Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5616

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
223232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na eerdere bewijsopdracht (zie ECLI:NL:RBARN:2012:BY3478). Geen sprake van schending van het concurrentiebeding door toenmailig werkneemster. Daarmee is de grondslag aan de vorderingen van eiseressen jegens gedaagde sub 3 komen te ontvallen. Vorderingen jegens gedaagden sub 1 en 2 eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/640

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/223232 / HA ZA 11-1530

Vonnis van 6 augustus 2014

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PNO CONSULTANTS B.V.,

gevestigd te Hengelo,

2. de naamloze vennootschap

PNO CONSULTANTS N.V.,

gevestigd te Diegem, België,

eiseressen,

advocaat mr. Y.A.E. Vlassenroot te Haarlem,

tegen

1. de coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar Belgisch recht

DELOITTE CONSULTING C.V. B.A.,

gevestigd te (B-1050) Brussel, België,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELOITTE GRANTS & INCENTIVES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELOITTE BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. R.E.N. Ploum te Rotterdam.

Partijen zullen hierna PNO en Deloitte worden genoemd. Afzonderlijk worden PNO aangeduid met PNO B.V. en PNO N.V. Deloitte worden afzonderlijk aangeduid met Deloitte Consulting C.V. B.A., Deloitte Grants & Incentives B.V. en Deloitte Belastingadviseurs B.V.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 mei 2014

  • -

    de akte na tussenvonnis van PNO

  • -

    de akte na tussenvonnis van Deloitte.

1.2.

Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1.

Bij tussenvonnis van 7 november 2012 heeft de rechtbank aan Deloitte opgedragen te bewijzen dat bestuurders van PNO aan [naam 1] voor haar overstap hebben aangegeven haar (voor andere dan WBSO-werkzaamheden) te ontheffen uit het non-concurrentiebeding.

2.2.

Aan PNO heeft de rechtbank bij datzelfde tussenvonnis opgedragen te bewijzen dat de werkzaamheden die [naam 1] in de periode van 1 augustus 2010 tot 1 augustus 2011 voor Deloitte heeft verricht kwalificeren als het uitvoeren van of leiding geven aan concurrerend subsidieadvies.

2.3.

In het kader van de bewijslevering hebben beide partijen getuigen doen horen en conclusies na enquête genomen.

2.4.

Bij tussenvonnis van 28 mei 2014 heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor akte door beide partijen over het arrest van het Hof te Amsterdam van 13 mei 2014 in de procedure tussen PNO en [naam 1], waarin – evenals in de onderhavige procedure tussen PNO en Deloitte – de vraag speelt of [naam 1] haar concurrentiebeding jegens PNO heeft overtreden. Het hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.

2.5.

Het hof heeft daartoe allereerst overwogen dat het concurrentiebeding tussen PNO en [naam 1] een periode van één jaar heeft beslagen, te weten van 1 augustus 2010 tot 1 augustus 2011. Vervolgens heeft het hof overwogen dat het concurrentiebeding aldus moet worden begrepen dat het [naam 1] bij indiensttreding van Deloitte gedurende één jaar was verboden te adviseren ten aanzien van subsidies, voor zover haar nieuwe functie bij Deloitte (mede) de advisering ten aanzien van subsidies inhield en voor zover zij in haar werkzaamheden bij PNO op dit punt kennis had opgedaan en/of vaardigheden had geleerd waarmee zij, als zij deze zelfde werkzaamheden voor Deloitte zou gaan verrichten, PNO na haar overstap zou beconcurreren. Voor de beantwoording van de vraag of [naam 1] het verbod heeft overtreden acht het hof met name relevant of [naam 1] tijdens haar werkzaamheden voor PNO op het punt van subsidies, met name in het kader van de Innovatiebox, bepaalde kennis heeft opgedaan en/of vaardigheden heeft geleerd die zij in de periode van 1 augustus 2010 tot 1 augustus 2011 voor Deloitte is gaan gebruiken. Het hof vervolgt:

3.11.

[naam 1] heeft gesteld dat zij bij PNO nimmer werkzaamheden heeft verricht in het kader van de Innovatiebox en in dat kader in haar periode bij PNO evenmin enigerlei opleiding of training heeft genoten. Zij heeft in dat verband onder meer gesteld dat zij niet beschikte over de daarvoor noodzakelijke fiscale kennis, dat PNO haar ook niet heeft opgeleid om advies te geven met betrekking tot de Innovatiebox en evenmin in enigerlei mate in haar heeft geïnvesteerd om advisering ten aanzien van de Innovatiebox mogelijk te maken, en dat zij in de periode dat de Innovatiebox werd geïntroduceerd (per 1 januari 2010) pas weer — na ingang van de nieuwe, onder 3.6 bedoelde arbeidsovereenkomst met PNO — twee weken werkzaam was voor PNO en bovendien uitsluitend voor een tweetal cliënten (Schiphol en KLM) […]. Omdat PNO zich beroept op (de rechtsgevolgen van) de beweerdelijk begane overtreding door [naam 1] van het concurrentiebeding, had het op de weg van PNO gelegen haar stelling dat [naam 1] bij PNO wel degelijk werkzaamheden heeft verricht in het kader van de Innovatiebox en/of in dat kader in haar periode bij PNO enigerlei opleiding of training heeft genoten, nader te adstrueren. Dit heeft zij echter niet, althans onvoldoende (onderbouwd) gedaan, hoewel zij als (voormalig) werkgever bij uitstek moet beschikken over gegevens waarmee een dergelijke stelling nader valt te adstrueren. De stelling dat [naam 1] bij PNO de nodige WBSO-kennis heeft opgedaan […], is voor een dergelijke adstructie onvoldoende, reeds omdat uit de stellingen van PNO niet is gebleken dat specifieke kennis met betrekking tot de WBSO specifieke kennis omtrent de Innovatiebox impliceert. De stelling van PNO dat advisering omtrent de Innovatiebox exact dezelfde vaardigheden vergt als benodigd voor het verzoek om een WBSO-verklaring, alleen dan spiegelbeeldig […], is in dit verband onvoldoende concreet toegelicht. Ook is met betrekking tot de betrokkenheid bij de Innovatiebox onvoldoende de e-mail van [naam 1] van 10 maart 2010 (productie 53 van PNO in hoger beroep), reeds omdat daaruit veeleer het tegendeel moet worden afgeleid: als [naam 1] informeert hoe het zit met “de voortgang innovatiebox bij KLM en Schiphol” duidt dit er veeleer op dat zij hier niet actief bij betrokken was, omdat het inwinnen van informatie daaromtrent anders overbodig zou zijn. Ook uit het zogenoemde ‘overzicht van werkzaamheden’ van [naam 1] bij PNO (productie 50 van PNO in hoger beroep) kan niet worden afgeleid dat [naam 1] werkzaamheden in het kader van de Innovatiebox heeft verricht ten behoeve van Schiphol en/of KLM. Hetzelfde geldt voor de verklaring die [getuige] als getuige heeft afgelegd in de (nog lopende) procedure voor de rechtbank Arnhem tussen, kort gezegd, PNO en Deloitte (productie 42 van PNO in hoger beroep), waaruit in het geheel niet valt af te leiden dat [naam 1] bij PNO wel degelijk werkzaamheden heeft verricht in het kader van de Innovatiebox en/of in dat kader enigerlei opleiding of training heeft genoten. Ten slotte is daartoe eveneens onvoldoende de passage met betrekking tot de zogenoemde ‘overlap’ in de brief van [naam 1] aan PNO van 6 augustus 2010 (“Enige daadwerkelijke overlap met de werkzaamheden van PNO betreft hierbij de WBSO-regeling en mogelijk de Innovatiebox.”), reeds omdat ook hieruit in het geheel niet valt af te leiden dat [naam 1] zelf bij PNO werkzaamheden heeft verricht in het kader van de Innovatiebox en/of in dat kader enigerlei opleiding of training heeft genoten. Omdat PNO aldus onvoldoende aan haar stelplicht heeft voldaan, wordt haar te dezer zake gedane bewijsaanbod gepasseerd. De vraag of PNO haar activiteiten op het punt van de Innovatiebox ruim vóór of eerst na het vertrek van [naam 1] heeft uitgebreid, kan, gelet op het voorgaande, buiten bespreking blijven.


3.12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er rechtens van moet worden uitgegaan dat [naam 1] geen werkzaamheden voor PNO met betrekking tot de Innovatiebox heeft verricht en terzake geen kennis heeft opgedaan en/of vaardigheden heeft geleerd, zodat er geen sprake van kan zijn dat zij deze in de periode van 1 augustus 2010 tot 1 augustus 2011 voor Deloitte is gaan gebruiken. In het voorgaande ligt eveneens besloten dat de vraag of de nieuwe functie van [naam 1] bij Deloitte (mede) de advisering ten aanzien van subsidies inhield, geen bespreking (meer) behoeft. Nu PNO niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat [naam 1] in die periode enigerlei bij haar opgedane kennis of vaardigheden op het gebied van de WBSO ten behoeve van Deloitte heeft gebruikt en PNO [naam 1] daarnaast geen andere concrete (en voldoende onderbouwde) verwijten maakt waar het om mogelijke schending van het concurrentiebeding gaat, is het eindoordeel dat [naam 1] het concurrentiebeding niet heeft geschonden. […]

2.6.

De overwegingen van het hof met betrekking tot de duur van het concurrentiebeding van [naam 1] en de periode waarin dat beding heeft gegolden zijn in lijn met hetgeen de rechtbank daarover in het tussenvonnis van 7 november 2012 heeft overwogen (zie 2.6 van dat vonnis). PNO is het met deze bindende eindbeslissing van de rechtbank (en het hof) niet eens en zet de redenen daarvoor uiteen in haar akte na tussenvonnis van 25 juni 2014.

2.7.

De rechtbank overweegt dat, in bepaalde gevallen waarin een eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, de rechter op grond van de eisen van een goede procesorde bevoegd is de eindbeslissing te heroverwegen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). De stellingen van PNO in haar akte na tussenvonnis zijn in feite een herhaling van hetgeen zij op voormeld onderdeel in deze procedure eerder had aangevoerd. Die argumenten heeft de rechtbank al bij het nemen van haar eindbeslissing betrokken. Voor een heroverweging als vorenbedoeld is dan ook geen grond. Gebleven wordt bij hetgeen eerder is vastgesteld en overwogen. Voor zover nodig neemt de rechtbank de overwegingen van het hof op dit onderdeel over en maakt zij deze tot de hare.

2.8.

Dan de uitleg van de inhoud van het concurrentiebeding. Evenals de rechtbank in het tussenvonnis van 7 november 2012, acht het hof hierbij de letterlijke tekst van het concurrentiebeding niet doorslaggevend, maar hetgeen hierover in het Handboek Arbeidsvoorwaarden PNO is opgenomen. Zowel de rechtbank als het hof verstaan het concurrentiebeding aldus, dat het verbiedt het verrichten van advieswerkzaamheden op het gebied van subsidies voor zover het adviesaspect deel uitmaakt van de nieuwe functie. Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat het [naam 1] tevens was verboden te adviseren ten aanzien van subsidies voor zover zij in haar werkzaamheden bij PNO op dit punt kennis had opgedaan en/of vaardigheden had geleerd waarmee zij, als zij deze zelfde werkzaamheden voor Deloitte zou gaan verrichten, PNO na haar overstap zou beconcurreren.

2.9.

Ook met deze bindende eindbeslissing van de rechtbank (en het hof) kan PNO zich niet verenigen. Zij onderbouwt dit standpunt in haar akte na tussenvonnis echter niet. Alleen al daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om gebruik te maken van haar onder 2.7 bedoelde bevoegdheid om van bindende eindbeslissingen terug te komen. De beslissing berust bovendien niet op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. De rechtbank blijft dus bij hetgeen zij op dit onderdeel eerder heeft vastgesteld en overwogen.

2.10.

Ten slotte ligt dan de vraag voor of [naam 1] het concurrentiebeding heeft overtreden. Het hof is als gezegd tot de conclusie gekomen, voor zover van belang, dat [naam 1] geen werkzaamheden voor PNO met betrekking tot de Innovatiebox heeft verricht en dat [naam 1] het concurrentiebeding niet heeft geschonden. Het hof heeft daartoe geoordeeld dat PNO haar stellingen in dit verband onvoldoende heeft onderbouwd.

2.11.

PNO is het hiermee niet eens en voert onder meer aan dat het hof geen kennis heeft kunnen nemen van alle processen-verbaal van de getuigenverhoren die in de onderhavige procedure bij de rechtbank hebben plaatsgevonden en evenmin van de daarop volgende conclusies na enquête. Dit mag zo zijn, maar de rechtbank heeft dat wel, en met het hof is de rechtbank van oordeel dat uit de getuigenverklaring van [getuige] in het geheel niet valt af te leiden dat [naam 1] bij PNO wel degelijk werkzaamheden heeft verricht in het kader van de Innovatiebox. [getuige] heeft wel verklaard dat hij, toen in het eindgesprek het woord innovatiebox viel, tegen [naam 1] heeft gezegd: “pas op, dat doen wij”, maar dit “wij” verstaat de rechtbank als “PNO” en nog niet als [naam 1] zelf. Voorts verklaart [getuige] wel dat hij [naam 1] voordien nog opdracht had gegeven om met KLM en Schiphol te gaan praten over de Innovatiebox, maar [getuige] verklaart niet dat [naam 1] dat ook heeft gedaan. [getuige] verwijst naar e-mailcorrespondentie. De rechtbank neemt aan dat [getuige] daarbij het oog heeft op de e-mails van 17 juni 2010, die PNO bij gelegenheid van dat getuigenverhoor als productie 6 in het geding heeft gebracht (en die PNO nogmaals overlegt als productie 1 bij haar laatste akte). Uit deze e-mails blijkt echter niet dat [naam 1] zelf met KLM (of Schiphol) heeft gesproken over de Innovatiebox. Integendeel, uit die e-mails blijkt dat ene [naam 2] en [naam 3] in een eerder stadium bij KLM over de Innovatiebox in gesprek waren geweest en dat [naam 1] hiermee wel bekend was, maar dat dit proces volgens haar stil stond.

[naam 1] heeft zelf als getuige ontkend dat zij bij PNO werk heeft verricht rondom de Innovatiebox en zij heeft verklaard dat [naam 3] wel eens met haar over die regeling heeft gesproken, maar haar niet echt wegwijs heeft gemaakt. Verder heeft geen van de getuigen, die bij PNO werken of hebben gewerkt ([getuigen]), verklaard dat [naam 1] bij PNO werkzaamheden heeft verricht in het kader van de Innovatiebox en/of in dat kader bij PNO enigerlei opleiding of training heeft genoten en specifieke kennis heeft opgedaan

De overige getuigen die door PNO zijn voorgebracht – [getuigen] – hebben alle drie verklaard dat zij niet uit eigen wetenschap kennis hebben van de aard van de werkzaamheden van [naam 1].

De getuigenverklaringen dragen dus niet bij tot het aan PNO opgedragen bewijs dat de werkzaamheden die [naam 1] in de periode van 1 augustus 2010 tot 1 augustus 2011 voor Deloitte heeft verricht kwalificeren als het uitvoeren van of leiding geven aan concurrerend subsidieadvies.

2.12.

De vraag of – zoals PNO betoogt – de werkzaamheden van PNO en Deloitte niet slechts in elkaars verlengde liggen maar elkaar overlappen, en of specifieke kennis omtrent de WBSO specifieke kennis omtrent de Innovatiebox impliceert, blijft buiten bespreking. Deze vraag ziet immers niet specifiek op de aard van de werkzaamheden van [naam 1], waarop de bewijsopdracht juist betrekking heeft.

2.13.

Evenals het hof komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van schending van het concurrentiebeding door [naam 1]. Hieruit volgt dat de grondslag aan de vorderingen van PNO jegens Deloitte Belastingadviseurs B.V. is komen te ontvallen, nu deze immers zijn gebaseerd op vermeende overtreding door [naam 1] van het concurrentiebeding. De vorderingen jegens Deloitte Belastingadviseurs B.V. moeten dan ook worden afgewezen. Aan een verdere bespreking van de in 2.1 en 2.2 genoemde bewijsopdrachten komt de rechtbank gezien het voorgaande niet toe.

2.14.

In het tussenvonnis van 7 november 2012 heeft de rechtbank al overwogen dat de vorderingen die zijn gericht tegen Deloitte Consulting C.V.B.A. en Deloitte Grants & Incentives B.V. moeten worden afgewezen.

2.15.

PNO zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Deloitte worden begroot op:

- griffierecht € 1.744,00

- getuigenkosten 300,00

- salaris advocaat 7.815,50 (5,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 9.859,50

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt PNO in de proceskosten, aan de zijde van Deloitte tot op heden begroot op € 9.859,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3.

veroordeelt PNO in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat PNO niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2014.

Coll.: JC