Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5459

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
27-08-2014
Zaaknummer
05/720051-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 1 jaar voorwaardelijk en werkstraf van 240 uur voor gijzeling, afpersing en het voorhanden hebben van een op een echt vuurwapen gelijkend wapen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720051-14

Datum zitting : 13 augustus 2014

Datum uitspraak : 27 augustus 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres 1]

plaats : [woonplaats].

raadsman : mr. J. Velthoven, advocaat te Tiel.

1. De inhoud van de tenlastelegging1

Verdachte wordt verweten dat:

  1. hij heeft geprobeerd de heer [slachtoffer 1] af te persen;

  2. hij de heren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gegijzeld;

  3. hij een wapen voorhanden heeft gehad dat sprekend leek op een echt vuurwapen.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 13 augustus 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J. Velthoven, advocaat te Tiel.

De officier van justitie, mr. G. Dankers, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs2

Ten aanzien van de poging tot afpersing (feit 1)

Verdachte heeft dit feit bekend. De rechtbank acht gelet op deze bekentenis en in combinatie met de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd de heer [slachtoffer 1] af te persen.

De rechtbank acht bewezen dat:

hij op 25 februari 2014 te Velddriel en/of te Kerkdriel, in de

gemeente Maasdriel, op of aan de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van

van 1700 euro, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] voornoemd, (door in de auto van die

[slachtoffer 1]) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1]

heeft gericht/gericht gehouden en die [slachtoffer 1] (meermalen) de woorden heeft

toegevoegd: "Ik kom 1700 euro ophalen", terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Ten aanzien van de wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 2)

De verdediging heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Hoewel verdachte bekend heeft dat hij een (nep)pistool op zijn schoot had liggen en hoewel hij tegen de heer [slachtoffer 2] zei dat hij niet naar buiten mocht om te roken, hadden de heer [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] wat hem betreft best de auto mogen verlaten. Verdachte had dus niet de opzet op wederrechtelijke vrijheidsberoving.

De verdediging heeft daarnaast aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat de overhand op een gegeven moment meer bij de heer [slachtoffer 1] lag dan bij verdachte, met name nadat hij zag dat het wapen van verdachte geen echt wapen betrof. De korte tijd dat verdachte mogelijk de overhand had, is te kort om te kunnen spreken van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Verdachte heeft bekend dat hij op enig moment tijdens de autorit zijn (op een echt vuurwapen gelijkend) balletjespistool op zijn schoot heeft gelegd. De loop van het pistool was daarbij naar voren gericht, waar de heren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich op dat moment bevonden. De heer [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment vroeg of hij de auto uit mocht, maar dat dit niet mocht. Verdachte heeft dit bevestigd, maar zei dat hij [slachtoffer 2] had belet de auto te verlaten, omdat hij vroeg of hij mocht roken en hij anti-roken is. Hoewel de rechtbank de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 2] niet naar buiten liet gaan omdat hij anti-roker is, ongeloofwaardig acht, maakt dit voor haar beoordeling niet uit. Doordat verdachte een (op een echt vuurwapen gelijkend) pistool gericht hield in de richting van de aangevers en hij op de vraag of een van de hen auto mocht verlaten ontkennend beantwoordde, heeft verdachte hen wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in combinatie met de (gedeeltelijke) bekentenis van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de heren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op enig moment en wederrechtelijk van hun vrijheid heeft beroofd. Dat er sprake is van slechts een korte tijd en dat [slachtoffer 1] daarna het initiatief van verdachte heeft overgenomen, doet daar niet aan af.

De rechtbank acht bewezen dat:

hij op 25 februari 2014 te Velddriel en/of Kerkdriel, in de

gemeente Maasdriel, opzettelijk meer personen, genaamd [slachtoffer 1]

en [slachtoffer 2], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander, te weten die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] voornoemd, te dwingen iets te doen of niet te doen, immers is/heeft

verdachte - met/bij die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in de auto van die [slachtoffer 1] gestapt en/of

- met die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (rond)gereden en

(vervolgens/daarbij in die auto) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd en op enig moment onder dreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp die

[slachtoffer 1] gedwongen de motor van de auto af te zetten en verboden te bellen

en

die [slachtoffer 1] en/ [slachtoffer 2] (aldus) belet de auto te verlaten;

Ten aanzien van het voorhanden hebben van het (nep)wapen (feit 3)

Verdachte heeft dit feit bekend. De rechtbank acht gelet op deze bekentenis en in combinatie met het proces-verbaal van bevindingen, waarin het wapen staat beschreven wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een op een vuurwapen gelijkend wapen voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht bewezen dat:

hij op 25 februari 2014 te Velddriel en/of Kerkdriel, in de

gemeente Maasdriel een wapen van categorie I onder

7°, te weten een balletjespistool (merk Sig Sauer), zijnde een voorwerp dat

voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde

met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

‘poging tot afpersing’

Ten aanzien van de feit 2:

‘gijzeling, meermalen gepleegd’

Ten aanzien van feit 3:

‘handelen in strijd met artikel 13 eerste lid, van de Wet wapens en munitie’

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt behandeling bij APD of een soortgelijke instelling en voorts tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren werkstraf subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. De officier van justitie heeft in haar eis rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de bijzondere omstandigheden waaronder het feit heeft plaats gevonden. De verdediging heeft de rechtbank verzocht hetzelfde te doen. Verdachte is nu op de goede weg en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou averechts werken.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

 het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 16 juli 2014; en

 een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland d.d. 26 juni 2014, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gijzeling, afpersing en het voorhanden hebben van een op een echt vuurwapen gelijkend wapen.

Verdachte heeft geprobeerd om, nadat hij was afgereisd naar iemand van wie hij dacht dat het een oplichter was, deze persoon onder bedreiging van een (op een echt vuurwapen gelijkend) pistool af te persen, door hem te dwingen €1700,- te betalen. Verdachte heeft daarnaast, omdat een en ander plaatsvond in een auto, de man en zijn bijrijder gegijzeld, doordat hij hen onder dreiging van het vuurwapen verbood de auto te verlaten. Zowel de bestuurder als de bijrijder hebben hierdoor doodsangsten uitgestaan.

Verdachte had geen enkel recht om eigen rechter te spelen. Los van het feit dat nog maar de vraag is of de man echt een oplichter was (wat juist de reden is waarom een onafhankelijke rechter naar een dergelijke zaak zou moeten kijken en waarom ‘eigen rechter spelen’, nooit gerechtvaardigd is), heeft verdachte de compleet onschuldige bijrijder mede slachtoffer gemaakt van zijn handelen.

Dit soort feiten zorgen daarnaast voor veel onrust in de maatschappij. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur passend en geboden zou zijn.

De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, dat de gijzeling slechts van zeer korte duur was en dat verdachtes handelen ingegeven lijkt door naïviteit en rigiditeit en hij hulp heeft gezocht.

Verdachte is inmiddels al enige tijd vrij en hij heeft hulp gezocht bij een psychiater. Hij wil beginnen aan een HBO-opleiding en is bereid er alles aan te doen om zijn leven goed op de rit te krijgen. De rechtbank is dan ook, net als de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat een gevangenisstraf op dit moment en onder de huidige omstandigheden meer kwaad dan goed zal doen. Door het volgen van een opleiding wordt de kans op recidive meer teruggedrongen dan door het opsluiten van verdachte.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 91, 282a en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 55 en 56 van de Wet Wapens en Munitie.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren navolgende (bijzondere) voorwaarde(n) niet is nagekomen:

Algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; en

  3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

4. zich meldt bij de Reclassering Nederland op de [adres 2] als hij daartoe door de toezichthouder wordt uitgenodigd en dat hij zich zal blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. zich gedurende de proeftijd van drie jaren (of zoveel korter als door de reclassering noodzakelijk wordt geacht) onder behandeling zal stellen van de AFP of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich (ambulant) te laten behandelen.

het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 6 (zes) uren zijnde 3 (drie) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra (voorzitter), mr. H.C. Naves en mr. J.J.H. van Laethem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 augustus 2014.

Bijlage I

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 februari 2014 te Velddriel en/of te Kerkdriel, in de

gemeente Maasdriel, op of aan de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van

van 1700 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] voornoemd, in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte, (gezeten in de auto van die

[slachtoffer 1])(voortdurend) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1]

heeft gericht/gericht gehouden en/of die [slachtoffer 1] (meermalen) de woorden heeft

toegevoegd: "Ik kom 1700 euro ophalen", terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2014 te Velddriel en/of Kerkdriel, in de

gemeente Maasdriel, opzettelijk één of meer personen, genaamd [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of

beroofd gehouden, met het oogmerk (een) ander(en), te weten die [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2] voornoemd, te dwingen iets te doen of niet te doen, immers is/heeft

verdachte - met/bij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in de auto van die [slachtoffer 1] gestapt en/of - met die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (rond)gereden en/of -(vervolgens/daarbij in die auto) die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp bedreigd en/of -op enig moment onder dreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp die

[slachtoffer 1] gedwongen de motor van de auto af te zetten en/of verboden te bellen

en/of -(vervolgens) onder dreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp die

[slachtoffer 1] naar diens/een woning laten rijden om geld op te halen en/of -die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (aldus) belet de auto te verlaten;

3.

hij op of omstreeks 25 februari 2014 te Velddriel en/of Kerkdriel, in de

gemeente Maasdriel en/of elders in Nederland, een wapen van categorie I onder

7°, te weten een balletjespistool (merk Sig Sauer), zijnde een voorwerp dat

voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde

met een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Bijlage II

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Oost Nederland, District Gelderland-Zuid, Eenheid Vermogenscriminaliteit, opgemaakte proces-verbaal, OPS-dossiernummer PL0800-2014027190, gesloten op 19 maart 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 13-16;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], p. 22-24;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 augustus 2014.

Ten aanzien van feit 2:

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 13-16:

Mijn naam is [slachtoffer 1] en ik woon op het adres [adres 3] in Kerkdriel. Ik heb op de [adres 4] in Kerkdriel een soort van hobbyloods. […] Vanmiddag 25 februari 2014 kreeg ik een e-mail van ene [verdachte]. […] Ik heb voor vanavond een afspraak gemaakt. […] Deze [verdachte] vond dit goed en wij zijn met z’n drieën in de auto gestapt. […] Ik bestuurde de auto. [slachtoffer 2] zat naast mij en [verdachte] ging achterin zitten. […] Ik draai mezelf om en kijk in de richting van [verdachte]. Ik zag dat hij een pistool op mij richtte. Ik zag dat het een zwart pistool was met een zilveren slede. Ik schrok heel erg van dit vuurwapen. Hij richtte het vuurwapen echt op mij. […] Ik moest van hem, nog steeds onder dreiging van dat vuurwapen, de motor afzetten. […] Ik moest naar hem luisteren en mocht niet bellen. Ik moest gewoon betalen.

Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], p. 22

Ik doe aangifte van bedreiging met een vuurwapen. […] Vandaag, dinsdag 25 februari 2014, omstreeks 18.30 uur, was ik bij [slachtoffer 1] in zijn loods. [slachtoffer 1] heeft een loods op de [adres 4] in Kerkdriel/Velddriel. […]

We zijn in de auto van [slachtoffer 1] gestapt. […] [slachtoffer 1] stapte achter het stuur. […] Vervolgens ben ik dus voorin gaan zitten en [verdachte] achterin […] We zijn toen gaan rijden. We zijn na de Wertsteeg, de Laarstraat in gereden. Via de Laarstraat, de Hamstraat in. Op de Hamstraat moesten we van [verdachte] links de Drielse Veldweg inslaan. Toen we deze opreden liet hij ons stoppen na ongeveer 500 meter op de Drielse Veldweg. […] Op een gegeven moment zag ik [slachtoffer 1] schrikken en stil worden. Ik zag [slachtoffer 1] naar achteren, richting [verdachte], kijken. Ik keek ook naar achteren en zag de eerste 5 à 6 centimeter van een loop van een wapen. Ik zag een zwart wapen met een gouden versmalling boven op het wapen Het was een klein handwapen, lijkend op het vuurwapen van de politie dat u ook bij zich heeft. Ik zag de loop van het wapen op [slachtoffer 1] gericht. Ondanks dat voelde ik mij bedreigd. We zaten nog steeds in de auto.

[…] [slachtoffer 1] gaf aan dat hij zijn vader zou bellen voor het geld. Dit mocht niet van [verdachte]. [verdachte] zei dat er niet gebeld ging worden. […] Ik heb tegen [verdachte] gezegd dat ik er niet mee te maken had en dat ik de auto uit wilde. Ik mocht van [verdachte] de auto niet uit. […]

Verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d.1 3 august 2014, voor zover inhoudende:

Op 25 februari 2014 ben ik naar Kerkdriel gegaan. Ik had daar als ‘[verdachte]’ een afspraak met [slachtoffer 1]. Ik ben daar bij [slachtoffer 1] in de auto gestapt. Ik zat achterin. We zijn gaan rijden. […] Ik zei op een gegeven moment: Ik kom geld halen en toen pakte ik het pistool uit m’n tas. Ik had de tas op m’n schoot en dat pistool ernaast, zeg maar. Mijn hand lag op het pistool en de loop was naar voren, naar waar [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten, gericht.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen [verbalisant], p. 62-63;

- het schriftelijk bescheid, te weten de kennisgeving van inbeslagneming, p. 50;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 augustus 2014.

1 De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

2 De bewijsmiddelen zijn als bijlage II aan dit vonnis gehecht.