Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5593

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
257005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot staking van het gebruik van een strook grond en tot ontruiming en terugbrengen in oorspronkelijke staat daarvan. Beroep op verkrijgende verjaring (artikel 3:99 BW) slaagt niet omdat de daarvoor vereiste goede trouw ontbreekt. Ook beroep op verjaring op grond van artikel 3:105 jo. 3:306 en 3:314 BW slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/257005 / HA ZA 14-9

Vonnis van 23 juli 2014

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TIEL

zetelend te Tiel

eiseres in conventie

verweerster in reconventie

advocaat: mr. R.A.M. Saedt te Nijmegen

tegen

[gedaagden] en

[gedaagden]

beiden wonend te [plaats]

gedaagden in conventie

eiseressen in reconventie

advocaat: mr. A.G.W. van Kessel te Woudrichem

Partijen zullen hierna de gemeente en - in meervoud - [gedaagden] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 maart 2014

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 28 mei 2014.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagden] zijn eigenaar van een onroerende zaak met woning, gelegen aan [adres 1], kadastraal bekend [plaats], sectie [nummer 1] (hierna ook: [adres 1]). Het terrein ligt op de hoek van [adres 1] (perceel [nummer 2]) en [adres 2] (perceel [nummer 3]), die beide aan de gemeente toebehoren.

2.2

[gedaagden] hebben [adres 1] op 15 december 2006 verkregen van [naam 1]. Volgens de akte van levering van die datum hebben zij verkregen:

Het woonhuis met garage, erf, tuin, grond en verder toebehoren gelegen te [adres 1], kadastraal bekend [plaats] sectie [nummer 1], groot veertien are en twintig centiare (14 a en 20 ca) (..).

2.3

Voeten (en diens echtgenote) verkreeg [adres 1] op 1 september 1997 van [naam 2] en[naam 3]. Volgens de akte van levering gaat het om:

het woonhuis met garage, grond en verder toebehoren, staande en gelegen te [plaats], plaatselijk bekend [adres 1], kadastraal bekend [plaats], sectie [nummer 1], groot veertien are twintig centiare.

2.4

[naam 2] en [naam 3] hebben [adres 1] op 2 mei 1994 verkregen van de erven [naam 4]. In de akte van levering is de onroerende zaak omschreven als:

Het vrijstaand woonhuis met aangebouwde schuur/berging, ondergrond en bijbehorende grond, staande en gelegen te [adres 1], plaatselijk bekend [adres 1], uitmakende een behoorlijk afgepaald en kennelijk aangeduid, aan partijen bekend gedeelte, ter grootte van ongeveer 12 aren (± 0.12.00 ha) - of zoveel meer of minder als na kadastrale opmeting zal blijken - van het kadastrale perceel gemeente Tiel, sectie [nummer 4] (..).

[naam 2] en [naam 3] kregen hiermee een deel van een (voormalig) agrarisch perceel geleverd. In 1995 hebben zij daarop de woning gebouwd die er thans staat.

2.5

Op 27 augustus 2012 heeft de gemeente het kadaster ter plaatse een grensreconstructie laten uitvoeren (productie 12). Daaruit blijkt dat [gedaagden] aan de straatzijde grond in gebruik hebben buiten de kadastrale grens van hun perceel [nummer 1]. Het betreft ongeveer 164 m2. Beide partijen gaan ervan uit dat het om de gearceerde strook gaat op de als productie 15 (en als onderdeel van productie 9 en 10) door de gemeente in het geding gebrachte tekening, waarvan hier wordt afgebeeld:

2.6

De bij [gedaagden] in gebruik zijnde grond is aan de straatzijde afgescheiden door middel van een coniferenhaag en, ter hoogte van de inrit naar het terrein, door middel van een stalen hekwerk met poort.

3 Het geschil

3.1

De gemeente vordert dat [gedaagden] het gebruik van de gearceerde strook staken en deze ontruimen en terugbrengen in de oorspronkelijke althans bepaalde gewenste staat, alsmede dat de rechtbank de gemeente machtigt om dat zo nodig zelf te doen op kosten van [gedaagden]

3.2

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer en doen een beroep op verjaring. In reconventie vorderen zij, zo begrijpt de rechtbank, aanpassing door de gemeente van de openbare registers aan de nieuwe rechtstoestand.

4 De beoordeling

4.1

[gedaagden] doen in de eerste plaats een beroep op de verkrijgende verjaring van artikel 3:99 BW. Zij stellen hun onroerende zaak precies zo te hebben gekocht zoals deze er nu bij ligt en geen reden te hebben gehad om te betwijfelen dat de feitelijke grens niet overeenstemde met de kadastrale grens.

4.2

Volgens artikel 3:99 BW worden rechten op (onder meer) onroerende zaken verkregen door een bezitter te goeder trouw door een onafgebroken bezit van tien jaren. [gedaagden] verkregen hun zaak in 2006 van Voeten. Vereist is dan, uitgaande van bezit van de betwiste strook grond gedurende tien jaren, dat zowel Voeten als [gedaagden] bij hun verkrijging te goeder trouw waren (art. 3:102 lid 2 BW). Volgens artikel 3:118 lid 1 BW is een bezitter te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen. Verder wordt goede trouw vermoed aanwezig te zijn en moet het ontbreken daarvan worden bewezen (art. 3:118 lid 3 BW). Volgens artikel 3:23 BW wordt het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend. Artikel 3:11 BW bepaalt verder dat goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen ontbreekt indien hij de feiten of het recht waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Onmogelijkheid van onderzoek, zo besluit deze bepaling, belet niet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de feiten of het recht behoorde te kennen.

4.3

In dit verband heeft de gemeente gewezen op een verwijzing naar een leveringsakte van 9 januari 1990 welke verwijzing in alle hierboven genoemde leveringsaktes voorkomt. Deze is in de leveringsakte van 15 januari 2006 als volgt verwoord:

Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden en bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar een akte van levering op één september negentienhonderd zevenennegentig verleden (..) waarin ondermeer woordelijk staat vermeld:

“(..)

Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden en aan kopers op te leggen bijzondere verplichtingen ten aanzien van het verkochte, wordt te dezen verwezen naar de onder B. genoemde akte tot levering, waarin woordelijk staat vermeld:

“Met betrekking tot bekende erfdienstbaarheden, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere verplichtingen wordt verwezen naar:

(..)

b. een akte van levering op negen januari negentienhonderd negentig verleden (..) bij welke akte een perceeltje grond aan [adres 1] ter grootte van ongeveer veertig vierkante meter werd overgedragen door de heer [naam 4] (..)”

4.4

In de akte van 9 januari 1990 draagt [naam 4] een klein stukje van zijn perceel [nummer 4] over aan ene [naam 5] en wel “zoals met een streeparcering schetsmatig is aangegeven op een aan deze akte gehechte door de comparanten gewaarmerkte situatietekening”. De tekening vormt het laatste blad van de door de gemeente overgelegde afschriftkopie van de akte, welk blad hier wordt weergegeven:

Blijkens het onderschrift van de notaris is de tekening met de akte in de openbare registers ingeschreven.

4.5

Op de tekening is met door de rechtbank aangebrachte rode pijlen aangegeven waar de kadastrale grens van het latere perceel [nummer 1] opvallend afwijkt van de feitelijke grens, zoals deze daar thans wordt gevormd en volgens [gedaagden] ten tijde van hun verkrijging ook aanwezig was. Gelet hierop hadden zij er bij hun verkrijging bedacht op moeten zijn dat de feitelijke grens wel eens anders zou kunnen liggen dan de kadastrale en zij mogelijk een groter terrein in gebruik zouden nemen dan het hun geleverde perceel.

4.6

Mede in het licht van de bewoordingen van artikel 3:11 BW (“goede reden tot twijfel”) en gelet op artikel 3:23 BW zijn [gedaagden] daarmee niet te goeder trouw in de zin van de wet. Het vermoeden van artikel 3:118 lid 3 BW is daarmee weerlegd. Dat betekent dat het beroep op de verkrijgende verjaring van artikel 3:99 BW niet opgaat.

4.7

[gedaagden] doen ook nog een beroep op de verjaring van artikel 3:105 BW in verbinding met de artikelen 3:306 en 3:314 BW. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de gemeente gedurende twintig jaren het bezit van de strook grond ontnomen is geweest en dat die termijn eindigde op of na 1 januari 1992 (de inwerkingtreding van het BW). Uit de stellingen van [gedaagden] vloeit echter voort dat (eerst) sinds het plaatsen van de coniferenhaag en het stalen hekwerk met poort in 1995 sprake is geweest van bezit (conclusie van antwoord, onder 22). Zij stellen wel dat [naam 4] altijd over zijn perceel inclusief de betwiste strook grond de feitelijke macht heeft uitgeoefend met de pretentie rechthebbende te zijn, maar zij onderbouwen die stelling - behalve door te verwijzen naar een (door de gemeente overgelegde) onduidelijke luchtfoto uit 1981 - niet. In ieder geval volgt daaruit niet dat ook vóór 1995 sprake is geweest van bezit van de betwiste strook. Daarbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat blijkens uitlatingen aan de zijde van de gemeente het uiterlijk van zowel [adres 2] als [adres 1] in de jaren ’80 van de vorige eeuw wijziging heeft ondergaan.

4.8

Ook dit beroep op verjaring slaagt dus niet. Nu zij voor het overige niet zijn bestreden zullen de vorderingen in conventie daarom als hierna te melden worden toegewezen. De vorderingen in reconventie zullen worden afgewezen.

4.9

Als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij zullen [gedaagden] worden veroordeeld in de kosten van de procedure en in de nakosten als hierna te melden.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

beveelt [gedaagden] het gebruik van de betwiste strook grond, zoals gearceerd in productie 15 (en als onderdeel van productie 9 en 10) bij de dagvaarding te staken, deze strook grond met al hetgeen zich daarop van hunnentwege bevindt te ontruimen en ontruimd te houden tot aan de kadastrale grens, zoals deze door het kadaster op 27 augustus 2012 is gereconstrueerd (productie 12 bij de dagvaarding), alsmede deze strook grond te brengen in een staat leeg en ontruimd zonder aanwezigheid van beplanting, tegels, afscheidingen en bouwwerken en zo nodig de grond aan te vullen tot maaiveldniveau, een en ander binnen twee maanden na betekening van dit vonnis en op straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 250,- per dag dat [gedaagden] daarmee in gebreke zullen blijven, tot een maximum van € 20.000,-,

machtigt de gemeente om, na volledige verbeurte van de bovengenoemde dwangsom en bij verdere gebreke van voldoening aan een van de bovengenoemde bevelen, de ontruiming en/of het terugbrengen in de genoemde staat zelf uit te voeren op kosten van [gedaagden], voor welke kosten [gedaagden] dan hoofdelijk aansprakelijk zijn, met bevel die kosten (vermeerderd met wettelijke rente) dan op eerste verzoek te voldoen, onder overlegging door de gemeente van de bescheiden betreffende die kosten,

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van de gemeente bepaald op € 608,- voor griffierecht, € 96,77 voor kosten van de dagvaarding en € 904,- voor het salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, alsmede in de nakosten (ter hoogte van € 131,- dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,-),

wijst af het meer of anders gevorderde,

in reconventie:

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de procedure, tot dit vonnis aan de zijde van de gemeente bepaald op € 452,- voor het salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2014.