Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5568

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
244651
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwaling omtrent onderdeel overeenkomst. Art. 6:230 lid 2 BW, wijzigen overeenkomst ter opheffing nadeel. Partijen geven onvoldoende aanknopingspunten m.b.t het verminderen van de koopprijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/244651 / HA ZA 13-392

Vonnis van 9 juli 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eisers],

gevestigd te [plaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.A. van Beilen te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.A. van Huussen te Veenendaal.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 maart 2014

  • -

    de akte van [gedaagde] d.d. 16 april 2014

  • -

    de antwoordakte van [eisers] d.d. 14 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van
5 maart 2014. In dat tussenvonnis is in r.o. 2.8. het volgende overwogen:

2.8.

Met betrekking tot de opheffing van het nadeel wordt overwogen dat dit zal moeten leiden tot een vermindering van de koopprijs. Partijen hebben hieromtrent echter geen enkel aanknopingspunt gegeven. Het standpunt van [eisers] dat [gedaagde] in het geheel geen nadeel heeft ondervonden, verhoudt zich niet met haar verzoek tot het wijzigen van de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het nadeel en treft daarom geen doel. De zaak zal daarom naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van [gedaagde]. [gedaagde] dient in deze akte aanknopingspunten te geven op grond waarvan zou kunnen worden vastgesteld wat een reële koopprijs zou zijn geweest indien [gedaagde] wel op de hoogte was geweest van de juiste omzetcijfers met betrekking tot het theatervervoer. Hierbij dient zij onderbouwd aan te geven wat volgens haar een reële koopprijs zou zijn geweest en om welke reden, waarbij (bij benadering) onderscheiden moet worden in het deel van de koopprijs dat ziet op de overgenomen activa en het deel dat is gebaseerd op de omzetcijfers. [eisers] mag vervolgens bij antwoordakte reageren.

2.2.

[gedaagde] heeft in haar akte het volgende betoogd. [gedaagde] is voorgehouden dat [eisers] jaarlijks een winst genereerde van € 30.000,00 en een cashflow van € 95.000,00. Bij een omzet van afgerond € 200.000,00 in plaats van afgerond € 300.000,00 kon, gelet op de vaste kosten die aan het theatervervoer zijn verbonden géén winst worden behaald, maar is verlies geleden. Voorts heeft zij aangevoerd dat ten tijde van de gesloten overeenkomst de boekwaarde van de overgenomen touringcar en sprinterbussen € 120.212,00 bedroeg. De restantschuld van de overgenomen touringcar en sprinterbussen aan de leasemaatschappij bedroeg € 128.889,00. De verkoopwaarde van de autobussen lag iets hoger, [gedaagde] heeft hierbij gerekend met een stille reserve van € 25.000,00. Daartegenover stond dat zij het leasecontract voor de geheel nieuwe sprinter bus moest overnemen en daarmee een jarenlange financiële last op zich nam. Volgens [gedaagde] heeft dat ertoe geleid dat de koopprijs van € 120.000,00 in zijn geheel een (goodwill)vergoeding inhield voor de winst die kon worden behaald uit de omzet van het theatervervoer van [eisers]. Als [gedaagde] ervan op de hoogte zou zijn geweest dat de omzet € 100.000,00 lager was dan wat [eisers] had voorgespiegeld en zij niettemin de overeenkomst was aangegaan, dan zou zij uitsluitend een vergoeding hebben betaald voor de stille reserve die de overgenomen activa vertoonden, minus een vergoeding voor het verlies dat bij een omzet van € 200.000,00 te verwachten was. Volgens [gedaagde] zou de koopprijs op nihil gesteld moeten worden omdat zij dan met een verliesgevende activiteit zou zijn opgescheept terwijl [eisers] van deze verliesgevende activiteit verlost zou zijn. [gedaagde] heeft daaraan toegevoegd dat die verliezen zich ook daadwerkelijk hebben gerealiseerd en dat de omzet zich niet heeft hersteld terwijl de kosten onveranderd zijn gebleven.

2.3.

[eisers] heeft de benadering van [gedaagde] betwist en zich wederom op het standpunt gesteld dat de omzet bij de onderhandelingen over de koopsom totaal niet relevant was. Het ging volgens [eisers] om de overname van materieel en niet om de overname van goodwill. De koopsom was volgens [eisers] dus vooral gebaseerd op de waarde van de voertuigen.

2.4.

De rechtbank kan zich niet in de benadering van partijen vinden. In het tussenvonnis van 5 maart 2014 is geoordeeld dat bij de verkoop van de bedrijfsactiviteiten van [eisers] aan [gedaagde] en het vaststellen van de koopprijs niet alleen de omzet over het jaar 2011 betrokken was maar ook de omzet van het jaar 2010 en alle leaseverplichtingen van de overgenomen voertuigen. Omdat de dwaling zag op een onderdeel van de overeenkomst, ging het gezien de verstrekkende gevolgen van een vernietiging voor [eisers] te ver om de overeenkomst te vernietigen. Dezelfde redenering geldt voor het opheffen van het nadeel met verminderen van de koopprijs tot nihil. Ook dat gaat te ver. Te meer nu [gedaagde] onbetwist heeft gesteld rekening te hebben gehouden met een stille reserve op de voertuigen van € 25.000,00. Voor de stelling van [gedaagde] dat de gehele koopsom zag op een vergoeding van goodwill, hetgeen [eisers] heeft betwist, zijn ook geen aanknopingspunten geboden. In de overeenkomst wordt geen goodwill benoemd en ook uit de door [gedaagde] bij akte van 16 april 2014 overgelegde overzicht uit haar administratie blijkt niet van goodwill. [gedaagde] heeft de koopprijs daarin verwerkt als aanschafwaarde van de voertuigen.

2.5.

Het volgen van de benadering van [eisers], dat de omzet in het geheel niet van belang is geweest bij de onderhandelingen over de koopsom, kan ook niet worden gevolgd. Dat de omzet bij de overdracht wel relevant was blijkt ook uit de e-mail van 10 december 2009 van [eisers]. Hierin schrijft hij dat overgaat (naar [gedaagde]) twee man personeel, omzet met contracten, huurpand en wagenpark. De accountant zou dan ook een overzicht opstellen van de omzet en kosten gerelateerde zaken aangaande het theatervervoer over de jaren 2007 en 2008. Ook blijkt dat uit de tekst van de overeenkomst van 6 maart 2012 waarin de omzet over 2010 en 2011 wordt genoemd en de wijze waarop deze wordt gegenereerd. Ook kan de rechtbank [eisers] niet volgen in haar stelling dat [gedaagde] alleen maar voor de voertuigen heeft betaald. Nu er een restant schuld aan de leasemaatschappij was van € 128.889,00 terwijl de verkoopwaarde van de voertuigen € 25.000,00 hoger was dan de leaseverplichtingen, is het niet aannemelijk dat [gedaagde] € 120.000,00 zou vergoeden enkel voor de waarde van deze voertuigen. De te verwachten omzet met de voertuigen moet dus een rol hebben gespeeld bij het bepalen van de koopprijs.

2.6.

De rechtbank overweegt verder dat [gedaagde] in haar akte, behalve het verminderen van de koopprijs tot nihil, waaromtrent hierboven is overwogen dat dat geen reële benadering is, vrijwel geen aanknopingspunten heeft gegeven op grond waarvan de rechtbank kan vaststellen wat een reële koopprijs zou zijn geweest indien [gedaagde] wel op de hoogte was geweest van de juiste omzetcijfers met betrekking tot het theatervervoer. Wat wel is gebleken, is dat [gedaagde] gerekend heeft met een stille reserve van € 25.000,00 op de overgenomen voertuigen en rekende op een jaarlijkse winst van € 30.000,00. Met betrekking tot de te verwachten omzet, welke, zoals hierboven al is overwogen, kennelijk een rol heeft gespeeld in het tot stand komen van de overeenkomst, wordt het volgende overwogen. In de koopovereenkomst is opgenomen dat de omzetten verzorgd zouden worden door de volgende opdrachtgevers: het Nationaal Toneel (uit Den Haag), Toneelgroep Amsterdam (uit Amsterdam), Het Toneel Speelt (uit Amsterdam), Noord Nederland Toneel (uit Groningen) en Oostpool (uit Arnhem). In haar antwoordakte van 14 mei 2014 heeft [eisers] aangevoerd dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat een belangrijke opdrachtgever, RO Theater in Rotterdam, waarschijnlijk weg zou vallen. Of dat is gebeurd, hoeveel omzet deze opdrachtgever genereerde en welke rol dit heeft gespeeld in het verlies dat [gedaagde] heeft geleden, is niet bekend. Dat zou echter voor een deel het tegenvallen van de omzet kunnen verklaren.

2.7.

Een benadering om te komen tot een vermindering van de koopprijs zou de volgende kunnen zijn. De omzet over 2010 heeft [eisers] goed weergegeven. De omzet over 2011 is ongeveer 1/3 lager dan [eisers] had voorgespiegeld. [gedaagde] was ervan op de hoogte dat mede ten gevolge van het stopzetten van subsidies tenminste één belangrijke klant zou kunnen wegvallen. Dit alles bij elkaar genomen zou dan in de benadering van de rechtbank kunnen resulteren in een schatting van het nadeel en een vermindering van de koopprijs met € 20.000,00, exclusief btw. Hiermee zou het nadeel dat [gedaagde] als gevolg van haar dwaling heeft geleden, worden opgeheven. Partijen mogen zich hierover bij akte uitlaten, eerst [gedaagde] en daarna [eisers] bij antwoordakte. Indien [gedaagde] het niet eens is met de benadering van de rechtbank dan dient zij gemotiveerd en door middel van een berekening aan te geven met welk reëel bedrag (dus niet een vermindering tot nihil of vrijwel nihil) de koopprijs verminderd zou moeten worden. [eisers] wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld een antwoordakte te nemen.

2.8.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 augustus 2014 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder 2.7., waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.

Coll. MBR