d.d. 7 maart 2014. De deskundige komt tot de conclusie dat het op het bedoelde stuk niet gaat om een handtekening van [naam 1], maar om “een betrekkelijk slecht gelukte nabootsing daarvan”. Indicaties die duiden op het tegendeel stelt de deskundige niet in het hem ter beschikking gestelde materiaal te hebben aangetroffen.

3.3.

Gedaagden voeren gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader in.

4. De beoordeling

4.1.

De eerste vraag die voorligt, is of de handtekening onder de volmacht vals is. De inhoud van de rapporten van de deskundige [naam 2] wordt door gedaagden betwist, met name met een beroep op het verschil in leeftijd tussen de onderzochte handtekeningen.

4.2.

Hierbij moet worden uitgegaan van de niet door partijen betwiste deskundigheid van de onderzoeker, die als forensisch schriftexpert naar partijen en de rechtbank bekend is, werkzaam is vanaf 1975. Gesteld noch gebleken is dat het de deskundige ontgaan zou zijn dat hij handtekeningen uit verschillende periodes vergeleken heeft.

4.3.

Deutsche Bank voert aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat handtekeningen in de loop der tijd kunnen veranderen en dat daarom de conclusie van de deskundige alleen juist kan zijn als het vergelijkingsmateriaal dateert van rond juni 2005. Enige wetenschappelijke onderbouwing van deze stelling ontbreekt, terwijl het evenzeer een feit van algemene bekendheid is dat de handtekening in de loop der jaren kan veranderen, zelfs ingrijpend, maar de persoon die hem zet, dezelfde blijft. Op de kenmerken van de wijze van schrijven van die persoon is, zoals uit het overgelegde rapport blijkt en de rechtbank ambtshalve bekend is, handschriftonderzoek gebaseerd. De stelling van Deutsche Bank dat de conclusie van de deskundige alleen juist kan zijn als het vergelijkingsmateriaal dateert van rond juni 2005 wordt door de rechtbank verworpen.

4.4.

De overige gedaagden voeren aan dat uit het rapport niet blijkt welke vraag aan de deskundige gesteld is. Dit betoog berust kennelijk op een onjuiste danwel onvolledige lezing van het rapport. De rechtbank passeert het daarom.

4.5.

Dat [gedaagde sub 2] aanvoert dat hij de valse handtekening niet heeft gezet of heeft laten zetten, raakt niet de valsheid van de handtekening zelf en is niet aan de orde. De vraag is slechts of de handtekening wel of niet door [naam 1] is gezet, niet door wie ze is gezet.

4.6.

De rechtbank is op grond van de beide rapporten van de heer [naam 2] en de verwerping van de weren in het voorgaande van oordeel dat de handtekening onder de op 10 juni 2005 gedateerde volmacht niet door [naam 1] geplaatst is.

4.7.

Dit betekent dat er geen sprake is van de instemming van Quadrato d.d. 10 juni 2005 met de rangwisseling waarnaar in de notariële akte van 14 juni 2005 wordt verwezen. Wat dit betreft bevat de notariële akte een onjuist gebleken mededeling. Er is geen volmacht tot rangwisseling gegeven en deze is dus niet tot stand is gekomen.

4.8.

Dit laatste raakt niet het hypotheekrecht van Deutsche Bank – al zou zij de hypotheek waarschijnlijk niet hebben genomen als zij zich bewust was geweest van het gebrek dat kleefde aan de rangwisseling – maar wel haar rang als hypotheekhouder.

4.9.

In haar verweer gaat Deutsche Bank niet in op de situatie dat er geen sprake is van rangwisseling, maar slechts op de situatie waarin deze vernietigbaar c.q. vernietigd is. Dit betekent dat zij in de gelegenheid gesteld zal moeten worden haar stellingen aan te passen.

4.10.

Voor de overige partijen is de constatering dat de rangwisseling niet tot stand gekomen is, in zoverre van belang dat Quadrato’s eis niet op die constatering is gestoeld. Ook zij moeten dus nog gelegenheid krijgen hun standpunten te herzien.

4.11.

Dit laat onverlet dat andere weren nu behandeld kunnen worden.

4.12.

[gedaagde sub 2] stelt dat er geen sprake is geweest van een geldlening van Quadrato aan hem, maar van een verschaffing van kapitaal om niet in de familiesfeer, ten titel van hetzij schenking hetzij voldoening aan een natuurlijke verbintenis, die ter vermijding van belastingheffing in de vorm van een lening is gegoten, zodat de zekerheidstelling in feite niets inhoudt. Deze stelling levert vragen op, die tot nu toe niet beantwoord zijn, bijvoorbeeld:

  1. Is er sprake van een schenking of van voldoening aan een natuurlijke verbintenis?

  2. Waarom was zekerheidstelling – en juist door Quadrato – nodig?

  3. Waarom vond de betaling plaats door Quadrato aan [gedaagde sub 2] als de achterliggende bedoeling van bevoordeling een rol speelde tussen [naam 1] en diens dochter, de echtgenote van [gedaagde sub 2]?

  4. Hoe is fiscaal de, zoals [gedaagde sub 2] het noemt, beëindiging van de geldlening geconstrueerd?

4.13.

Zonder dat deze vragen beantwoord zijn, bestaat er geen reële mogelijkheid de lening te zien als ‘verhullende transactie’, zoals in [gedaagde sub 2]’ antwoord wordt gedaan. Hij zal dan ook in de gelegenheid worden gesteld meer duidelijkheid te geven op dit onderdeel. Leidt dit tot een begrijpelijk verweer dat een ontkenning van het bestaan van de geldlening inhoudt, en betwist Quadrato de juistheid daarvan, dan zal [gedaagde sub 2] het bewijs van de juistheid van deze stelling worden opgedragen.

4.14.

G&O en [gedaagde sub 2] voeren vervolgens aan dat er mogelijk wel een geldlening is geweest tot 1 januari 2006, maar dan hooguit in de relatie met [gedaagde sub 2] en niet met G&O. Van een geldlening van G&O is echter in het geheel geen sprake. Zij heeft zekerheid verschaft voor de schuld van [gedaagde sub 2]. De datum van 1 januari 2006 noemen G&O en [gedaagde sub 2], zo blijkt uit hun conclusie van antwoord, omdat de lening verlengd kon worden tot aan die datum. Dit mag zo zijn, de conclusie dat de lening nu zij niet verlengd is, beëindigd is, is onjuist. Alleen tijdsverloop laat een lening niet vervallen, daartoe is aflossing of wilsovereenstemming van de betrokken partijen nodig en daarvan is niet gebleken.

4.15.

Het voorgaande leidt ertoe dat Deutsche Bank en [gedaagde sub 2] in de gelegenheid zullen worden gesteld zich uit te laten over de hierboven bedoelde onderwerpen. Quadrato zal daarop bij akte kunnen reageren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 13 augustus 2014 voor het nemen van een akte door Deutsche Bank over hetgeen is vermeld onder 4.8 en 4.9, door G&O en [gedaagde sub 2] over hetgeen is vermeld onder 4.10 en door [gedaagde sub 2] over hetgeen is vermeld onder 4.13, voor zover zij dat, waarna de Quadrato op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.