Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5645

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
C-05-248895 - HZ ZA 13-158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eisers, agrariërs, hebben bij Achmea een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten, waarin onder meer aansprakelijkheid voor schade voortvloeiende uit asbest is gedekt. Achmea heeft verzekering tegen einde contractdatum opgezegd en is niet bereid nieuwe polissen aan te bieden waarin het asbestrisico is gedekt.

Ten aanzien van lopende polissen heeft Achmea de verzekerden laten weten dat de dekking voor asbestschade komt te vervallen (en bloc-wijziging).

De rechtbank oordeelt dat Achmea verzekering mag opzeggen tegen einde contractdatum en dat Achmea vrij is om bij een nieuwe polis het asbestrisico niet meer te dekken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft Achmea onvoldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden aangevoerd om een tussentijdse aanpassing van de lopende verzekering te kunnen rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 1, p. 53
RAV 2015/18

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/248895 / HZ ZA 13-158

Vonnis van 3 september 2014

in de zaak van

1 [eiser sub 1],

wonende te [plaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [plaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [plaats],

4. de vennootschap onder firma [eiseres sub 4].,

gevestigd te [plaats],

5. de vennootschap onder firma [eiseres sub 5],

gevestigd te [plaats],

6. [eiser sub 6],

vennoot van eiseressen sub 4 en sub 5,

wonende te [plaats],

7. [eiseres sub 7],
vennoot van eiseressen sub 4 en sub 5,

wonende te [plaats],

8. [eiser sub 8],

wonende te [plaats],

9. de maatschap [eiseres sub 9],

gevestigd te [plaats],

10. [eiser sub 10],
maat van eiseres sub 9,

wonende te [plaats],

11. [eiseres sub 11],

maat van eiseres sub 9,

wonende te [plaats],

12. [eiser sub 12],

wonende te [plaats],

13. de maatschap [eiseres sub 13],

gevestigd te [plaats],

14. [eiseres sub 14],
maat van eiseres sub 13,

wonende te [plaats],

15. [eiser sub 15],

maat van eiseres sub 13,

wonende te [plaats],

16. de maatschap [eiseres sub 16],

gevestigd te [plaats],

17. [eiser sub 17],

maat van eiseres sub 16,

wonende te [plaats],

18. [eiser sub 18],
maat van eiseres sub 16,

wonende te [plaats],

19. de stichting STICHTING ASBEST,

gevestigd te Baarle-Nassau,

eisende partijen,

advocaat mr. H.E. de Leeuw-Blokland te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde partij,

advocaat mr. P.S.T. Hulsbergen Henning-Awater te Amsterdam,

De eisende partijen sub 1 tot en met 18 zullen hierna[eisers] worden genoemd. De eisende partij sub 19 zal hierna als Stichting Asbest worden aangeduid. De gedaagde partij zal hierna Achmea worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 30 april 2014

  • -

    de antwoordakte van[eisers] en Stichting Asbest.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Achmea biedt als verzekeraar een verzekering aan onder de naam ToplandLandbouwpolis voor onder meer de agrarische sector, met daarin onder meer dekking voor het aansprakelijkheidsrisico voor schade door asbest. Deze polis heeft een looptijd van 5 jaar.

2.2.

In de van voornoemde overeenkomst deel uitmakende verzekeringsvoorwaarden (productie 2 van[eisers] en Stichting Asbest) komen onder meer de navolgende bepalingen voor:

“(…)

2.1

Begripsomschrijvingen
(…)

Milieu-aantasting
De uitstoot, lozing, doorsijpeling, loslating of ontsnapping van enige vloeibare, vaste of gasvormige stof, voor zover die een prikkelende of een besmetting of bederf veroorzakende of een verontreinigende werking heeft in of op de bodem, de lucht, het oppervlaktewater of enig(e) al dan niet ondergronds(e) water(gang).

(…)

6.2.1

Bedrijfsaansprakelijkheid

Verzekerd is:


A. De aansprakelijkheid van verzekerde voor schade van derden mits:
1. de aanspraak terzake daarvan voor de eerste maal tegen verzekerde is ingesteld tijdens de geldigheidsduur van de verzekering en tevens tijdens deze geldigheidsduur schriftelijk bij Avéro Achmea is aangemeld of de aanspraak voortvloeit uit een omstandigheid, die tijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal bekend is geworden bij de verzekerde en schriftelijk bij Avéro Achmea is aangemeld; en
(…)

Indien een omstandigheid tijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal schriftelijk bij Avéro Achmea is aangemeld, zal de aanspraak die daaruit (ongeacht op welk tijdstip) voortvloeit, geacht worden te zijn ingesteld op de datum van melding van deze omstandigheid.

B. De aansprakelijkheid voor schade aan personen in verband met een milieu-aantasting.

(…)


Niet verzekerd is:
(…)

B. milieu-aantasting
De verzekering dekt onder deze rubriek niet de aansprakelijkheid van verzekerde voor schade aan zaken in verband met milieu-aantasting.
(…)
C. bereddingskosten eigen locatie
De kosten (door wie ook gemaakt) teneinde de milieuaantasting op en de gevolgen daarvan voor een locatie van verzekerde te beperken of ongedaan te maken, behoudens voor zover verzekerde aantoont, dat deze kosten tevens bereddingskosten zijn.(…)

6.2.2

Werkgeversaansprakelijkheid
(…)
Verzekerd is:

de aansprakelijkheid van verzekerde tegenover ondergeschikten voor schade uit ongeval of beroepsziekte verband houdende met het verrichten van activiteiten voor verzekerde mits:

1. de aanspraak terzake daarvan voor de eerste maal tegen verzekerde is ingesteld tijdens de geldigheidsduur van de verzekering en tevens tijdens deze geldigheidsduur schriftelijk bij Avéro Achmea is aangemeld of de aanspraak voortvloeit uit een omstandigheid die tijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal bekend is geworden bij de verzekerde en schriftelijk bij Avéro Achmea is aangemeld; en
(…)

Indien een omstandigheid tijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal schriftelijk bij Avéro Achmea is aangemeld, zal de aanspraak die daaruit (ongeacht op welk tijdstip) voortvloeit, geacht worden te zijn ingesteld op de datum van melding van deze omstandigheid.
(…)
10.7 Wijziging van premie en voorwaarden
a. Avéro Achmea heeft het recht de premie en/of de voorwaarden van bepaalde groepen dekkingen te wijzigen, waarbij die wijziging geldt voor alle dekkingen in die groepen.
b. Voor iedere dekking die tot een dergelijke groep behoort gaat de wijziging in op een door Avéro Achmea vast te stellen datum.
c. Avéro Achmea stelt u van de wijziging en de wijzigingsdatum in kennis. De wijziging gaat op de genoemde datum in, tenzij u binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving aan Avéro Achmea heeft bericht dat u niet akkoord gaat met de voorgestelde wijziging. In dat geval beëindigt Avéro Achmea de verzekering met ingang van de dag die in de kennisgeving als wijzigingsdatum stond vermeld.
(…).
10.9. Duur en einde verzekering
(…)
b. (…) Aan het einde van de contractduur wordt de verzekering telkens stilzwijgend voor dezelfde periode verlengd. (…)
d. Avéro Achmea kan de verzekering opzeggen per de contractsvervaldatum. Die opzegging is alleen geldig indien zij schriftelijk plaatsvindt en Avéro Achmea een opzegtermijn van minimaal twee maanden in acht neemt. (…)”[eisers]

2.3.

[eisers] had in maart 2011 een ToplandLandbouw polis bij Achmea.
Op de terreinen en in panden van[eisers] is asbest aanwezig of is asbest aanwezig geweest.

2.4.

Bij brief van 30 maart 2011 (productie 3 van[eisers] en Stichting Asbest) heeft Achmea (onder de handelsnaam Avéro Achmea) aan alle verzekerden die een ToplandLandbouw polis hadden (onder wie[eisers]) onder meer het volgende medegedeeld:

“(…)
U hebt bij ons een ToplandLandbouwPolis met een dekking voor aansprakelijkheid. Op deze aansprakelijkheidsdekking is schade door asbest tot op heden meeverzekerd. Dit verandert.
(…)

Asbestdekking vervalt
Op uw aansprakelijkheidsdekking sluiten we schade door asbest uit. Dit doen we door met deze brief:

a. a) uw huidige ToplandLandbouwPolis per contractvervaldatum op te zeggen (…)

b) een wijziging op uw lopende verzekering door te voeren; dit is een zogenoemde ‘en bloc- wijziging’. Voor u betekent dit concreet dat u vanaf 1 april 2011 niet langer verzekerd bent voor het aansprakelijkheidsrisico als gevolg van asbest. (...)

Waarom deze wijziging?

Al in 2003 hebben aansprakelijkheidsverzekeraars in Nederland de dekking voor schades ontstaan door asbest uit de polisvoorwaarden bij bedrijven verwijderd. Op dat moment heeft Avéro Achmea op de ToplandLandbouwPolis de dekking in stand gehouden, op basis van de toen aanwezige kennis over asbest.

Inmiddels zijn er andere inzichten ten aanzien van de omgang met asbest. Recent heeft de Gezondheidsraad gewezen op de hogere risico’s van asbest. De risico’s voor ons als verzekeraar zijn hierdoor zo groot geworden dat ook Avéro Achmea deze niet langer kan verzekeren.

Wat betekent dit voor uw verzekering?

a. a) Het opzeggen van uw contract per contractvervaldatum

Met deze brief zeggen wij uw ToplandLandbouwPolis op per contractvervaldatum. (...) Daarom sturen wij u vóór die contractvervaldatum een voorstel voor een nieuwe verzekering.

b) De tussentijdse aanpassing van uw lopende aansprakelijkheidsdekking
(‘en bloc-wijziging’)
Op grond van de verzekeringsvoorwaarden hebben wij het recht om de premie en/of de voorwaarden van bepaalde groepen dekkingen in één keer en voor alle verzekerden van die groep tegelijk te wijzigen. Wij maken gebruik van dit recht om ‘en bloc’ de voorwaarden van de dekking Aansprakelijkheid te wijzigen. Dat doen we met een clausule die u vindt onder aan deze brief.

Deze wijziging gaat in op 1 april 2011 (…).

Door deze aanpassing hebt u het recht om uw ToplandLandbouwPolis op te zeggen. Dit kunt u doen tot een maand na dagtekening van deze brief. Uw verzekering eindigt dan op
1 april 2011. Wenst u geen gebruik te maken van dit recht, of reageert u niet binnen de genoemde termijn, dan betekent dit dat u instemt met deze wijziging.
(…)

Melden van schade

Het kan zijn dat u na ontvangst van deze brief nog aansprakelijk wordt gesteld in verband met gezondheidsklachten door asbest die zijn ontstaan vóór 1 april 2011. Die schade mag u tot een jaar na 1 april 2011 bij ons melden. Deze zogenoemde namelding nemen wij dan gewoon in behandeling.
(...)

Clausule

Uitsluiting asbest, namelding

Met uitzondering van de dekking Particuliere aansprakelijkheid, zoals omschreven in 6.1 van de verzekeringsvoorwaarden, is met ingang van 1 april 2011 de aansprakelijkheid voor schade door, voortvloeiende uit of verband houdend met asbest van deze verzekering uitgesloten. In afwijking hierop heeft u het recht om tot 1 april 2012 aanspraken na te melden die voortvloeien uit een zich geopenbaarde asbestziekte en/of daarmee verband houdende concrete gezondheidsklachten, onder de voorwaarde dat de oorzaak van deze asbestziekte en/of klachten is gelegen in de periode voor 1 april 2011. Een aanspraak die conform het voorgaande door u wordt gemeld, wordt toegerekend aan het verzekeringsjaar direct voor 1 april 2011.”

2.5.

Diverse verzekerden hebben in april 2011 bij Achmea schriftelijk geprotesteerd
tegen de beëindiging van de asbestdekking.

2.6.

Bij brief van 28 april 2011 (productie 6 van[eisers] en Stichting Asbest) heeft de stichting Asbest bij Achmea geprotesteerd tegen de opzegging van de verzekering en de uitsluiting van asbestschade onder de aansprakelijkheidsdekking per 1 april 2011 en aan Achmea verzocht om de opzegging in te trekken en het asbestrisico onder de aansprakelijkheidsdekking onverkort te blijven verzekeren.

2.7.

Achmea heeft de bezwaren van de verzekerden en van de stichting Asbest bij brieven van 15 juni 2011 van de hand gewezen.

2.8.

Diverse verzekerden hebben bij brieven van eind maart 2012 aan Achmea mededeling gedaan van de aanwezigheid van asbest op hun bedrijf en de daarmee verband houdende risico’s, dit voor het geval dat zij in de toekomst aansprakelijk zullen worden gesteld voor gezondheidsschade van derden als gevolg van de risico’s van asbest.
Achmea heeft in juli 2012 onder verwijzing naar voormelde brief van 30 maart 2011 aan deze verzekerden te kennen gegeven dat de overgangsperiode tot 1 april 2012 inmiddels is verstreken alsmede dat toekomstige meldingen van dergelijke aansprakelijkheidstellingen door derden door haar niet in behandeling zullen worden genomen.

2.9.

Nadien is nog tussen diverse verzekerden en de stichting Asbest met Achmea gecorrespondeerd, zonder dat dit tot wijziging van het standpunt van Achmea heeft geleid.

3 De vordering

3.1.

[eisers] en Stichting Asbest vorderen dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1.a. voor recht zal verklaren dat de beëindiging door Achmea bij brief van 30 maart 2011 van de asbestdekking onder de aansprakelijkheidsdekking van de ToplandLandbouwpolis per
1 april 2011 door middel van een en bloc-wijziging geen stand houdt en geen rechtsgevolg heeft;
1.b. voor recht zal verklaren dat de beëindiging door Achmea bij brief van 30 maart 2011 van de asbestdekking onder de aansprakelijkheidsdekking van de ToplandLandbouwpolis per
1 april 2011 door middel van een opzegging van de verzekering tegen contractvervaldatum geen stand houdt en geen rechtsgevolg heeft;

2.a. Achmea zal veroordelen om binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis de aansprakelijkheidsdekking voor asbestschades, na 1 april 2011 alsook na contractvervaldatum, voort te zetten zulks tegen de voorwaarden en condities die voordien golden, althans aan haar verzekerden een dergelijke aansprakelijkheidsdekking voor asbestschade aan te bieden, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100.000,-- per dag voor iedere dag dat Achmea in gebreke blijft om hieraan te voldoen;

2.b. Achmea zal gebieden om meldingen ter zake asbestschades en aansprakelijkheden daarvoor die onder de onder [1]a. bedoelde verzekering door verzekerden (alsnog) worden gedaan in behandeling te nemen en daarvoor dekking te verlenen conform de polisvoorwaarden, zonder een beroep erop te doen dat deze melding niet tijdig zou zijn gedaan, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per keer voor iedere keer dat Achmea in gebreke blijft om hieraan te voldoen;

3. Achmea zal gebieden om meldingen door verzekerden met een ToplandLandbouwpolis te accepteren van onder meer omstandigheden voor 1 april 2011 waaruit nog aanspraken voor asbestschades kunnen voortvloeien en van asbestschades en aanspraken die hun oorzaak vinden voor 1 april 2011 en voor deze meldingen dekking te verlenen onder de voor 1 april 2011 geldende verzekering en haar verzekerden in de gelegenheid te stellen om deze meldingen te doen, zonder dat Achmea een beroep erop doet dat deze melding niet tijdig zou zijn gedaan, zulks op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per keer voor iedere keer dat Achmea in gebreke blijft om aan dit gebod te voldoen;

4. Achmea zal gebieden om binnen 14 dagen na het in deze te wijzen vonnis aan verzekerden schriftelijk mede te delen dat de aansprakelijkheidsdekking voor asbestschade per 1 april 2011 wordt voortgezet en dat verzekerden de gelegenheid hebben om meldingen te doen zoals onder het hiervoor gevorderde onder 2.b. en 3. bedoeld, dit alles op straffe van een dwangsom van
€ 10.000,-- per dag voor iedere dag dat Achmea in gebreke blijft om aan dit gebod te voldoen;
5. Achmea zal gebieden om binnen een maand na het in deze te wijzen vonnis een duidelijk en goed leesbare mededeling te plaatsen van het hiervoor onder 4. gevorderde, in een landelijk verschijnend agrarisch week- of maandblad, een en ander op straffe van een dwangsom van
€ 10.000,-- per dag voor iedere dag dat Achmea in gebreke blijft om aan dit gebod te voldoen;

6. Achmea zal veroordelen in de kosten van dit geding, die van de nakosten daaronder begrepen en de wettelijke rente over deze kosten en nakosten wanneer deze niet binnen
14 dagen na het vonnis zijn betaald.[eisers]

3.2.

[eisers] en Stichting Asbest leggen aan hun vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

Stichting Asbest heeft tot doel de behartiging van de belangen van ondernemers en particulieren zodat deze personen voldoende verzekerd zijn en blijven voor onder meer het risico van aansprakelijkheid voor asbestschade. Het voeren van collectieve acties om dit zowel binnen als buiten rechte te bereiken valt onder de statutaire doelstelling van Stichting Asbest. Achmea is niet ingegaan op het voorstel van Stichting Asbest om over de beëindiging van de asbestdekking in overleg te treden.

In artikel 6.2.1A van de ToplandLandbouwpolis is bepaald dat de claim tijdens de looptijd

van de verzekering bij Achmea moet zijn gemeld, wil er aanspraak op dekking zijn.
In artikel 6.2.1B van deze polis, waarin asbestschade aan personen wordt geregeld, wordt niet de eis gesteld dat de claim tijdens de looptijd van de verzekering moet worden gemeld. Deze polisbepaling heeft geen claims made-karakter. Er is sprake van een act committed polisbeding. Voor dekking is voldoende dat de aantasting aan de persoon heeft plaatsgevonden tijdens de looptijd van de verzekering.[eisers] is reeds lang bij Achmea verzekerd en hij heeft van Achmea altijd begrepen dat er dekking bestaat, indien de asbestbesmetting tijdens de looptijd van de verzekering heeft plaatsgevonden.
Schadelijke gevolgen van asbest komen veelal pas aan het licht tientallen jaren nadat men met asbest in aanraking is geweest. Asbestschades waarvoor[eisers] mogelijk aansprakelijk zal zijn, zullen zich, gezien de veelvuldige toepassing van asbest in de bouw gedurende de 70-er en 80-er jaren, juist de komende jaren gaan manifesteren. De schadelijke gevolgen van asbest, zoals asbestkanker, zijn zeer ernstig en kunnen tot grote schades leiden. Bij[eisers] is veelal sprake van kleine ondernemingen. Het is van groot belang voor (de continuïteit van)[eisers] dat[eisers] voor dergelijke schades verzekerd is.
De reden voor beëindiging van de dekking is niet gegrond. Een gewijzigd inzicht van de Gezondheidsraad ten aanzien van het risico van asbest kan geen reden zijn om een overeengekomen dekking (met onmiddellijke ingang) te beëindigen. De feitelijke omvang van het risico dat Achmea loopt is immers niet gewijzigd, slechts de vermeende stand van de wetenschap/het inzicht daarover binnen de wetenschap is gewijzigd. Er is geen sprake van een in het kader van de verzekeringsovereenkomst onvoorziene omstandigheid.
Zowel de polisvoorwaarden als de wet schrijven bij een tussentijdse opzegging een opzegtermijn voor en een gegronde reden. Achmea heeft geen opzegtermijn in acht genomen doordat zij bij brief van 30 maart 2011 de dekking per 1 april 2011 heeft opgezegd. De beëindiging kan geen rechtsgevolg hebben.
Er is geen sprake van een wijziging van voorwaarden en/of premie, maar van beëindiging van een deel van de overeengekomen dekking. De “en bloc-clausule” is niet van toepassing en kan om die reden niet voor de onderhavige beëindiging/intrekking van de asbestdekking worden gebruikt.
De ratio van het in artikel 7:940 lid 4 BW geregelde opzeggingsrecht van de verzekerde is om de verzekerde te beschermen door hem in de gelegenheid te stellen zich elders te verzekeren. In het onderhavige geval heeft de verzekerde, gezien de onmiddellijke beëindiging, niet de gelegenheid om zich tijdig te herverzekeren. Bij opzegging vervallen alle dekkingen onder de polis en niet slechts de aansprakelijkheidsdekking.
Aansprakelijkheid voor schade die door asbest is ontstaan tijdens de verzekerde periode valt onder de dekking. De beëindiging van de asbestdekking per 1 april 2011 door de opzegging van de polis en “en bloc- wijziging” kan niet tot gevolg hebben dat aansprakelijkheid voor asbestschade die haar oorzaak vindt in de periode voor 1 april 2011, niet meer verzekerd is.
De beëindiging van de asbestdekking door middel van opzegging van de overeenkomst en de ”en bloc-wijziging” is in strijd met de verplichtingen uit de verzekeringsovereenkomst. Achmea onttrekt zich eenzijdig aan haar verplichtingen. Door de jarenlange dekking is bij verzekerden het vertrouwen ontstaan dat Achmea schades die door asbest zouden worden veroorzaakt zou dekken. Door na 2003 de dekking voort te zetten, terwijl andere verzekeraars het asbestrisico niet meer wensten te verzekeren, is door Achmea bij de verzekerden het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat deze dekking zou worden behouden. Achmea is voorbij gegaan aan het maatschappelijk belang dat (toekomstige) asbestslachtoffers verhaalsmogelijkheden hebben voor hun schade.
De eenzijdige intrekking van de tussen verzekeraar en verzekerde - jarenlang - overeengekomen verzekeringsdekking is in strijd met meerdere onderdelen van de Gedragscode Verzekeraars die in 2002 door het Verbond van Verzekeraars is opgesteld.
Verzekerden hebben op grond van artikel 7:942 BW 3 jaar het recht om bij de verzekeraar aanspraak te maken op dekking. Nu de asbestdekking per direct is beëindigd en slechts gedurende een jaar enkel aanspraken voor concrete schades gemeld kunnen worden, wordt aan verzekerden het recht ontnomen om nog schades die voor 1 april 2011 zijn ontstaan te melden. De nameldingsmogelijkheid is gelet op de overeengekomen dekking en de wet te beperkt.
De opzegging van de verzekering per contractvervaldatum is in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.[eisers] is jarenlang verzekerd geweest voor schade veroorzaakt voor asbest en heeft daarvoor premie betaald. Een dergelijke dekking kan dan ook niet plotsklaps en juist in het zicht van schades beëindigd worden, zeker niet voor schades die hun oorzaak vinden voor 1 april 2011. Achmea miskent niet alleen het bijzonder karakter van de asbestaansprakelijkheid, de aard, ernst en omvang van asbestschades, de lange incubatietijd maar ook het zwaarwegende belang van verzekerden bij handhaving van de dekking.
Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Achmea bij de nieuwe verzekering niet langer dekking verleent voor asbestschade.

Indien een verzekeraar de polis wil wijzigen moet je als verzekerde daarover kunnen klagen. Voor de onderhavige verzekerden (ondernemers) bestaat die mogelijkheid niet omdat het Kifid geen klachten van bedrijven in behandeling neemt.

4 Het verweer

4.1.

Achmea concludeert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad[eisers] en Stichting Asbest niet-ontvankelijk zal verklaren in hun vorderingen, althans hun deze zal ontzeggen met hun veroordeling in de kosten van het geding, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en - voor het geval voldoening van de proceskosten inclusief de nakosten ad € 131,-- zonder betekening dan wel € 199,-- in geval van betekening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten inclusief de nakosten, te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.2.

Achmea voert de navolgende verweren aan.

Stichting Asbest dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vorderingen omdat zij geen belang heeft bij haar vorderingen, de vorderingen zoals geformuleerd niet door middel van een collectieve actie kunnen worden toegewezen, niet is gebleken dat de belangen van de personen ten behoeve van wie de vorderingen zijn ingesteld voldoende zijn gewaarborgd, de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en onduidelijk zijn geformuleerd, en Stichting Asbest noch de door haar ingestelde vorderingen voldoen aan de minimale vereisten die in artikel 3: 305a BW, in de Aanbeveling van de Europese Commissie d.d. 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten (2013/396/EU), hierna: de Europese Aanbeveling, en in de Claimcode 2011 aan Stichting Asbest en de vorderingen worden gesteld.

Sinds 2003 biedt het overgrote deel van de Nederlandse verzekeraars onder bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen geen dekking meer voor schades door asbest. In 2003 heeft ook Achmea naar aanleiding van de toen bestaande inzichten en de kennis van de risico’s besloten het asbestrisico niet langer te dekken. Dit gold niet voor bestaande klanten. De solidariteit met de verzekerden die al een polis hadden, heeft een rol gespeeld bij de beslissing om voor bestaande klanten niets te veranderen. Nieuwe verzekerden konden het asbestrisico niet meer bij Achmea verzekeren.

Op grond van het rapport van de Gezondheidsraad van 3 juni 2010 is duidelijk geworden dat het gezondheidsrisico van asbest 20 tot 40 maal groter is dan voorheen algemeen werd aangenomen. In een brief van 15 februari 2011 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu in reactie op evengemeld rapport aangekondigd dat wordt ingezet op het maximaal verwijderen van de hoeveelheid asbest in de leefomgeving. Sinds 1 juli 1993 geldt in Nederland een verbod op productie, toepassing en hergebruik van asbest en asbesthoudende producten. Dit betekent dat de asbesthoudende golfplaten die zich in Nederland bevinden meer dan 20 jaar oud zijn. Lange tijd heeft bij de asbestproblematiek als uitgangspunt gegolden dat zolang hechtgebonden asbest onberoerd werd gelaten, de asbest geen risico vormt. Dit beeld veranderde met de publicatie van een in opdracht van de VROM-Inspectie opgesteld rapport van TNO Bouw en Ondergrond van 28 november 2007 met als onderwerp “Oriënterend onderzoek naar de verspreiding van asbestvezels in het milieu vanuit verweerde asbestcementdaken”. Uit het rapport blijkt dat vrijwel alle asbestcementdak- en gevelplaten in Nederland matig tot ernstig verweerd zijn. In het rapport komt de volgende passage voor:

“Ondanks de gestage emissie van asbest vanuit asbestcementdaken zal het actuele blootstellingsrisico als gevolg hiervan veelal verwaarloosbaar zijn (asbestvezelconcentraties kleiner dan VR-Niveau). Het uiteindelijke blootstellingsrisico hangt af van de specifieke situatie. Blootstelling in de buitenlucht kan, op basis van de vele metingen, vrijwel altijd als verwaarloosbaar worden beschouwd.”
Het lijkt aannemelijk dat deze conclusie in de loop der tijd minder positief zal worden, te meer als de grenswaarden VR-niveau (Verwaarloosbaar Risico-niveau) en MTR-niveau (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau) drastisch naar beneden zullen worden bijgesteld. De door de Gezondheidsraad voorgestelde nieuwe grenswaarden liggen met een factor 30 à 40 lager dan de huidige MTR-waarde. Daarnaast werd door verzekerden het saneren van een oud, verweerd asbestdak als bereddingskosten geclaimd. Achmea heeft nooit beoogd dergelijke kosten te verzekeren. Bij de berekening van de premie en de reservering van de voorzieningen is hiermee geen rekening gehouden. Op de verzekeringnemers rust in de eerste plaats een zorgplicht om te voorkomen dat er een gevaar ontstaat op zijn bedrijfsterrein. Het is de eigen verantwoordelijkheid van verzekeringnemers om tijdig maatregelen te treffen en het asbest te vervangen. Van de claims op vergoeding van bereddingskosten is een grote dreiging uitgegaan richting Achmea. Achmea wilde niet riskeren dat zij in een procedure de discussie zou verliezen, in welk geval de continuïteit van Achmea in gevaar zou kunnen komen.
De claims ten aanzien van de bereddingskosten waren de belangrijkste aanleiding om het asbestrisico niet langer te dekken. Ook onder meer het hangmat-arrest van de Hoge Raad en de verdere ontwikkelingen in de jurisprudentie zijn voor Achmea aanleiding geweest om het standpunt ten aanzien van dekking van het asbestrisico in 2011 te herzien. In het licht van het vorenstaande was het voor Achmea niet langer verantwoord om schade door asbest onder de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering te dekken. De juistheid van dit standpunt wordt bevestig door het feit dat de meeste verzekeraars in 2003 dekking van het asbestrisico
hebben beëindigd en inmiddels geen enkele verzekeraar meer een (standaard) asbestdekking voor bedrijven biedt. Dit is maatschappelijk geaccepteerd. Door de nieuwe inzichten van de Gezondheidsraad en de aangekondigde aanscherping van de regelgeving is duidelijk dat het asbestrisico groter is dan voorheen werd gedacht. Het risico dat de gestaag verwerende asbestdaken (die inmiddels al meer dan 20 jaar oud zijn) in de niet al te verre toekomst tot asbestbesmetting leiden, wordt alleen maar groter. Betwist wordt dat een gewijzigd inzicht van het risico van asbest geen valide reden voor het verwijderen van asbestdekking kan zijn. Niet valt in te zien dat Achmea niet gerechtigd is hetzelfde te doen wat andere verzekeraars al jaren geleden hebben gedaan. De wijziging ziet op 3.105 ToplandLandbouwpolissen.
Het enkele feit dat Achmea in 2003 uit solidariteit voor bestaande klanten een andere afweging heeft gemaakt, betekent niet dat een gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn ontstaan dat de “extra dekking” voor altijd zou blijven bestaan. Betwist wordt dat verzekeringnemers voor de asbestdekking een extra premie hebben betaald.
Op grond van de polisvoorwaarden (artikel 6.2.1. sub A) dient een aanspraak tijdens de geldigheidsduur van de verzekering voor de eerste maal te zijn ingesteld en dient de aanspraak tijdens de geldigheidsduur van de verzekering schriftelijk bij Achmea te zijn aangemeld. Dit geldt ook voor de dekking van de aansprakelijkheid voor schade aan personen in verband met een milieuaantasting als genoemd onder artikel 6.2.1. sub B. De ToplandLandbouwpolis biedt geen dekking voor aanspraken en omstandigheden jegens verzekerden in de toekomst. Met een beroep op artikel 7:942 BW kan een dergelijke dekking niet worden gecreëerd, omdat er in voormelde gevallen geen sprake is van een (opeisbare) vordering op Achmea.
Achmea is op grond van artikel 7:940 lid 1 BW en artikel 10.9 van de polisvoorwaarden gerechtigd de verzekering tegen het einde van de looptijd op te zeggen. Er is geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die er aan in de weg staan dat Achmea van die bevoegdheid gebruik maakt.
Achmea is op grond van artikel 7:940 lid 4 BW en artikel 10.7 van de polisvoorwaarden gerechtigd om de voorwaarden te wijzigen. Hieronder valt de mogelijkheid om de dekking van de verzekering te beperken door het verwijderen van de asbestdekking. Achmea betwist dat gebruikmaking van die mogelijkheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Uitgangspunt is dat het een verzekeraar vrij staat de grenzen vast te stellen waarbinnen zij bereid is dekking te verlenen. Deze grenzen zijn aan verandering onderhevig door nieuwe inzichten en ontwikkelingen. De schadelast voor verzekeraars stijgt door ontwikkelingen, inclusief ontwikkelingen in het recht, al geruime tijd. Deze ontwikkelingen rechtvaardigen ingrepen, waardoor exorbitante premieverhogingen en/of een weinig solvabele verzekeraar worden voorkomen, waarmee het belang van alle verzekerden is gediend. Het handelen van Achmea is in het belang van al haar verzekerden en is in lijn met hetgeen maatschappelijk geaccepteerd is, nu geen enkele verzekeraar meer asbestdekking aanbiedt. Sinds 2003 is het ook niet meer mogelijk dit risico te herverzekeren.
Het verwijt dat Achmea de asbestdekking heeft beëindigd op het moment dat de schades zich gingen openbaren, is onterecht. Gesteld noch gebleken is dat in de afgelopen jaren sinds de en bloc-wijziging (een veelheid aan) aanspraken voor asbestschades zijn ontstaan.
Het handelen van Achmea is evenmin in strijd met de Gedragscode Verzekeraars, nu deze Gedragscode onverlet laat dat Achmea gebruik mag maken van de rechten die haar op grond van de wet en de verzekeringsvoorwaarden toekomen. Achmea heeft de Gedragscode en drie kernwaarden waarop deze is gebaseerd in acht genomen bij het doorvoeren van de wijziging. In het belang van haar eigen continuïteit, en derhalve in het belang van al haar verzekerden, is Achmea tot de conclusie gekomen dat de dekking voor asbestrisico’s niet langer mogelijk is.
De polis van eisers sub 2, 3, 4, 8, 12/15 en 16 is beëindigd. Deze eisers hebben geen belang meer bij de vorderingen voor zover deze zien op de periode na het beëindigen van hun verzekering.
De vorderingen onder 3.1.1.a en 3.1.1.b kunnen jegens anderen dan[eisers] niet worden toegewezen omdat een verklaring voor recht dat een rechtshandeling jegens anderen dan partijen bij de procedure geen rechtsgevolg heeft, niet kan worden toegewezen. Voor zover de vorderingen verder strekken dan het belang van de ondernemers, dienen de ondernemers niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.
De vorderingen onder 3.1.2.b en 3.1.3 moeten worden afgewezen omdat deze zich lijken te richten op alle meldingen onder de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering, terwijl voor een dergelijke ruime bevoegdheid geen rechtvaardiging wordt gegeven. Voort geldt dat of, en zo ja in hoeverre, een melding in behandeling wordt genomen en dekking wordt verleend een individuele beoordeling van het concrete geval vergt, waartoe Achmea het recht heeft.
Op verzekeringnemers rust de plicht in geval van dreigende schade hiervan zo spoedig mogelijk melding te maken bij Achmea. Omstandigheden van voor 1 april 2011 waaruit aanspraken voor asbestschade kunnen voortvloeien hadden ook voor 1 april 2011 gemeld moeten worden. Indien[eisers] nog meldingen doet van dergelijke omstandigheden van voor 1 april 2011 is hij te laat.[eisers] heeft niet gesteld waarom Achmea geen beroep zou toekomen op het feit dat de melding te laat heeft plaatsgevonden.
De vordering onder 3.1.4 dient te worden beperkt tot de verzekerden die met Achmea een ToplandLandbouwpolis hebben gesloten.[eisers] en Stichting Achmea hebben niet toegelicht waarom het nodig zou zijn naast een mededeling aan haar verzekeringnemers, tevens een publicatie te plaatsen in een landelijke verschijnend week- of maandblad.
Een termijn van 14 dagen is te kort om aan een (deel) van de vorderingen te kunnen voldoen. Achmea heeft daarvoor minimaal een termijn van 3 maanden nodig.
Achmea zal aan een veroordeling voldoen, zodat het opleggen van een dwangsom achterwege kan blijven. Ten aanzien van de vorderingen onder 3.1.2 en 3.1.3 mist een dwangsom haar doel. De dwangsom is te hoog.
en Stichting Asbest hebben geen belang bij de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Ook voor eisers zal duidelijkheid omtrent de asbestdekking eerst ontstaan op het moment dat een uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Achmea heeft een groot belang dat de executiebevoegdheid tot dat moment geschorst blijft.

5 De beoordeling

de ontvankelijkheid van Stichting Asbest

5.1.

Op grond van artikel 3:305a lid 1 BW kan een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt.

5.2.

Uit de door[eisers] en Stichting Asbest als productie 5 overgelegde notariële akte van 28 april 2011, waarbij Stichting Asbest is opgericht en de statuten zijn vastgesteld, blijkt dat Stichting Asbest onder meer als doel heeft:

“a. Het behartigen van de belangen van ondernemers en particulieren, zowel rechtspersonen als natuurlijke personen, die als verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde zijn betrokken bij één of meer verzekeringen, waaronder aansprakelijkheidsverzekeringen, teneinde zich er voor in te zetten dat deze personen voldoende verzekerd zijn en in het bijzonder - doch niet uitsluitend - dat het asbestrisico in de ruimste zin des woords, wordt althans blijft gedekt onder de (schade)verzekeringen.

b. Het voeren van collectieve acties ten behoeve van personen zoals bedoeld onder a., zowel binnen als buiten rechte.”
Hiermee is voldaan aan de eis dat de statuten van Stichting Asbest inzicht moeten geven in de collectieve belangen die zij behartigt.

5.3.

Op 1 juli 2013 is in werking getreden de Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade. Bij die wet is aan artikel 3:305a lid 2 BW na de tweede zin een zin toegevoegd, luidende: “Een rechtspersoon als bedoeld in lid 1 is eveneens niet ontvankelijk, indien met de rechtsvordering de belangen van de personen ten behoeve van wie de rechtsvordering is ingesteld onvoldoende gewaarborgd zijn.”

Uit de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer 2011-2012, kamerstuk 33126 nr 3, Memorie van Toelichting bladzijde 6) blijkt dat de wetgever met die toevoeging heeft beoogd om de rechter een handvat te bieden om kritisch te oordelen over de ontvankelijkheid in een collectieve actie indien hij twijfelt aan de motieven voor het instellen van deze actie, waarmee wordt voorkomen dat claimstichtingen het collectief actierecht gebruiken om hun eigen commercieel gedreven motieven na te streven.

5.4.

Achmea heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Stichting Asbest een commercieel oogmerk heeft. In artikel 2 lid 3 van de statuten van Stichting Asbest staat dat zij uitdrukkelijk niet beoogt het maken van winst. Het enkele feit dat Stichting Asbest van degenen die zich bij haar hebben aangesloten een financiële bijdrage vraagt voor het behartigen van hun belangen, maakt nog niet dat Stichting Asbest in afwijking van haar statuten een commercieel doel nastreeft. Bovendien kan uit artikel 2 lid 3 van de statuten worden afgeleid dat het niet de bedoeling is dat een eventueel exploitatieoverschot ten goede komt van de bestuurders van Stichting Asbest. Bedoelde gelden blijven volgens de statuten in beginsel ten dienste staan van de statutaire doelstelling van Stichting Asbest, tenzij het bestuur besluit om de donaties terug te betalen aan de verstrekkers daarvan.

5.5.

Tegen deze achtergrond heeft Achmea onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat de belangen van[eisers] met de door Stichting Asbest ingestelde rechtsvordering onvoldoende zijn gewaarborgd.

5.6.

Voor ontvankelijkheid van Stichting Asbest in een rechtsvordering ex artikel 3:305a BW is niet het type vordering doorslaggevend, maar de vraag of de bij de vordering betrokken belangen gelijksoortig zijn en zich voor bundeling lenen ter wille van een effectieve rechtsbescherming van belanghebbenden. Die vraag wordt bevestigend beantwoord. Achmea heeft immers zelf aangevoerd dat de wijziging ziet op 3.105 ToplandLandbouwpolissen. Onweersproken is gebleven dat in 2013 is gebleken dat 94% van de agrarische bedrijven nog asbest op het terrein had, zodat voldoende aannemelijk is dat dat ook het geval is bij de overgrote meerderheid van bedoelde 3.105 polishouders. In deze is dan ook sprake van een groot aantal belanghebbenden met gelijksoortige belangen (behoud van de asbestdekking) die zich voor bundeling lenen. Een collectieve actie is in deze dan ook de aangewezen weg voor het verkrijgen van een effectieve en efficiënte rechtsbescherming. Ook indien de stelling van Achmea, dat alleen de in deze procedure naast Stichting Asbest optredende eisende partijen bij haar bezwaar hebben gemaakt tegen de wijziging van de dekking, juist zou zijn, betekent dit nog niet dat de overige polishouders die met bedoelde wijziging zijn geconfronteerd geen belang meer zouden hebben bij de door de Stichting Asbest ingestelde vorderingen. Immers, de vraag of een evenement gedekt is onder de ToplandLandbouwpolis wordt eerst manifest op het moment dat een verzekerde wordt geconfronteerd met een aansprakelijkheidstelling door een asbestslachtoffer, zodat aan het feit dat de overige verzekerden beweerdelijk niet bij Achmea hebben geprotesteerd tegen de wijziging van de dekking niet de conclusie kan worden verbonden dat bedoelde verzekerden op voorhand ermee akkoord zijn dat aansprakelijkheid voor asbestschade niet langer door Achmea wordt gedekt en zij om die reden niet achter de door Stichting Asbest geëntameerde procedure zouden staan. Overigens staat de omstandigheid dat een aanmerkelijk deel van de personen ter bescherming van wier belangen een collectieve actie strekt, niet instemt met het doel van de rechtsvordering niet in de weg aan een vordering ex artikel 3: 305a BW. Tot slot blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wet tot wijziging van de Wet collectieve afwikkeling massaschade dat de wetgever bewust ervoor heeft gekozen om niet de eis te stellen dat de stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die een collectieve actie instelt, representatief is voor degenen wier belangen zij stelt te behartigen. Dit betekent dat Achmea niet van Stichting Asbest kan verlangen dat deze opening van zaken geeft over degenen die zich naast[eisers] bij haar hebben aangesloten.

5.7.

De verwijzing door Achmea naar de Europese Aanbeveling en de Claimcode 2011 kan haar niet baten, zodat de daaraan door Achmea ontleende criteria (als omschreven in de notities van de advocaat van Achmea ten behoeve van de comparitie) niet zullen worden meegenomen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van Stichting Asbest. In deze is immers geen sprake van een ieder bindende bepalingen. Daarbij komt dat daar waar de Nederlandse wetgever in het kader van recent in werking getreden wetgeving (1 juli 2013) bewust ervoor heeft gekozen om de eis van representativiteit niet te stellen, er geen ruimte is voor de Nederlandse rechter om reeds nu vooruit te lopen op de kennelijk in de Europese Aanbeveling opgenomen eis van representativiteit.

5.8.

De toewijsbaarheid van de vordering is geen criterium in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid.

5.9.

In het vorenstaande ligt besloten dat de argumenten die Achmea heeft aangedragen ter onderbouwing van haar stelling dat Stichting Asbest niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, alle worden verworpen. Stichting Asbest kan in haar vorderingen worden ontvangen.

de omvang van de dekking van het asbestrisico

5.10.

Voor het antwoord op de vraag wat de omvang van de dekking is, is van belang de tekst van de polis en de daarbij behorende polisvoorwaarden, mede gezien in het licht van de systematiek van de polis en de context waarin de betreffende polisbepaling(en) is (zijn) gesteld.

5.11.

Uit artikel 6.2.1 onder A van de polisvoorwaarden volgt dat alleen dan jegens Achmea aanspraak op dekking van de aansprakelijkheid van verzekerde voor schade van derden bestaat indien de aanspraak ter zake jegens verzekerde is ingesteld en bij Achmea is aangemeld tijdens de looptijd van de verzekering. Het enkele feit dat de gebeurtenis waaruit op enig moment na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verzekering schade van derden ontstaat, heeft plaatsgevonden tijdens de geldigheidsduur van de verzekering is dus niet voldoende om een gewezen verzekerde die na het einde van de verzekeringsovereenkomst door een derde wordt aangesproken, jegens Achmea een aanspraak op dekking te verlenen. Dit is slechts anders indien sprake is van een omstandigheid waaruit een dergelijke aanspraak voortvloeit, mits die omstandigheid tijdens de looptijd van de verzekering bekend is geworden en bij Achmea is aangemeld tijdens de looptijd van de verzekering. In dat geval bestaat dekking indien na afloop van de verzekering de gewezen verzekerde door derden ter zake wordt aangesproken.
Dit betekent dat - anders dan[eisers] en Stichting Asbest hebben gesteld - in zoverre sprake is van een zogenaamde claims-made dekking.

5.12.

De stelling van[eisers] en Stichting Asbest dat uit artikel 6.2.1 B. van de verzekeringsvoorwaarden (een uitbreiding ten opzichte van artikel 6.2.1. A) volgt dat voor aansprakelijkheid voor schade aan personen in verband met een milieu-aantasting (waarbij niet in geschil is dat daaronder mede is begrepen schade als gevolg van asbestbesmetting) niet de beperking geldt die voortvloeit uit artikel 6.2.1 onder A, gaat niet op.
Immers, in het kader van de dekking van verzekerde voor aansprakelijkheid jegens zijn werknemers, geldt dezelfde beperking van de dekking als vermeld in artikel 6.2.1 A

van de verzekeringsvoorwaarden. Het ligt niet voor de hand om aan te nemen dat Achmea bedoelde beperkende voorwaarden niet ook heeft willen stellen in het geval dat sprake is van aansprakelijkheid voor schade aan personen in verband met een milieu-aantasting. Indien dit anders zou zijn, zou dat betekenen dat reeds dekking bestaat indien de voor Achmea onbekende milieuaantasting heeft plaatsgevonden gedurende de looptijd van de verzekering, maar die aantasting eerst na het einde van de verzekering tot schade aan personen leidt. Zeker daar waar het betreft asbestziekte, die zich vanwege de incubatietijd eerst tientallen jaren na de asbestbesmetting voor het eerst kan openbaren met veelal zeer ernstige gevolgen, zou dat voor Achmea in feite een in tijd onbegrensd en aanzienlijk risico opleveren vanwege de veelvuldige toepassing van asbest in onder meer de bouw in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw.
Gelet op de systematiek van bedoeld onderdeel van de verzekeringsvoorwaarden moet dan ook worden geoordeeld dat artikel 6.2.1 B een dekking geeft, onder de beperkende voorwaarden als onder 6.2.1.A vermeld. Aan het enkele feit dat in de verzekerings-voorwaarden onder 6.2.1.B die bedoelde beperking niet met zoveel woorden is opgenomen, komt in deze dan ook geen doorslaggevende betekenis toe. Dit betekent dat voor dekking naar aanleiding van een omstandighedenmelding niet voldoende is dat aan Achmea wordt gemeld dat op het bedrijf asbestcementdaken aanwezig zijn.[eisers]
heeft tot slot - terecht - niet gesteld dat een beroep op de hiervoor bedoelde polisvoorwaarde, zoals door de rechtbank uitgelegd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.13.

Anders dan[eisers] en Stichting Asbest hebben gesteld, leidt het bepaalde in artikel 7:942 lid 1 BW niet tot een ander oordeel. In voormeld artikel is bepaald dat een rechtsvordering tegen de verzekeraar tot het doen van een uitkering verjaart door verloop van drie jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid daarvan bekend is geworden. Dit wetsartikel heeft niet de strekking om de omvang van de met de verzekeraar overeengekomen dekking na afloop van de verzekeringsovereenkomst uit te breiden, wat de consequentie zou zijn indien[eisers] en Stichting Asbest in hun betoog zouden worden gevolgd. Daar waar geen dekking bestaat voor aanspraken en omstandigheden jegens verzekerden in de toekomst, is in dat geval geen sprake van een opeisbare vordering, wat wel een voorwaarde is voor toepassing van artikel 7:942 BW.


beëindiging van de asbestdekking door middel van opzegging van de verzekeringsovereenkomst tegen de contractvervaldatum

5.14.

Bij gelegenheid van de comparitie hebben[eisers]en Stichting Achmea erkend dat Achmea bij de opzegging van de verzekering de contractueel overeengekomen opzegtermijn in acht heeft genomen. Resteert de vraag of de opzegging van de overeenkomst in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die vraag wordt ontkennend beantwoord. Voorop staat het beginsel van de contractsvrijheid. Dit betekent dat de verzekeraar mag bepalen of, en zo ja, onder welke voorwaarden en voor welke periode zij met de verzekeringnemer wenst te contracteren. De verzekering in kwestie heeft een overeengekomen contractduur van 5 jaar. Achmea is in beginsel dan ook gerechtigd voor de afloop van die termijn te overwegen of zij na de contractvervaldatum de verzekering met dezelfde dekkingsmogelijkheden wenst te continueren en naar aanleiding van die overweging te besluiten om de verzekering tegen het einde van de contractvervaldatum op te zeggen. Zonder deze actie van Achmea wordt de verzekering immers op grond van de verzekeringsvoorwaarden stilzwijgend verlengd.

5.15. Niet betwist is dat Achmea evenals vele andere verzekeraars in Nederland sinds 2003 in het kader van een bedrijfsaansprakelijkheid het asbestrisico niet langer wenste te verzekeren. Het enkele feit dat Achmea in 2003 voor bestaande klanten een uitzondering heeft gemaakt, betekent niet dat[eisers]gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat Achmea tot in lengte van jaren voor[eisers]bedoelde uitzonderingspositie zou handhaven. Juist het feit dat andere verzekeraars in Nederland sinds 2003 geen asbestdekking meer gaven in het kader van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering staat daaraan al in de weg. Dit klemt temeer nu uit de door[eisers]ingenomen stellingen kan worden afgeleid dat hij zich ook ervan bewust is dat de kans dat hij (en daarmee ook Achmea) thans wordt geconfronteerd met asbestschade groter is dan in 2003 het geval was. Het in de afgelopen jaren ontstane inzicht over de verwering van asbestcementdaken (zoals blijkt uit het rapport van TNO Bouw en Ondergrond, waarnaar Achmea heeft verwezen) alsmede de conclusie van de Gezondheidsraad dat de gezondheidsrisico’s ten aanzien van het in aanraking komen met losgekomen asbestvezels vele malen groter zijn dan voorheen werd aangenomen (welke conclusie door de toenmalige staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu blijkens zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 15 februari 2011 serieus wordt genomen), zijn tegen de achtergrond van de aanwezigheid van oude asbestcementdaken op de bedrijfsgebouwen van[eisers]een voldoende deugdelijke reden voor Achmea om te kunnen besluiten het asbestrisico per contractvervaldatum niet langer te dekken en daartoe de verzekering te beëindigen, omdat dekking van het asbestrisico bij bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeringen bedrijfseconomisch niet langer verantwoord is. Het om die reden beëindigen van de asbestdekking is in het belang van alle verzekerden van Achmea, die daardoor minder risico lopen in geval van schade met een insolvabele verzekeraar te worden geconfronteerd.

5.16.

Niet gezegd kan dan ook worden dat opzegging van de verzekering tegen het einde van de contractvervaldatum naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit wordt niet anders doordat -zoals hierna zal worden overwogen- aannemelijk is dat[eisers] het asbestrisico (met inloopdekking) niet bij een andere bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar zal kunnen onderbrengen. De maatschappelijke verantwoordelijkheid van een verzekeraar als Achmea reikt niet zo ver dat zij gehouden zou zijn om voor de personen die op het bedrijf[eisers] met asbest zijn besmet en daardoor schade lijden (dat behoeft overigens niet in alle gevallen waarin iemand in aanraking is gekomen met asbestvezels het geval te zijn) een uitzondering te maken in die zin dat[eisers] ten behoeve van bedoelde slachtoffers tot in lengte van jaren jegens Achmea aanspraak zou kunnen maken op asbestdekking.

5.17.

Het beroep van[eisers] en Stichting Asbest op de Gedragscode Verzekeraars (productie 10 van[eisers]) doet aan het vorenstaande niet af.
De Gedragscode berust op zelfregulering. Doel van bedoelde gedragscode is een kader te formuleren waarbinnen verzekeraars invulling geven aan het streven om verzekeringsondernemingen maatschappelijk verantwoord te laten functioneren.
Artikel 1.4 van de Gedragscode bepaalt in dit verband: “(…)Omdat verzekeraars op korte en lange termijn zekerheid moeten bieden, zijn continuïteit en vertrouwen voor hen cruciaal (…) Maatschappelijk verantwoord ondernemen betekent voor ons verzekeraars dan ook dat wij basiswaarden als betrouwbaarheid, professionaliteit, solidariteit, maatschappelijke verantwoordelijkheid en transparantie laten doorklinken in ons handelen en betrekken bij al onze beslissingen”.
Uit deze Gedragscode kan niet worden afgeleid dat deze ertoe strekt aan verzekerden meer rechten te verlenen ten opzichte van de aangesloten verzekeraars dan voortvloeit uit wet, jurisprudentie en polisvoorwaarden. In de Gedragscode wordt onder 1.3 met zoveel woorden gesteld dat het voor de verzekeraar financieel verantwoord moet zijn om het risico over te nemen. Dit brengt mee dat een verzekeraar op grond van gewijzigde omstandigheden die het financiële risico vergroten mag heroverwegen of het aanbieden van een bepaalde verzekering nog verantwoord is.
Zoals in r.o. 5.14 en 5.15 is overwogen is Achmea gerechtigd om de verzekering per contractvervaldatum op te zeggen en het asbestrisico bij nieuwe bedrijfsaansprakelijkheids-verzekeringen niet langer te dekken. Achmea heeft zich hierdoor veeleer een verantwoord verzekeraar getoond ten opzichte van alle verzekerden die bij haar een of meerdere polissen hebben lopen. Dit is in lijn met de Gedragscode.
Niet kan worden gezegd dat Achmea in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode door de verzekering per contractvervaldatum op te zeggen.

beëindiging van de asbestdekking door middel van een en bloc-wijziging

5.18.

In de tekst noch parlementaire geschiedenis van artikel 7:940 lid 4 BW zijn aanknopingspunten te vinden voor de stelling van[eisers] en Stichting Asbest dat Achmea niet bevoegd zou zijn om te bedingen dat zij gerechtigd is gedurende de looptijd van de verzekering de dekking te beperken, waarvan in deze sprake is.

5.19.

De uitoefening van deze bevoegdheid vindt zijn begrenzing in artikel 3:13 lid 1 BW, waarin is bepaald dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen in geval van misbruik daarvan. In het tweede lid van dit wetsartikel is bepaald dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

5.20.

Uit hetgeen hiervoor in r.o. 5.15 is overwogen, volgt dat sinds 2003 de kans dat houders van een ToplandLandbouwpolis worden aangesproken wegens asbestschade groter is geworden. Daarbij gaat het om letsel- dan wel overlijdensschade. Bij gebrek aan betwisting van de zijde van Achmea is voldoende aannemelijk dat voormelde polishouders niet in staat zijn om het slachtoffer/de slachtoffers financieel schadeloos te stellen, met een faillissement van bedoelde polishouders als voorzienbaar gevolg. Juist met het oog op die gevolgen hebben deze polishouders zich tegen het asbestrisico verzekerd. Mede tegen deze achtergrond brengt de aard van de omstreden wijziging met zich dat er sprake moet zijn van zwaarwegende feiten en omstandigheden aan de zijde van Achmea die een dergelijke ingreep kunnen rechtvaardigen. Hetgeen Achmea in dit verband heeft aangevoerd is daarvoor onvoldoende. In de eerste plaats heeft Achmea ter comparitie gesteld dat in de periode van 2003 tot 2011 de asbestclaims bij Achmea niet zijn toegenomen. Achmea heeft niet gesteld dat in de periode van 1 januari 2011 tot het tijdstip waarop de comparitie werd gehouden (15 april 2014) dit beeld (aanzienlijk) in voor Achmea ongunstige zin is veranderd. Uit hetgeen Achmea in haar conclusie van antwoord onder randnummer 61 heeft gesteld, kan worden afgeleid dat Achmea niet verwacht dat zij in de komende jaren met een (forse) toename van asbestclaims zal worden geconfronteerd.
Achmea heeft bovendien ter comparitie gesteld dat voor zover de eisende partijen nog polissen met asbestdekking zouden hebben (hetgeen wordt betwist) die polissen over circa 2,5 jaar het einde van de contractduur bereiken. Uit hetgeen Achmea ter zake heeft gesteld kan niet worden afgeleid dat er voor Achmea een serieuze dreiging bestaat dat zij in de resterende 2,5 jaar met een (zodanig) forse toename van omvangrijke asbestclaims zal worden geconfronteerd, dat het om die reden en - gelet op haar vermogenspositie - niet langer verantwoord is om in lopende ToplandLandbouwpolissen de overeengekomen dekking van het asbestrisico te handhaven.

5.21.

Dit wordt niet anders doordat Achmea heeft gesteld dat de kans op nieuwe asbestbesmettingen enorm toeneemt naarmate de aanwezige asbest meer en meer aan het verweren is. De enkele stelling dat de asbesthoudende golfplaten in Nederland meer dan
20 jaar oud zijn en dat “dus” het risico (dat die gestaag verwerende golfplaten in de niet al te verre toekomst tot meer asbestbesmetting zullen leiden) alleen maar groter wordt, is te algemeen en daarmee onvoldoende redengevend om te kunnen oordelen dat Achmea gedurende de resterende looptijd van de polissen het risico loopt om met een uitzonderlijk groot aantal meldingen door houders van een ToplandLandbouwpolis van asbestbesmettingen (die in de regel eerst vele jaren later tot gezondheidsklachten zouden kunnen leiden) te worden geconfronteerd. Ook de eerst ter comparitie door Achmea aangevoerde ontwikkelingen in de jurisprudentie (waaronder het “hangmat-arrest ”) alsmede door verzekerden ingediende claims ten aanzien van bereddingskosten, vormen een onvoldoende rechtvaardiging voor de drastische (en naar het lijkt overhaast genomen) beslissing om in lopende polissen asbestdekking uit te sluiten. Meer in het bijzonder heeft Achmea niet feitelijk onderbouwd dat zij ten aanzien van asbestbesmettingen die zouden kunnen (zijn) ontstaan in de periode tussen 1 april 2011 en het bereiken van de contractvervaldata van de thans nog lopende polissen een niet te verwaarlozen solvabiliteitsrisico loopt. Achmea heeft immers volstrekt geen inzicht gegeven in de feitelijke situatie ter plaatse van de door[eisers] geëxploiteerde ondernemingen daar waar het de risico’s op asbestbesmetting betreft. Daarbij komt dat Achmea met recht erop heeft gewezen dat[eisers] niet kan afwachten totdat asbestvezels vrij komen van zijn dak, maar dat hij gehouden is om zodra hij constateert dat de asbestcementdakplaten (ernstig) zijn verweerd en (zo blijkt uit het door Achmea als productie 3 overgelegde rapport van TNO, bladzijde 9) zeker in het geval dat de dakplaten niet voorzien zijn van dakgoten of wanneer de dakgoten verstopt of lek zijn, maatregelen te treffen om te voorkomen dat asbestvezels losraken en een besmettingshaard vormen. In de regel zal dat moeten leiden tot verwijdering van bedoelde dakplaten. Mochten[eisers] en de overige polishouders niet aan deze verplichting voldoen, is voorshands aannemelijk dat Achmea in rechte met succes dekking kan weigeren indien door bedoeld nalaten asbestbesmetting plaatsvindt. In zoverre is het door Achmea geschetste risico beperkt. Daarbij komt dat Achmea geen inzicht heeft gegeven onder welke omstandigheden desondanks schade aan de daken als bereddingskosten door haar vergoed dient te worden. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat gesteld noch gebleken is dat in de ondernemingen van[eisers] door werknemers met asbest wordt gewerkt, aan welk werk - indien onvoldoende veiligheidsmaatregelen worden getroffen - grotere risico’s op asbestbesmetting kleven dan wanneer zulks niet het geval is.

5.22.

Nu Achmea - zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen - bevoegd is om de verzekering op te zeggen tegen het einde van de contractduur, is het risico dat Achmea in deze loopt in tijd te overzien. In het licht van het vorenstaande legt de stelling van Achmea dat het sinds 2003 niet meer mogelijk is om het asbestrisico te herverzekeren en het algemeen maatschappelijk geaccepteerd en gebruikelijk is om geen asbestdekking meer te verlenen onvoldoende gewicht in de schaal om de balans ten aanzien van de en bloc- wijziging in haar richting te laten doorslaan.
Een en ander betekent dat Achmea, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van haar wijzigingsbevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

5.23.

Aan dit oordeel doet niet af dat Achmea in het kader van de en bloc-wijziging aan[eisers] en de overige houders van een ToplandLandbouwpolis de mogelijkheid heeft geboden om tot 1 april 2012 aanspraken na te melden die voortvloeien uit een zich geopenbaarde asbestziekte en/of daarmee verband houdende concrete gezondheidsklachten, onder de voorwaarde dat de oorzaak van deze asbestziekte en/of klachten is gelegen in de periode voor 1 april 2011. Deze nameldingsmogelijkheid is in de context van het asbestrisico naar het oordeel van de rechtbank te beperkt. Daarvoor is de nameldings-mogelijkheid te gering en het risico voor de individuele ondernemer te groot.
5.24. Tot slot wordt nog overwogen dat de wettelijk voorgeschreven en door Achmea aan bedoelde polishouders gegeven opzeggingsmogelijkheid van de verzekering het nadeel dat die polishouders leiden door de en bloc-wijziging niet wegneemt. Achmea heeft in haar conclusie van antwoord (onder randnummer 49) gesteld dat asbestdekking nergens meer verzekerd kan worden. In deze kan er dan ook geredelijk van worden uitgegaan dat bedoelde polishouders na opzegging van de verzekering geen andere verzekeraar in Nederland bereid zullen vinden een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering aan te bieden waarin het asbestrisico is gedekt met inbegrip van het zogenaamde inlooprisico. Dit aspect van de zaak is veeleer een extra argument om de en bloc-wijziging (inclusief de nameldingsmogelijkheid) als misbruik van bevoegdheid aan te merken.

5.25.

Achmea heeft uiterst subsidiair nog het volgende aangevoerd.[eisers] heeft ondanks dat de wijziging per 1 april 2011 is doorgevoerd, tot juli 2013 gewacht met dagvaarden. Indien de wijziging teruggedraaid zou worden, zal dit voor Achmea tot grote problemen leiden. Het zal zeer lastig zijn om eventuele aanspraken en/of omstandigheden achteraf alsnog te beoordelen. Door het verstrijken van de tijd zal Achmea de feiten niet meer zelfstandig kunnen vaststellen en beoordelen. Op verzekerden rust een in de wet neergelegde meldingsplicht bij verwezenlijking van het risico. Zeker gezien de grote groep van verzekeringnemers die het betreft en de enorme last die dit mogelijkerwijs op de schadebehandeling kan leggen.

5.26.

Achmea heeft aan dit betoog niet de conclusie verbonden dat om gemelde redenen de en bloc-wijziging in stand zou moeten blijven. Indien zij dit wel zou hebben gedaan, zou haar dat niet hebben kunnen baten.
Immers, op[eisers] rustte niet de verplichting om kort na ontvangst van de brief van 30 maart 2011 tot dagvaarding van Achmea over te gaan. De dagvaarding is binnen de verjaringstermijn van 5 jaren uitgebracht. De vrees van Achmea dat zij met een groot aantal claims zal worden geconfronteerd indien de en bloc-wijziging ongedaan zou worden gemaakt, is niet onderbouwd. Sterker nog, Achmea heeft zelf aangevoerd dat niet is gesteld of gebleken dat in de afgelopen jaren sinds de en bloc-wijziging (een veelheid van) aanspraken voor asbestschades zijn ontstaan en Achmea verwacht ook niet dat zij in de 2,5 jaar die resteren met een groot aantal claims zal worden geconfronteerd.

toewijsbaarheid van de vorderingen

5.27.

Hetgeen hiervoor over het materiële geschil is overwogen, heeft - mede gelet op hetgeen Achmea los daarvan over de toewijsbaarheid van de vorderingen heeft aangevoerd - de volgende consequenties.

5.28.

De vordering onder 3.1.1.a is gelet op de ontvankelijkheid van Stichting Asbest toewijsbaar als gevorderd. Anders dan Achmea heeft gesteld kunnen de personen ten aanzien van wie bedoelde bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering inmiddels is beëindigd wel belang hebben bij dit onderdeel van de vordering. Niet uitgesloten kan worden dat bedoelde personen zich door de en bloc-wijziging (met de nameldingsclausule) hebben laten weerhouden om tussen 1 april 2011 en 1 april 2012 melding te doen, terwijl zij op dat moment nog een lopende ToplandLanbouwpolis hadden. Bovendien blijkt uit de buiten rechte gevoerde correspondentie dat Achmea zich - ten onrechte - op het standpunt heeft gesteld dat meldingen na 1 april 2012 niet meer in behandeling zullen worden genomen. Niet ondenkbaar is dat er zich onder de 3.105 (deels inmiddels voormalige) polishouders bedrijven bevinden die op grond van die houding van Achmea na 1 april 2012 hebben afgezien van het doen van een melding.

5.29.

De vordering onder 3.1.1.b wordt afgewezen.

5.30.

Gelet op de toewijsbaarheid van de vordering onder 3.1.1. a hebben[eisers] en Stichting Asbest geen belang bij de vordering onder 3.1.2.a voor zover daarin gevorderd wordt Achmea te veroordelen om de aansprakelijkheidsdekking voor asbestschades na 1 april 2011 voort te zetten tegen de condities en voorwaarden die voorheen golden. Voor het overige dient dit onderdeel wegens een ondeugdelijke grondslag te worden afgewezen. Het zelfde geldt ten aanzien van het gevorderde onder 3.1.4.

5.31.

Met betrekking tot de vorderingen onder 3.1.2.b en 3.1.3 heeft Achmea met recht opgemerkt dat de vraag of dekking conform de polisvoorwaarden wordt verleend een individuele beoordeling vergt van het concrete geval. In zoverre zijn deze vorderingen te ruim geformuleerd om te kunnen worden toegewezen. Nu het aan Achmea te wijten is dat de 3.105 polishouders zich mogelijkerwijze hebben laten weerhouden tot het doen van meldingen aan Achmea van aanspraken of omstandigheden waaruit aansprakelijkheid voor asbestschade kan voortvloeien, kan Achmea zich in redelijkheid niet op voorhand op het standpunt stellen dat die polishouders nu te laat zijn met deze melding. Dit leidt tot na te melden beslissing ten aanzien van de hier bedoelde vordering. Gelet op de aard van de veroordeling heeft het opleggen van een dwangsom geen redelijke zin en zal dat om die reden achterwege blijven. Indien Achmea een melding niet in behandeling neemt, leidt het opleggen van een dwangsom er niet toe dat aan bedoelde polishouders in het individuele geval ook daadwerkelijk dekking wordt verleend en is een gang naar de rechter de meer aangewezen weg om dekking te verkrijgen.

5.32.

Gelet op het bepaalde in artikel 3:305a lid 3 BW is het gevorderde onder 3.1.5 in beginsel voor toewijzing vatbaar. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat de publicatie beperkt wordt tot na te melden mededeling. De dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd als hierna zal worden vermeld, omdat dit voldoende voorkomt.

5.33.

Het verweer van Achmea ten aanzien van de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring treft doel waar het de verklaring voor recht betreft omdat het betreffende dictum geen voor tenuitvoerlegging vatbare titel oplevert. Voor het overige wordt het verweer verworpen. Het mag zo zijn dat het voor Achmea gelet op haar positie van groot belang is om duidelijkheid te verkrijgen over de toelaatbaarheid van haar handelwijze (en die komt er zodra over dit geschil een onherroepelijk uitspraak is gegeven), maar Achmea heeft de thans ontstane situatie over zichzelf afgeroepen door een en bloc-wijziging door te voeren, die in deze instantie de toets der kritiek niet heeft kunnen doorstaan. Aan de andere kant hebben[eisers] en de overige houders van een ToplandLandbouwpolis er in verband met hun bewijspositie groot belang bij dat de situatie wordt teruggedraaid naar de stand van zaken voor invoering van de en bloc-wijziging en indien daar thans gronden voor zijn meldingen aan Achmea te doen die betrekking hebben op de periode dat de verzekering van kracht is. Dat zolang er geen definitieve duidelijkheid over de handelwijze van Achmea is de schadebehandelingsafdeling van Achmea (zoals door haar gesteld, mogelijk) overbelast zal worden is geen valide argument om uitvoerbaarverklaring bij voorraad achterwege te laten. Overigens heeft Achmea er ook belang bij dat na een melding de situatie ter plaatse zo spoedig mogelijk in ogenschouw wordt genomen. Indien dit vonnis ook in hoger beroep en/of cassatie stand houdt en Achmea eerst dan een melding van de polishouders in behandeling neemt, kan mogelijk voor Achmea belangrijk materiaal verloren zijn gegaan. Van de polishouders kan immers in redelijkheid niet worden verwacht dat zij in dat geval gevaarlijke asbestcementdakplaten nog langer op hun bedrijfsgebouw laten liggen.

5.34.

Achmea zal ten opzichte van[eisers] en Stichting Asbest als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van[eisers] en Stichting Asbest worden begroot op:

- dagvaarding € 116,75

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.609,75

5.35.

De gevorderde nakosten zijn, op de voet van het arrest van de Hoge Raad van
19 maart 2010, LJN: BL1116, voor toewijzing vatbaar als na te melden.


5.36. De proceskosten en de nakosten zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd.

5.37.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat de beëindiging door Achmea bij brief van 30 maart 2011 van de asbestdekking onder de aansprakelijkheidsdekking van de ToplandLandbouwpolis per
1 april 2011 door middel van een en bloc-wijziging geen stand houdt en geen rechtsgevolg heeft,

6.2.

gebiedt Achmea om meldingen ter zake asbestschades en aansprakelijkheden daarvoor die onder de onder 6.1. bedoelde verzekering door verzekerden (alsnog) worden gedaan in behandeling te nemen en dekking niet van de hand te wijzen op de enkele grond dat deze melding niet tijdig zou zijn gedaan,

6.3.

gebiedt Achmea om meldingen door verzekerden met een ToplandLandbouwpolis te accepteren van onder meer omstandigheden voor 1 april 2011 waaruit nog aanspraken voor asbestschades kunnen voortvloeien en van asbestschades en aanspraken die hun oorzaak vinden voor 1 april 2011 en dekking niet van de hand te wijzen op de enkele grond dat deze melding niet tijdig zou zijn gedaan,


6.4. gebiedt Achmea om binnen een maand na heden een duidelijk en goed leesbare mededeling te plaatsen dat verzekerden de gelegenheid hebben om meldingen te doen zoals hiervoor onder 6.2 en 6.3 bedoeld in een landelijk verschijnend agrarisch week- of maandblad,

6.5.

veroordeelt Achmea om aan Stichting Asbest een dwangsom te betalen van
€ 5.000,-- per dag voor iedere dag dat Achmea in gebreke blijft om aan het onder 6.4 vermelde gebod te voldoen, dit tot een maximum van € 100.000,--,

6.6.

veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van[eisers] en Stichting Asbest tot op heden begroot op € 1.609,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,



6.7. veroordeelt Achmea in de nakosten aan de zijde van[eisers] en Stichting Asbest begroot op een bedrag van € 131,00 ter zake van salaris van de advocaat en veroordeelt Achmea voorwaardelijk, voor het geval Achmea niet binnen 14 dagen na aanschrijving in der minne aan de in dit vonnis uitgesproken veroordeling voldoet en indien betekening plaatsvindt en noodzakelijk is, in de kosten van betekening, tot op heden begroot op € 68,00 voor salaris van de advocaat en de kosten van het betekeningsexploot, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de veertiende dag na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,


6.8. verklaart dit vonnis - met uitzondering van de hiervoor onder 6.1. gegeven verklaring voor recht - uitvoerbaar bij voorraad,

6.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester, mr. J.T.G. Roovers en mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2014.1

1 Th/St/JR/TS