Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5553

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
03-09-2014
Zaaknummer
251249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over eigendom van grond; extinctieve verjaring van de revindicatie (art. 3:306/314 BW) en de daaraan gekoppelde verkrijging van art. 3:105 BW; discussie omtrent de toepasselijkheid van art. 5:54 lid 1 BW; deskundigenoordeel vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 251249 / HA ZA 13-654

Vonnis van 9 juli 2014

in de zaak van

de vereniging

POSTDUIVENVERENIGING “DE POSTDUIF INGEN EN OMSTREKEN”

gevestigd te Ingen, gemeente Buren

eiseres in conventie

verweerster in reconventie

advocaat: mr. C.J.M. van Veenendaal te Culemborg

tegen

[gedaagde]

wonend te [plaats]

gedaagde in conventie

eiser in reconventie

advocaat: mr. S. Schuurman te Tiel

Partijen zullen hierna de vereniging en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 november 2013

- de conclusie van antwoord in reconventie van de vereniging van 5 februari 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 26 februari 2014

  • -

    de akte na comparitie van [gedaagde] van 26 maart 2014

  • -

    de akte in het geding brengen van stukken, tevens akte uitlating van de vereniging van 9 april 2014

  • -

    de akte van [gedaagde] van 7 mei 2014

  • -

    de akte van de vereniging van 21 mei 2014.

1.2

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagde] is bewindvoerder over het vermogen van [naam 1] (hierna: [naam 1]). [naam 1] is eigenaar van het perceel boomgaard, gelegen te [plaats] en kadastraal bekend [perceel 1] (hierna: [perceel 1]). Dit perceel is op 3 oktober 1983 door [naam 2] en [naam 3] tezamen met twee andere percelen geleverd aan wijlen de heer [gedaagde], met wie [naam 1] in gemeenschap van goederen was gehuwd.

2.2

Ten noordoosten grenst aan [perceel 1] het perceel kadastraal bekend [perceel 2] (hierna: [perceel 2]). Dit behoorde tot 27 oktober 2011 toe aan [plaats]. Deze heeft [perceel 2] op die datum overgedragen aan de vereniging. De vereniging had dat perceel al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw in gebruik, toen daarop door de vereniging een verenigingsgebouw is gesticht (hierna: het gebouw).

2.3

Het gebouw is voor een deel op [perceel 1] gebouwd. Het staat op een langwerpige afgescheiden strook grond die het gebouw bovendien omzoomt en, voor zover deze strook deel uitmaakt van [perceel 1], van het overige deel van [perceel 1] wordt afgescheiden door middel van een afrastering, bestaande uit stenen palen met gaas. Die afrastering is in de jaren zestig van de vorige eeuw door de toenmalige eigenaar van [perceel 1] geplaatst. Deze eigenaar heeft toen ook toestemming aan de vereniging verleend tot het in gebruik nemen van de strook grond.

2.4

Het gebouw heeft één uitgang, in het midden aan de zuidwestzijde ervan. Vanaf daar is een uitrit over [perceel 2]/[perceel 1] aangelegd naar de openbare weg de [straat].

2.5

Het gebouw is afgebeeld op een kadastraal veldwerk uit 1980, dat hieronder is weergeven (de rode pijl wijst naar het gebouw en is toegevoegd door de rechtbank).

Voorts komt het gebouw voor op een kadastrale kaart uit 1986, waarvan hieronder een fragment is afgebeeld (de rode pijl wijst naar het gebouw en is toegevoegd door de rechtbank).

3 Het geschil

3.1

Partijen twisten over de eigendom van de grond binnen de afrastering (gezien vanuit [perceel 2]), voor zover deze grond deel uitmaakt van [perceel 1], alsmede over de eigendom van het gebouw, voor zover dit zich bevindt op [perceel 1], en over de vraag of het gebouw mag blijven staan.

3.2

In conventie vordert de vereniging, samengevat,

wat betreft het gebouw,

primair:

1. een verklaring voor recht dat het deel van het gebouw, dat zich boven [perceel 1] bevindt, deel uitmaakt (bestanddeel is) van het deel van het gebouw (de hoofdzaak) dat zich boven [perceel 2] bevindt;

2. een verklaring voor recht dat de vereniging door horizontale natrekking eigenaar is van het gehele gebouw;

3. de veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan de inschrijving in de openbare registers van dat eigendomsrecht;

subsidiair:

de veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan de vestiging van een opstalrecht “om niet” ten gunste van de vereniging;

wat betreft de grond,

primair:

1. een verklaring voor recht dat de grond voor, achter en naast het gebouw tot aan de afrastering, voor zover deel van [perceel 1], door bezit gedurende twintig jaren eigendom is geworden van de vereniging;

2. de veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan de inschrijving in de openbare registers van dat eigendomsrecht;

subsidiair:

1. een verklaring voor recht dat op de hier bedoelde grond een erfpachtrecht rust, ontstaan door extinctieve verjaring;

2. de veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan de inschrijving in de openbare registers van dat erfpachtrecht;

meer subsidiair:

de veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan het vestigen van zulk een erfpachtrecht, zonder canon.

3.3

In reconventie vordert [gedaagde], samengevat,

primair:

veroordeling tot amotie van het gebouw althans het over [perceel 1] gebouwde deel ervan;

subsidiair:

1. een verklaring voor recht dat [gedaagde] eigenaar is van het gehele gebouw;

2. de veroordeling van de vereniging tot feitelijke afscheiding (splitsing) van de ruimte binnen het gebouw conform de kadastrale grens;

voorwaardelijk, in geval van een opstalrecht en/of erfpachtrecht als in conventie gevorderd:

de veroordeling van de vereniging tot betaling van € 12.000,-, in het laatste geval als erfpachtcanon.

3.4

Partijen voeren over en weer gemotiveerd verweer. Op hun standpunten zal hierna zo nodig nog worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen zij gezamenlijk worden beoordeeld.

4.2

Beide partijen stellen zich op het standpunt dat de tot [perceel 1] behorende grond onder het gebouw en eromheen, tot de afrastering, met toestemming van de eigenaar (eerst

- aldus partijen - mevrouw [naam 2] en later kennelijk ook [gedaagde] en [naam 1]) bij de vereniging in gebruik is geweest. Verder staat vast dat het de toenmalige eigenaar van [perceel 1] is geweest, die de afrastering heeft gezet.

4.3

De vereniging stelt ten aanzien van de grond dat zij daarvan de eigendom heeft verkregen door middel van verjaring gedurende twintig jaar. Het gaat dus over de extinctieve verjaring van de revindicatie (art. 3:306/314 BW) en de daaraan gekoppelde verkrijging van artikel 3:105 BW. Daarover wordt het volgende geoordeeld: de tussen partijen vaststaande toestemming tot ingebruikneming van de strook grond, voor zover deze zich op [perceel 1] bevindt, en de daaropvolgende ingebruikneming krachtens die toestemming, sluit bezit van die strook uit. Het gaat dan immers naar verkeersopvatting niet om houden voor zichzelf (ook al wil men dat (later) misschien nog zo graag) maar voor een ander. De omstandigheid dat het de eigenaar van [perceel 1] is geweest, die de afrastering heeft gezet, wijst daar eveneens op. Gesteld noch gebleken is dat in dat houden voor een ander tijdig wijziging is gebracht (vgl. art. 3:111 BW).

4.4

De toestemming verhindert ook dat de onrechtmatige toestand, waarover artikel 3:314 lid 1 BW spreekt, zich voordoet zolang die toestemming niet is ingetrokken. Aldus kan de verjaring geen aanvang nemen.

4.5

Eigendom van de grond kan dus niet door verjaring zijn verkregen. De met het oog op de grond in conventie ingestelde primaire vorderingen zijn dus niet toewijsbaar.

4.6

Het onder 4.4 genoemde argument kan ook met succes tegen de subsidiaire vorderingen in conventie inzake de grond worden aangevoerd, volgens welke vorderingen de extinctieve verjaring van de revindicatie tot verkrijging van een recht van erfpacht zou moeten leiden. De toestemming verhindert dus ook daar de aanvang van de verjaring. Wat het vereiste bezit van het recht van erfpacht betreft geldt bovendien (ten overvloede) nog het volgende. Binnen het kader van de onder 4.3 bedoelde houderschapsrelatie is bezit van een recht van erfpacht na twintig jaar op zichzelf niet ondenkbaar, maar het ontbreken van een canonverplichting, hoewel sinds het Gewijzigd Ontwerp voor het nieuw BW niet meer essentieel voor het bestaan van een recht van erfpacht (zie Parlementaire Geschiedenis nieuw BW, Boek 5, blz. 300 en 301, anders echter reeds Hugo de Groot, Inleydinge (enz.), II, 40 eerste volzin), staat daar naar het oordeel van de rechtbank aan in de weg. Juist omdat in kwesties van verjaring duidelijk moet zijn voor de direct betrokkenen binnen een houderschapsrelatie welk recht wordt uitgeoefend, is het ontbreken van een ‘bijna’ wezenlijk element van dat recht een sta-in-de-weg voor bezit van dat recht.

4.7

De met betrekking tot de grond in conventie subsidiair ingestelde vorderingen zijn dus niet toewijsbaar.

4.8

Hetzelfde geldt met betrekking tot het in conventie inzake de grond meer subsidiair gevorderde: een verplichting tot vestiging van een erfpachtrecht is uit de feiten en de stellingen van de vereniging niet aanwijsbaar (geen overeenkomst, toezegging, vertrouwen enz.), terwijl daarvoor overigens in het recht geen grondslag is te vinden.

4.9

Wat betreft het gebouw is de beoordeling meer gecompliceerd. Partijen debatteren uitvoerig over de vraag welk deel van het gebouw als hoofdzaak moet worden beschouwd en of sprake is van horizontale natrekking vanuit [perceel 2] van het op [perceel 1] gebouwde deel, zodat de vereniging als eigenaar van het gehele gebouw moet worden beschouwd. Met de beantwoording van die vraag is echter in beginsel nog niets gezegd over het antwoord op de vraag of de overbouw mag blijven staan. Deze vormt immers na de intrekking van de toestemming - welke intrekking in de vordering tot amotie opgesloten mag worden geacht - een inbreuk op de eigendom van [naam 1]. Indien amotie daarvan moet worden bevolen, verliezen partijen hun belang bij de gevorderde verklaringen voor recht omtrent de eigendom van het gebouw. Dat geldt ook als geen sprake zou zijn van horizontale natrekking vanuit [perceel 2]. Het gehele gebouw wordt dan immers óók in stand gehouden door de vereniging: met de intrekking van de toestemming is die instandhouding een onrechtmatige inbreuk op de eigendom van [gedaagde].

4.10

Op de achtergrond speelt nog de vraag of door verjaring wellicht een recht van opstal kan zijn ontstaan. De vereniging heeft die vraag echter niet door middel van een gevorderde verklaring voor recht aan de rechtbank voorgelegd (de rechtbank zou een dergelijke verjaring binnen het kader van de gevorderde amotie overigens wel ambtshalve bij haar beoordeling moeten betrekken: zie Parlementaire Geschiedenis nieuw BW, Boek 3, blz. 419). Maar ook hier zou het onder 4.4 genoemde argument tegen aanvang van de verjaring zich doen gelden.

4.11

Wel vraagt de vereniging de veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan de vestiging van een opstalrecht “om niet”, doch daarvoor geldt hetzelfde als hiervoor al is overwogen over de gevorderde veroordeling tot vestiging van een erfpachtrecht: een verplichting tot vestiging van een opstalrecht is uit de feiten en de stellingen van de vereniging niet aanwijsbaar (geen overeenkomst, toezegging, vertrouwen enz.), terwijl daarvoor overigens in het recht geen grondslag is te vinden.

4.12

Ook voeren partijen een discussie omtrent de toepasselijkheid van artikel 5:54 lid 1 BW. De vereniging stelt zich in haar conclusie van antwoord in reconventie - in reactie op de vordering tot amotie - op het standpunt dat haar (meer) subsidiaire vorderingen ook zó moeten worden begrepen dat zij die vorderingen instelt ter handhaving van de bestaande toestand als bedoeld in die bepaling. In zoverre is sprake van een eisvermeerdering in conventie, waartegen [gedaagde] zich overigens niet heeft verzet. Uit de feiten vloeit echter voort dat beide partijen bekend waren met de grensoverschrijding van het gebouw. Blijkens art. 5:54 lid 3 BW kan dan niet aan toepassing van het eerste lid van die bepaling worden toegekomen.

4.13

Voor een geval als het onderhavige was in het Ontwerp Meijers betreffende het latere artikel 5:54 BW een aparte voorziening opgenomen, die niet afhankelijk was van goede trouw (“zonder opzet of grove schuld”) van de overbouwer. Die voorziening is echter later geschrapt, zonder dat er overigens een woord aan is gewijd (Parlementaire Geschiedenis nieuw BW, Boek 5, blz. 207 e.v.). De bepaling luidde in het Ontwerp Meijers (cursivering is van de rechtbank):

De eigenaar van een gebouw of werk, dat na verloop van tijd over het erf van een ander is gaan overhellen, dan wel zonder opzet of grove schuld ten dele op of boven het erf van een ander werd gebouwd of zonder verzet van die ander aldaar meer dan twintig jaren heeft gestaan, kan te allen tijde vorderen dat die ander hem tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van het gebouw of werk in de bestaande toestand verleent, indien hij door wegruiming van het overstekende deel onevenredig zwaar zou worden benadeeld.

Indien de gecursiveerde zinsnede in het Gewijzigd Ontwerp zou zijn gehandhaafd, zou de overbouw na een voor die overbouw positief uitgevallen belangenafweging met evenredigheidstoets als bedoeld in die bepaling en tegen schadeloosstelling mogelijk gelegaliseerd hebben moeten worden. Nu dat niet zo is, moet ervan worden uitgegaan dat die zinsnede niet het geldende recht weergeeft.

4.14

Dat betekent dus dat het tijdsverloop sinds de stichting van het gebouw geen verschuiving in de zakenrechtelijke rechtstoestand heeft kunnen bewerkstelligen. Wat rest is een (mondelinge) toestemming die als gezegd met het instellen van de vordering tot amotie van de overbouw als ingetrokken moet worden beschouwd. Dat [gedaagde] niet tot die intrekking bevoegd zou zijn is gesteld noch gebleken. De gevorderde amotie van de overbouw zal worden toegewezen. Het ternauwernood - aan het einde van haar laatste akte - door de vereniging gedane beroep op misbruik van recht en de eisen van redelijkheid en billijkheid maakt dat niet anders, nu als enige motivering daarvoor wordt gegeven dat het gebouw er al meer dan vijftig jaren staat.

4.15

[gedaagde] vordert echter primair de amotie van het gehele gebouw. Zijn stelling is dat het zonder bouwvergunning is gerealiseerd, en dat (daarmee) in strijd wordt gehandeld met het vigerende bestemmingsplan. Partijen voeren een uitgebreid debat over de vraag of het huidige gebruik van het gebouw - sinds enige jaren als hondentrimsalon en niet meer als verenigingsgebouw - planologisch geoorloofd is en of het gebouw ten gevolge daarvan zou moeten wijken. De rechtbank laat het oordeel over die vraag (nog) achterwege, nu niet ondenkbaar is dat amotie van de overbouw het gehele gebouw onbruikbaar en zinloos zal maken. Partijen zijn het echter niet eens over de vraag waar de kadastrale grens het gebouw (precies) doorklieft. Om een ten uitvoer te leggen bevel tot amotie van de overbouw te kunnen geven moet daarover eerst duidelijkheid bestaan. Daarover zal dus een onpartijdig deskundig oordeel vereist zijn, bij voorkeur door het kadaster. Partijen zullen zich daarover (aantal deskundigen, eventuele namen, te stellen vragen) echter bij akte moeten kunnen uitlaten, het eerst de vereniging.

4.16

Uit de stukken volgt dat partijen sinds 2002 in onderhandeling zijn geweest over aankoop van het bij de vereniging in gebruik zijnde deel van [perceel 1]. Ter comparitie is dit ook weer aan de orde gekomen maar partijen hebben elkaar kennelijk niet kunnen vinden in een prijs. Wellicht is dit tussenvonnis een goede aanleiding om opnieuw met elkaar in overleg te treden.

4.17

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van 6 augustus 2014 voor uitlating door de vereniging bij akte over de onder 4.15 aangekondigde benoeming van (een) deskundige(n), waarna [gedaagde] zich daarover bij akte kan uitlaten,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.