Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5451

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_7083
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht van het nieuwe Boetebesluit socialezekerheidswetten geldend vanaf 1 januari 2013. Uit het bepaalde in artikel 15 van het IVBPR vloeit voort dat over de periode vóór 1 januari 2013 bij het bepalen van de hoogte van de boete uitgegaan moet worden van het destijds geldende sanctieregime, ook indien de schending van de inlichtingenverplichting zich heeft voorgedaan in een periode die is gestart vóór 1 januari 2013 en niet is geëindigd vóór 1 februari 2013 .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 13/7083

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J.A.H. Theunissen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 2.108,66.

Bij besluit van 30 september 2013 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van

eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.

Bij besluit van 10 december 2013 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder de hoogte van de boete vastgesteld op € 1.655,64.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014. Eiser is verschenen,

bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, zoals voorafgaand bericht, niet

verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de zaak naar een

meervoudige kamer verwezen.

Nadat partijen toestemming hebben verleend voor het achterwege laten van een nadere

zitting, is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser ontvangt sinds 17 november 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en

inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Van 1 mei 2012 tot 1 mei 2013 heeft eiser aanvullend een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) ontvangen. Eiser heeft niet aan verweerder doorgegeven dat zijn partner in de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 april 2013 inkomsten uit arbeid heeft ontvangen.

2.

Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd, omdat hij zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen door niet door te geven dat zijn partner inkomsten uit arbeid genoot vanaf 1 juli 2012.

3.

De rechtbank stelt vast dat verweerder met het bestreden besluit 2 het bestreden

besluit 1 heeft ingetrokken. Nu verweerder met het bestreden besluit 2 niet volledig

tegemoetgekomen is aan de bezwaren van eiser is het beroep van eiser gezien het bepaalde in

artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht tegen het bestreden

besluit 2. Nu is gesteld noch gebleken dat eiser nog belang heeft bij een beoordeling van het

bestreden besluit 1, zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.

Verweerder heeft in het bestreden besluit 2 de hoogte van de boete over de periode

van 1 juli tot en met 30 augustus 2012 ingevolge het Boetebesluit socialezekerheidswetten

zoals dit gold vóór 1 januari 2013 (hierna: Boetebesluit oud) bepaald op de minimum

boete van € 52. Voor de periode van 1 november 2012 tot en met 30 april 2013 heeft

verweerder de boete ingevolge het Boetebesluit socialezekerheidswetten zoals dat geldt sinds

1 januari 2013 (hierna: Boetebesluit nieuw) vastgesteld op de hoogte van het

benadelingsbedrag van € 1.603,64 over die periode. Verweerder heeft in totaal een boete

opgelegd van € 1.655,64.

5.

Eiser stelt, kort samengevat, dat het hem vanwege persoonlijke en financiële

omstandigheden zowel objectief als subjectief niet te verwijten valt dat hij niet tijdig de

inkomsten uit arbeid van zijn partner aan verweerder heeft doorgegeven. Vanwege deze

financiële en persoonlijke omstandigheden acht eiser, gelet op de ernst van de overtreding,

de opgelegde sanctie niet evenredig en verzoekt daarom matiging. Tot slot stelt eiser dat

ingevolge artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

(hierna: IVBPR) ook over de maanden november en december 2012 het Boetebesluit oud

had moeten worden toegepast.

6.

De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser zijn inlichtingen-

verplichting (artikel 12 van de TW) heeft geschonden. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om zijn nalaten niet of minder verwijtbaar te achten nu uit de door eiser aanvoerde persoonlijke en financiële problemen niet kan worden afgeleid dat deze

problemen dermate ernstig waren dat naleving van de inlichtingenverplichting niet kon

worden verwacht. Evenmin heeft verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd een dringende reden hoeven te zien om geheel of gedeeltelijk van boeteoplegging af te zien.

Verweerder was daarom gehouden een boete op te leggen (artikel 14a van de TW).

7.

De rechtbank stelt vast dat de schending van de inlichtingenverplichting in de

tweede periode, die onbetwist is ingegaan op 1 november 2012, ook na 31 januari 2013 is

voortgezet, zodat ingevolge artikel XXV, tweede lid, van de Wet aanscherping handhaving

en sanctiebeleid het Boetebesluit nieuw van toepassing is voor het bepalen van de hoogte van

de boete over de periode van 1 november 2012 tot en met 30 april 2013. De rechtbank kan

zich evenwel niet verenigen met de berekening van de hoogte van de boete conform het

Boetebesluit nieuw voor de maanden november en december 2012. Naar het oordeel van

de rechtbank vloeit uit het bepaalde in artikel 15 van het IVBPR voort dat over de periode

vóór 1 januari 2013 bij het bepalen van de hoogte van de boete uitgegaan moet worden van

het dan toepasselijke regime (Boetebesluit oud), oftewel 10% - in plaats van 100% - van het

benadelingsbedrag, met een minimum van € 52.

8.

Niet in geschil is dat het benadelingsbedrag over de maanden november en

december 2012 € 456,96 bedraagt. Nu 10% van dit bedrag minder is dan de minimum boete

van € 52 dient derhalve voor die maanden het boetebedrag vastgesteld te worden op € 52.

Voor de periode januari 2013 tot en met april 2013 bedraagt de boete ingevolge het

Boetebesluit nieuw 100% van het benadelingsbedrag dat, blijkens verweerders onbetwiste

opgave van 21 mei 2014, € 990,28 (€ 254,91 + € 231,64 + € 254,91 + € 248,82) bedraagt. De

totale boete komt dan op € 1.094,28 (€ 52 + € 52 + € 990,28). De rechtbank acht deze

lagere boete, gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag, de duur van de overtreding en

eisers persoonlijke omstandigheden, niet onevenredig.

9.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 2 en zal met

inachtneming van het bepaalde in artikel 8:72a van de Awb zelf in de zaak voorzien. De

rechtbank zal het primaire besluit herroepen en de hoogte van de boete vaststellen op

€ 1.094,28.

10.

Eiser heeft verzocht om schadevergoeding. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente, voor zover als gevolg van deze uitspraak sprake is van onverschuldigde betaling door eiser. Voor de wijze waarop verweerder de rente dient te berekenen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958, waarbij de ingangsdatum van de wettelijke rente is de dag, waarop eiser het eventueel teveel betaalde bedrag aan boete, zijnde maximaal het verschil tussen € 2.108,66 en € 1.094,28, aan verweerder heeft betaald tot het moment van restitutie van dat onverschuldigd betaalde bedrag door verweerder.

11.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.704,50 (zijnde 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van aanvullende gronden naar aanleiding van het bestreden besluit 2, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet voorts aanleiding om te gelasten dat verweerder het griffierecht van eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep, gericht tegen het bestreden besluit 2, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 2;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt de bestuurlijke boete op € 1.094,28;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van schade als verwoord in rechtsoverweging 10;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in bezwaar en beroep ten bedrage van € 1.704,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.P. Heijmans, voorzitter, mr. E.M. Vermeulen en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van drs. G. Sassen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.