Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5498

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
258167
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot overlegging van stukken. Vordering afgewezen voor zover gegrond op artikel 22 RV, omdat partijen op grond van dat artikel geen vorderingsrecht toekomt. Vordering eveneens afgewezen voor zover gegrond op artikel 843a RV, omdat sprake is van een zgn. fishing expedition.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/137

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/258167 / HA ZA 14-60

Vonnis in incident van 2 juli 2014

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK VIJFHEERENLANDEN U.A.,

gevestigd te Vianen,

eiseres in conventie in de hoofdzaak,

verweerster in reconventie in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie in de hoofdzaak,

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. J.L.F. van den Tooren te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Rabobank en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering ex art. 22 Rv, althans ex art. 843a Rv, tevens conclusie van eis in reconventie

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Het incident is vooralsnog te plaatsen in het volgende feitelijke kader.

2.2.

[gedaagde] was bestuurder van Prignis Brandpreventie B.V. (hierna: Prignis). Deze vennootschap is opgericht op 24 november 2003 en exploiteerde een aannemings- en adviesbedrijf op het gebied van bouwkundige brandpreventie en verkocht brandpreventieve materialen en producten.

2.3.

[gedaagde] is ook bestuurder van [holding] (hierna: [holding]). [holding] en een derde hielden de aandelen in Prignis.

2.4.

Tussen Prignis, [holding] en Rabobank bestond een kredietovereenkomst in de vorm van een krediet in rekening-courant. Uit hoofde van deze kredietovereenkomst is ten gunste van Rabobank een pandrecht gevestigd op onder meer de debiteurenvorderingen van Prignis.

2.5.

[gedaagde] heeft op 11 oktober 2006 een akte van borgtocht ondertekend voor een bedrag van maximaal € 100.000,00.

2.6.

Op 6 augustus 2007 is een nieuwe kredietovereenkomst gesloten tussen Prignis, [holding] en Rabobank ter hoogte van € 400.000,00. Hiermee werd het oude krediet in rekening-courant ten bedrage van € 310.205,00 afgelost en werd € 89.795,00 in rekening-courant als werkkapitaal verstrekt.

2.7.

In de vervolgpandakte (pandlijst) van 2 november 2009 is opgenomen dat Prignis per die datum beschikte over een debiteurenportefeuille van € 976.361,00.

2.8.

Op 4 december 2009 is de kredietovereenkomst door Rabobank opgezegd. Rabobank heeft daarbij onder meer meegedeeld dat zij haar (stille) pandrechten op de debiteurenvorderingen openbaar zou gaan maken. De vordering van Rabobank op Prignis en [holding] bedroeg op dat moment € 351.627,08 (ex rente en kosten).

2.9.

Prignis is, op eigen aangifte, bij vonnis van 8 december 2009 failliet verklaard met aanstelling van [curator] tot curator.

2.10.

Rabobank heeft, middels De Lage Landen, de incasso van de verpande debiteuren ter hand genomen en de debiteuren aangeschreven. Rabobank heeft uiteindelijk een bedrag van € 52.204,00 van de debiteuren weten te incasseren. Tegen betaling van een boedelbijdrage heeft de curator in 2011 de incasso van de debiteuren overgenomen. Rabobank heeft haar (restant)vordering bij de curator ingediend.

2.11.

In het faillissementsverslag nr. 5 van 14 september 2012 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

De incassoactiviteiten van de curator hebben niet tot enige opbrengst geleid. Een deel van de facturen blijkt rond faillissementsdatum te zijn voldaan. Een fors aantal van de debiteuren heeft voorts bericht dat de facturen haar niet bekend waren. Na onderzoek is gebleken dat sprake is geweest van het opmaken van spookfacturen.

(…)

2.12.

Het faillissement van Prignis is op 5 november 2013 opgeheven wegens gebrek aan baten.

2.13.

Op 30 december 2013 bedroeg de vordering van Rabobank op Prignis, na aftrek van de opbrengsten van de overige zekerheden, € 336.297,69.

2.14.

Rabobank heeft bij brieven van 8 september 2011, 28 september 2012, 27 november 2012, 20 maart 2013, 29 juli 2013 en 6 november 2013 [gedaagde] gesommeerd aan zijn borgbetalingsverplichting te voldoen. Tot op heden heeft Rabobank geen betaling mogen ontvangen.

3 De vorderingen in de hoofdzaak

in conventie

3.1.

Rabobank vordert in de hoofdzaak, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 100.000,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening, de betaling van € 1.775,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten en een veroordeling in de proceskosten.

3.2.

Rabobank heeft – kort samengevat – aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat, nu het faillissement van Prignis is opgeheven bij gebrek aan baten, het zeker is dat zij niet volledig uit het faillissement zal worden voldaan. In ieder geval niet tot aan een bedrag van € 100.000,00, zijnde het bedrag van de borgtocht. Rabobank heeft daarom recht en belang bij het afdwingen van de borgtocht.

in reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert in de hoofdzaak, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de borgtocht ontbonden is door [gedaagde], dan wel de borgtocht te ontbinden.

3.4.

[gedaagde] heeft – kort samengevat – aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Rabobank de zorgplicht jegens hem als borg heeft geschonden met betrekking tot de uitwinning van haar overige zekerheden, in het bijzonder de pandrechten op de debiteurenvordering. [gedaagde] verwijt Rabobank dat zij hem nimmer bij de debiteureninning heeft betrokken, ondanks zijn expliciete en herhaalde aanbod daartoe, en dat Rabobank ook niet om de debiteurenadministratie heeft verzocht en/of de projectadministratie onder zich heeft genomen. Volgens [gedaagde] is Rabobank jegens hem dan ook toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van haar verbintenissen. [gedaagde] ontbindt daarom de borgtocht tussen hem en Rabobank.

4 De vordering in het incident

4.1.

[gedaagde] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaren vonnis:

Primair

- Rabobank te bevelen tot overlegging aan de raadsvrouwe van [gedaagde], althans op een wijze als door de rechtbank te bepalen, per iedere debiteur van Prignis zoals genoemd op de pandlijst, de volgende bescheiden:

i. een kopie van de correspondentie (ongeacht de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden, derhalve ongeacht of dit per brief, e-mail, faxbericht of anderszins is geschied, inclusief eventuele bijlagen, stukken of andere toebehoren die met deze correspondentie zijn meegezonden) waarmee de debiteuren van Prignis voor het eerst zijn aangeschreven door, in opdracht van of namens Rabobank met het verzoek de nog openstaande facturen van Prignis te voldoen;

ii) een kopie van de eventuele aanmaningen tot betaling van de nog openstaande facturen van Prignis die (ongeacht de wijze waarop deze zijn verzonden, derhalve ongeacht of dit per brief, e-mail, faxbericht of anderszins is geschied, inclusief eventuele bijlagen,

stukken of andere toebehoren die met deze correspondentie zijn meegezonden) aan

desbetreffende debiteuren van Prignis zijn verzonden door, in opdracht van of namens

Rabobank;

iii) een kopie van de correspondentie van desbetreffende debiteuren van Prignis die zij aan Rabobank hebben toegezonden (ongeacht de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden,

derhalve ongeacht of dit per brief, e-mail, faxbericht of anderszins is geschied, inclusief

eventuele bijlagen, stukken of andere toebehoren die met deze correspondentie zijn

meegezonden) in reactie op het betalingsverzoek of de betalingsverzoeken en/of de

aanmaningen tot betaling die door, in opdracht van of namens Rabobank zijn verzonden;

iv) een kopie van eventuele analyses van de reactie en/of het verweer van desbetreffende debiteuren van Prignis indien deze door, in opdracht van of namens Rabobank zijn gemaakt, alsmede een kopie van eventuele correspondentie (ongeacht de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden, derhalve ongeacht of dit per brief, e-mail, faxbericht of anderszins is geschied, inclusief eventuele bijlagen, stukken of andere toebehoren die met deze correspondentie zijn meegezonden) die afkomstig is van de curator c.q. medewerkers van de curator van Prignis en die betrekking heeft op vragen die door, in

opdracht van of namens Rabobank zijn gesteld over of met betrekking tot de reactie van

desbetreffende debiteuren van Prignis op de correspondentie en/of aanmaningen van

Rabobank waarin om betaling van de facturen van Prignis is verzocht;

v) een kopie van de eventuele verdere nog gevoerde correspondentie (ongeacht de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden, derhalve ongeacht of dit per brief, e-mail, faxbericht of anderszins is geschied, inclusief eventuele bijlagen, stukken of andere toebehoren die met deze correspondentie zijn meegezonden) tussen, in opdracht van of namens en desbetreffende debiteuren van Prignis over de voldoening van de openstaande facturen van Prignis, dan wel de reden waarom deze facturen niet zouden behoeven te worden voldaan door desbetreffende debiteuren.

Subsidiair

- Rabobank te bevelen tot het bieden van inzage aan de raadsvrouwe van [gedaagde], althans

op een wijze als door de rechtbank te bepalen, per iedere debiteur van Prignis zoals

genoemd op de pandlijst (productie 5), van de bescheiden zoals genoemd onder de kopjes i)

tot en met v) van de primaire vordering hierboven, met bepaling dat [gedaagde], althans zijn

raadsvrouwe daarbij het recht heeft van desbetreffende bescheiden eventueel een kopie te

(laten) maken, dan wel een uitdraai of print daarvan te (laten) maken of te verzoeken en met

bepaling dat Rabobank aan dit verzoek op eerste verzoek en met grootste spoed zal voldoen.

Dit alles onder bepaling dat overlegging, dan wel inzage dienst te schieden binnen 24 uur na datum van het vonnis in het incident, zulks op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,= per dag of dagdeel dat Rabobank daarmee in gebreke blijft met een maximum van EUR 50.000,= en met veroordeling van Rabobank in de kosten van het incident;

4.2.

[gedaagde] heeft – kort samengevat – aan zijn incidentele vorderingen ten grondslag gelegd dat hij, nu hij als borg wordt aangesproken, er recht en belang bij heeft om te weten i) wanneer Rabobank is aangevangen met het aanschrijven van de debiteuren, ii) welke debiteuren welke verweren hebben gevoerd en iii) welke reactie Rabobank (althans, in opdracht van Rabobank: De Lage Landen) daarop heeft gegeven en iv) welke discussie zich daarna eventueel heeft ontsponnen en waarom deze vorderingen volgens Rabobank uiteindelijk niet inbaar waren.

5 De beoordeling in het incident

5.1.

[gedaagde] heeft onder meer gevorderd om Rabobank, op grond van art. 22 Rv, te bevelen de hiervoor onder punt 4.1. weergegeven gegevens te verschaffen. Hieromtrent wordt overwogen dat het slechts aan de rechter is om eventueel in de bodemprocedure op de voet van art. 22 Rv (een van de) partijen te bevelen bepaalde bescheiden over te leggen en niet aan [gedaagde]. Partijen komt op grond van art. 22 Rv geen vorderingsrecht toe. Reeds hierom strandt dit deel van de vordering.

5.2.

Op grond van artikel 843a Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten onder meer inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Deze bijzondere exhibitieplicht vormt een uitzondering op de hoofdregel dat iemand onder hem berustende bescheiden niet aan een ander ter inzage hoeft af te geven.

5.3.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat artikel 843a Rv niet voorziet in een onbeperkt recht op inzage van bescheiden jegens degene die deze te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, maar dat deze bepaling het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van vier cumulatieve vereisten, te weten:

a. eiser dient een rechtmatig belang bij afgifte of inzage te hebben,

b. het moet gaan om bepaalde bescheiden,

c. die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarbij eiser partij is,

d. die bescheiden moeten ter beschikking staan of onder berusting zijn van degene tegen wie

afgifte of inzage daarvan wordt gevorderd.

5.4.

Niet is in geschil dat Rabobank de gevraagde bescheiden tot haar beschikking dan wel onder haar berusting heeft en dat zij tot op heden geen afschriften daarvan aan [gedaagde] heeft verstrekt.

5.5.

Rabobank betwist dat is voldaan aan de eisen van art. 843a Rv, zoals het vereiste dat het moet gaan om bepaalde bescheiden. Volgens Rabobank kan de vordering van [gedaagde] niet anders worden aangeduid dan als een zogenaamde ‘fishing expedition’.

5.6.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 oktober 2012, LJN: BW9244, na te hebben aangenomen dat er een redelijke grond is voor de veronderstelling dat er enige relevante stukken bestaan, in rechtsoverweging 3.8.2 overwogen:

“De vordering heeft betrekking op een onderwerp dat nauwkeurig is afgebakend door omschrijving van het dossier en het noemen van de bij de stukken betrokken personen en instanties. Daarmee zijn de bescheiden waarvan afschrift wordt gevorderd voldoende concreet in de vordering aangewezen om te worden aangemerkt als ‘bepaald’ in de zin van artikel 843a Rv. De omstandigheid dat de bescheiden niet individueel omschreven zijn doet hieraan niet af, nu zij eiser niet bekend waren.”

5.7.

Voldoende lijkt derhalve (thans) te zijn dat het bestaan van de bescheiden in voldoende mate vaststaat en dat de bescheiden, afhankelijk van de omstandigheden van het geval - waarbij het erom gaat wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van de verzoeker kan worden verlangd, waarbij in het bijzonder zijn (on)bekendheid met die bescheiden een rol speelt -, voldoende concreet zijn aangewezen en afgebakend, bijvoorbeeld naar onderwerp en personen.

5.8.

Naar het oordeel van de rechtbank is van voldoende concreet aangewezen en afgebakende bescheiden met betrekking tot (bijvoorbeeld) bij naam genoemde debiteuren of gespecificeerde vorderingen in dit geval geen sprake. De vordering van [gedaagde] komt er immers op neer dat Rabobank de afschriften van alle stukken die, op welke wijze dan ook, te maken hebben met de door Rabobank aangevangen incasso van de aan haar verpande debiteuren overlegt. Daarmee heeft de vordering van [gedaagde] trekken van een fishing expedition, waarvoor art. 843a Rv nadrukkelijk geen ruimte biedt.

5.9.

De vorderingen van [gedaagde] zullen dan ook worden afgewezen. Of [gedaagde] een rechtmatig belang heeft bij afgifte van de gevorderde bescheiden kan verder in het midden blijven.

5.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze kosten worden aan de zijde van Rabobank begroot op € 452,00
( 1 punt x tarief € 452,00).

6 De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.

De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

6.2.

Verweerster in reconventie heeft de gelegenheid de conclusie van antwoord in reconventie ter comparitie te nemen. Verweerster in reconventie moet een schriftelijke conclusie uiterlijk twee weken voor aanvang van de comparitie toezenden. Na de comparitie kan deze conclusie niet meer genomen worden.

6.3.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

6.4.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

6.5.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

6.6.

Van de verklaringen ter zitting zullen geen ondertekende weergaven in het proces-verbaal worden opgenomen. Naast een verkort proces-verbaal worden de griffiersaantekeningen in het dossier bewaard.

6.7.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

7 De beslissing

De rechtbank

in het incident

7.1.

wijst het gevorderde af,

7.2.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van Rabobank tot op heden begroot op € 452,00,

7.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. F.M.Th. Quaadvliet in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

7.5.

bepaalt dat [gedaagde] dan in persoon aanwezig moet zijn en dat Rabobank dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

7.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 juli 2014 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de donderdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2014, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

7.7.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

7.8.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

7.9.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.

Coll. MBR