Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5436

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
05/740025-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeelt een 41-jarige man tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, wegens het plegen van diverse geweldsdelicten (mishandelingen en doodsbedreigingen), vermogensdelicten (diefstallen en opzetheling), een vernieling en het doorrijden na een ongeval. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie, die primair heeft verzocht de man ter observatie in het PBC te plaatsen om te laten onderzoeken of het eventueel nodig is TBS op te leggen en subsidiair een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden heeft geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/740025-14

Data zittingen : 3 juni 2014 en 12 augustus 2014

Datum uitspraak : 26 augustus 2014

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadsman : mr. O.N.J. Maatje, advocaat te Zaltbommel.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank op 12 augustus 2014 ter terechtzitting

toegewezen wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 02 februari 2014 tot en met 23 februari

2014 in de gemeente Doetinchem

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

personenauto (Renault Twingo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 02 februari 2014 tot en met 23 februari

2014 in de gemeente Doetinchem en/of elders in Nederland

een auto (merk: Renault Twingo) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of

heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die auto wist althans had redelijkerwijs moeten weten dat het (een)

door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij in of omstreeks de periode van 04 februari 2014 tot en met 23 februari

2014 in de gemeente Nijmegen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

kentekenplaten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 04 februari 2014 tot en met 23 februari

2014 te Nijmegen, in elk geval in Nederland,

kentekenplaten heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die kentekenplaten wist dat het (een) door misdrijf verkregen

goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Tiel ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk de heer [slachtoffer 1] van

het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto, met

een auto, achteruit is gereden en/of (vervolgens) gas heeft gegeven en vooruit

op die [slachtoffer 1] is ingereden , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Tiel ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd de heer [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

als bestuurder van een personenauto, met een auto, achteruit is gereden en/of

(vervolgens) gas heeft gegeven en vooruit op die [slachtoffer 1] is ingereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Tiel de heer [slachtoffer 1] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend als bestuurder van een

personenauto met die auto achteruit gereden en/of heeft hij, verdachte,

(vervolgens) gas te geven en/of is hij (daarbij) op die [slachtoffer 1] ingereden;

4.

hij op of omstreeks 23 februari 2014 te Tiel opzettelijk en wederrechtelijk

twee, althans één, politievoertuig, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan de Politie Oost Nederland, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar

gemaakt;

5.

hij op of omstreeks 21 december 2013 in de gemeente Nijmegen met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 1]

heeft weggenomen een laptop, een navigatiesysteem (TomTom), één of meer

televisietoestellen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [benadeelde 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of met behulp van een valse

sleutel;

6.

hij op of omstreeks 14 december 2013 in de gemeente Nijmegen met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 1] heeft

weggenomen een paspoort (op naam van [benadeelde 3]), en/of sleutels en/of

autopapieren (van auto [kenteken 1]) en/of een CWZ-pas en/of een tas met inhoud,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich

de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

7.

hij op of omstreeks 19 december 2013 in de gemeente Nijmegen [slachtoffer 2]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend

de woorden toegevoegd :"Vuile kankerhoer, ik maak je kapot, oprotten en/of als

ik de kans krijg maak ik je af, je gaat eraan", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking;

8.

hij op of omstreeks 19 december 2013 in de gemeente Nijmegen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] van het

leven te beroven, met dat opzet met een mes, althans met een scherp en puntig

voorwerp één of meermalen naar het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft gestoken, en

daarbij heeft geroepen: "ik maak je dood" althans woorden van gelijke aard

en/of strekking

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 8 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 19 december 2013 in de gemeente Nijmegen ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3]

[slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met

een mes, althans met een scherp en puntig voorwerp één of meermalen naar het

lichaam van die [slachtoffer 3] heeft gestoken en/of met een kettingslot naar het

lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 19 december 2013 in de gemeente Nijmegen [slachtoffer 3] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend één of meermalen met

een mes, althans met een scherp en puntig voorwerp stekende bewegingen gemaakt

naar en/of in de richting het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of met een kettingslot

naar/tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geslagen en/of daarbij dreigend

heeft geroepen ; "ik maak je dood " althans woorden van gelijke aard of strekking;

9.

hij in of omstreeks de periode van 06 april 2013 tot en met 7 april 2013 te

Nijmegen en/of te Wijchen [slachtoffer 4] (middels whats app-berichten en/of

telefoonberichten) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

die [slachtoffer 4] onder meer de volgende berichten toe te sturen: "vlucht betr met

je kankert broer wand ik maak dit niu ewcht af [betrokkene 1] is al onderweg en dan

weet papa welwat dsr mee komt" en/of: "niet kapt dan hje de mijne heb er

gfenoegf van als hij niet schiet doe ik het" en/of:"ik kom dr nui aan kan je lachen

met die kanker koip schiet jou hem en de rest over hoop ben alles zat niu tyfus

mongoiol", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking"

10.

hij in of omstreeks de periode 2 januari 2013-7 januari 2013 te Nijmegen ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer 5], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met

dat opzet met een mes

-die [slachtoffer 5] in zijn linkerzij, althans zijn lichaam heeft gestoken en/of

-die [slachtoffer 5] in zijn hoofd (ter hoogte van zijn linkeroor) heeft gestoken

en/of met dat mes stekende bewegingen naar het lichaam van die [slachtoffer 5] heeft

gemaakt

,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 10 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode 2 januari 2013-7 januari 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 5]),

-in zijn gezicht heeft gestompt en/of geslagen en/of

-met een mes in zijn linkerzij en/of zijn hoofd (ter hoogte van zijn

linkeroor) heeft gestoken

, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

11.

hij in of omstreeks de periode 2 januari 2013-7 januari 2013

te Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een basepijp en/of een hoeveelheid drugs (cocaine), in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

12.

hij op of omstreeks 06 januari 2013 te Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1]

[verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] (beiden politiefunctionarissen politie district

Gelderland-Zuid en/of Regio Oost-Nederland) als inzittende en/of bestuurder

van een politievoertuig, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet met zijn, verdachtes personenauto (Volkswagen golf met kenteken

[kenteken 2]) achterwaarts tegen dat politievoertuig is gereden en/of is gebotst,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 12 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 06 januari 2013 te Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar,

als bestuurder van een motorrijtuig (volkswagen Golf [kenteken 2]) betrokken bij een

verkeersongeval (aanrijding met politievoertuig) of door wiens gedraging een

verkeersongeval was veroorzaakt op de[straat 2], de plaats van het ongeval

heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden aan een ander (te weten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of

Politie Gelderland-zuid) letsel en/of schade (scheur in voorbumper van

politievoertuig) was toegebracht;

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 12 augustus 2014 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. O.N.J. Maatje voornoemd.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd de heer [benadeelde 1] en politie Gelderland-Zuid. Namens laatstgenoemde benadeelde partij is ter terechtzitting aanwezig mevrouw [gemachtigde].

De officier van justitie, mr. G.C. Pol, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verdachte heeft, ook ter terechtzitting van 12 augustus 2014, gesteld dat hem eerder is medegedeeld dat enkele van de hem ten laste gelegde feiten zijn geseponeerd.

De officier van justitie is van mening dat aan de stelling van verdachte voorbij kan worden gegaan, nu verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ten laste gelegde feiten geseponeerd zouden zijn. Volgens hem is met verdachte mogelijk over andere geseponeerde zaken gesproken, maar betreft het niet de op de tenlastelegging vermelde feiten.

Volgens vaste jurisprudentie moet het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard indien bij verdachte op grond van toezeggingen de gerechtvaardigde verwachting is gewekt dat hij niet zal worden vervolgd. In dat kader is van belang te onderzoeken of één of meer van de thans ten laste gelegde feiten geseponeerd is.

De rechtbank overweegt dat de raadsman van verdachte heeft toegelicht dat door het coördinatieteam van hoofdagent [verbalisant 3] van de politie Gelderland-Zuid is bevestigd dat een tweetal zaken zijn geseponeerd, maar dat het niet de thans ten laste gelegde feiten betreft. Voorts blijkt de verdediging desgevraagd niet in staat om sepotbrieven te overleggen om de stelling van verdachte te onderbouwen. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank niet aannemelijk dat de feiten die aan verdachte ten laste zijn gelegd, zijn geseponeerd en ziet de rechtbank aldus geen reden om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van één of meer feiten van de voorliggende tenlastelegging.

3 De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van feit 1 en 21

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 23 februari 2014 reed verdachte in Tiel als bestuurder van een personenauto, te weten een Renault Twingo2 voorzien van kentekenplaten met het kenteken [kenteken 3].3 Deze Renault Twingo heeft een chassisnummer, waarbij het kenteken [kenteken 4] hoort.4 In de periode van

31 januari 2014 tot en met 2 februari 2014 is een Renault Twingo met kenteken [kenteken 4], toebehorend aan [benadeelde 1], gestolen.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem onder feit 1, primair, ten laste gelegde, maar dat wel wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder feit 1, subsidiair, ten laste gelegde opzetheling. Daartoe acht hij redengevend dat verdachte heeft verklaard dat hij de auto in het café van iemand heeft gekocht, de auto op naam stond van een “katvanger” en de auto gestart moest worden met een schroevendraaier. Van het ten laste gelegde onder feit 2 dient verdachte naar de mening van de officier van justitie te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde onder feit 1, primair, de hem onder feit 1, subsidiair, ten laste gelegde opzetheling, en het ten laste gelegde onder feit 2.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat verdachte op 23 februari 2014 in Tiel een gestolen personenauto van het merk Renault, type Twingo, voorhanden heeft gehad, met gestolen kentekenplaten (niet behorend bij de Renault Twingo waarop deze zijn aangetroffen). Evenals de officier van justitie en de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte de auto en kentekenplaten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem ten laste gelegde onder feit 1, primair, en feit 2, primair.

Voorts ligt de vraag ter beantwoording voor of bewezen kan worden geacht dat verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van de auto en de kentekenplaten wist dat het door misdrijf verkregen goederen betroffen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij de Renault Twingo in de nacht van zaterdag (22 februari 2014) op zondag (23 februari 2014) voor € 200,- in een kroeg in Tiel heeft gekocht van een hem onbekende man, die hem vertelde dat de auto op naam stond van een katvanger in Nijmegen. Verdachte heeft gezien dat het chassisnummer van de auto behoorlijk vaag en onleesbaar was en dat het contactslot van de auto met een schroevendraaier werkte.6 Als verdachte de Renault Twingo op eigen naam wilde zetten, moest hij bellen om het vrijwaringsbewijs af te geven.7 Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze omstandigheden dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de Renault Twingo bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het een door een misdrijf verkregen goed betrof.

Dit is anders voor wat betreft de kentekenplaten. Het enkele feit dat verdachte wist dat de Renault Twingo een gestolen auto betrof, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om bewezen te achten dat verdachte eveneens wist dat de daarop bevestigde kentekenplaten van een andere diefstal afkomstig zijn. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem ten laste gelegde onder feit 2, subsidiair.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte de Renault Twingo met de gestolen kentekenplaten (in ieder geval) reeds op 22 februari 2014 in zijn bezit heeft gehad en niet slechts, zoals hijzelf stelt, op 23 februari 2014 slechts vijf minuten in zijn bezit heeft gehad. Op 22 februari 2014 is bij een benzinestation te Beuningen met een Renault Twingo, met kenteken [kenteken 3], getankt zonder te betalen.8 Verdachte is op de foto’s van beelden van het tankstation herkend als zijnde de persoon die met de Renault Twingo met voornoemd kenteken tankt.9 De stelling van verdachte dat de man op de foto kaal is en hij deze niet kan zijn, wordt door de rechtbank niet gevolgd. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat hij verdachte op de beelden herkent.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde onder feit 1, subsidiair, heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij omstreeks de periode van 02 februari 2014 tot en met 23 februari 2014 in Nederland een auto merk: Renault Twingo heeft verworven, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 3 en 410

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 23 februari 2014 reed verdachte in Tiel als bestuurder van een personenauto, te weten een Renault Twingo11 voorzien van kentekenplaten met het kenteken [kenteken 3].12

Deze personenauto heeft twee dienstvoertuigen - toebehorend aan de Politie Oost Nederland - geraakt, waardoor aan deze voertuigen schade is ontstaan.13

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat, gelet op de verklaringen van betrokken verbalisanten, wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde onder feit 3, primair, en feit 4. Ten aanzien van feit 3 heeft hij opgemerkt dat is verklaard dat de motor van de auto van verdachte een hoog toerental draaide. Gezien de beperkte ruimte heeft verdachte daarmee volgens de officier van justitie bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) zou raken waardoor deze bekneld zou komen te zitten tegen de auto of de lantaarnpaal, of op de motorkap zou belanden, en dientengevolge zou komen te overlijden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte geheel moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde onder feit 3. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer 1] dat verdachte op hem is ingereden, geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen en [slachtoffer 1] bovendien zelf heeft verklaard dat de auto van verdachte klem zat tussen het dienstvoertuig en de lantaarnpaal, zodat het onmogelijk was nog op [slachtoffer 1] in te rijden. Volgens de raadsman was sprake van een ondeugdelijke poging, omdat de Renault 1,30-1,50 meter breed zou zijn en de ruimte tussen de lantaarnpaal en de dienstauto een meter. Ook heeft de raadsman van verdachte opgemerkt dat niets is gezegd over de snelheid waarmee de auto naar voren zou zijn gereden, terwijl verdachte bovendien met zijn handen om zijn hoofd zat en zijn voet van de koppeling kan zijn geschoten en/of hij door de politiebus achter hem kan zijn aangeduwd, zodat enige vorm van opzet op (bedreiging met) levensberoving of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman van verdachte zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Verbalisant [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij zijn dienstvoertuig 20 centimeter voor het portier van de Renault (waarin verdachte zat) heeft gezet en dat collega’s hun politiebus een meter achter de Renault hebben stilgezet. Voorts heeft hij verklaard dat verdachte achteruit is gereden tegen de politiebus, en vervolgens - terwijl [slachtoffer 1] voor de Renault stond - vooruit is gereden zodat [slachtoffer 1] weg moest springen om niet geraakt te worden, en de lantaarnpaal en het dienstvoertuig van [slachtoffer 1] heeft geraakt. Volgens [slachtoffer 1] is verdachte toen achteruit gereden tegen de politiebus, om daarna weer vooruit te rijden richting [slachtoffer 1], waarna hij opnieuw de lantaarnpaal en het dienstvoertuig heeft geraakt.14

Het relaas van verbalisant [verbalisant 4] (hierna: [verbalisant 4]), die met het andere dienstvoertuig (de politiebus) was aangekomen, sluit hierop aan. [verbalisant 4] heeft verklaard dat hij zijn opvallende dienstvoertuig ongeveer twee meter achter de Renault heeft geparkeerd en dat een ander dienstvoertuig de Renault aan de voorzijde, ter hoogte van het bestuurderspor-tier, heeft geblokkeerd. Volgens [verbalisant 4] heeft verdachte gas gegeven en is hij achteruit tegen zijn dienstauto gereden, is verdachte vervolgens vooruit tegen de dienstauto van zijn collega’s gereden, weer achteruit gereden en vervolgens opnieuw vooruit, in de richting van [slachtoffer 1].15

Verbalisant [verbalisant 5] (hierna: [verbalisant 5]) heeft eveneens verklaard dat verdachte gas heeft gegeven en vooruit reed waardoor [slachtoffer 1], die voor de Renault stond, weg moest springen.16

Aangezien de verklaringen van [slachtoffer 1], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] elkaar op belang-rijke onderdelen ondersteunen, ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de inhoud van deze verklaringen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte op enig moment achteruit is gereden en vervolgens gas heeft gegeven en op verbalisant [slachtoffer 1] is ingereden. Verdachte heeft blijkens de verklaringen, anders dan de raadsman van verdachte heeft betoogd, de ruimte voor zijn auto gehad om op [slachtoffer 1] af te rijden alvorens hij met de Renault de lantaarnpaal en de dienstauto raakte. De niet met stukken onderbouwde (feitelijke) stelling van de raadsman van verdachte dat de ruimte tussen de lantaarnpaal en de dienstauto te beperkt was om [slachtoffer 1] te bereiken, volgt de rechtbank gezien de verklaringen van [slachtoffer 1] en [verbalisant 5] dat [slachtoffer 1] weg “moest” springen om niet geraakt te worden, evenmin.

Gelet op de beperkte bewegingsvrijheid van de Renault, gezien de afstand tot de dienstvoertuigen, is de rechtbank van oordeel dat de snelheid van de Renault niet zodanig kan zijn geweest dat bewezen kan worden geacht dat naar ervaringsregels de aanmerkelijke kans bestond dat verdachte [slachtoffer 1] - als hij hem geraakt zou hebben - van het leven zou hebben beroofd. Van het ten laste gelegde onder feit 3, primair, zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken. Niettemin heeft verdachte, anders dan zijn raadsman heeft betoogd, naar het oordeel van de rechtbank wel bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en heeft hij tevens opzettelijk en wederrechtelijk twee politievoertuigen beschadigd.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde onder feit 3, subsidiair, en feit 4 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Ten aanzien van feit 3, subsidiair:

hij op 23 februari 2014 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd de heer [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto, met een auto, achteruit is gereden en (vervolgens) gas heeft gegeven en vooruit op die [slachtoffer 1] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Ten aanzien van feit 4:

hij op 23 februari 2014 te Tiel opzettelijk en wederrechtelijk twee, politievoertuigen, toebehorende aan de Politie Oost Nederland, heeft beschadigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder feit 5 ten laste gelegde. Aangeefster [benadeelde 3] heeft weliswaar verklaard dat verdachte op 21 december 2013 uit haar woning aan de [straat 1] te Nijme-gen een laptop, TomTom en twee televisietoestellen heeft weggenomen, maar deze verklaring wordt naar het oordeel van de rechtbank - anders dan de officier van justitie heeft gesteld - niet in voldoende mate door andere bewijsmiddelen ondersteund. Uit de bij de aangifte gevoegde App-berichten volgt immers slechts dat verdachte op de bedoelde datum in de woning van aangeefster zou zijn geweest, maar niet dat hij daar (wederrechtelijk) goederen heeft weggenomen. Om die reden zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde onder feit 5.

Ten aanzien van feit 617

Nu sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van aangifte (door [benadeelde 3]), p. 22 en 23;

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, p. 29; en

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 75.

Dat verdachte op of omstreeks 14 december 2013 - naast het paspoort, autopapieren van de auto met kenteken [kenteken 1] en een CWZ-pas - tevens sleutels en/of een tas met inhoud van [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3]) heeft weggenomen uit een woning aan de [straat 1] in Nijmegen, acht de rechtbank niet bewezen. De rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij. Ten aanzien van de tas (waarmee kennelijk een tas met tattoo spullen wordt bedoeld) overweegt de rechtbank dat er, naast de aangifte van [benadeelde 3], geen wettig bewijsmiddel bestaat waaruit kan worden afgeleid dat verdachte deze zou hebben weggenomen en verdachte dit ook uitdrukkelijk betwist. Voor wat betreft de sleutels overweegt de rechtbank dat [benadeelde 3] niet heeft verklaard dat verdachte zich deze wederrechtelijk zou hebben toegeëigend, terwijl verdachte zelf heeft verklaard deze sleutels eerder van [benadeelde 3] te hebben gekregen.

Evenals de officier van justitie is de rechtbank voorts van oordeel dat niet bewezen kan worden geacht dat verdachte zich door braak, verbreking en/of inklimming de toegang tot de woning van [benadeelde 3] heeft verschaft om op die wijze goederen weg te nemen. Niet is gebleken dat verdachte de woning is binnengekomen door het wc-raam open te breken, zoals [benadeelde 3] heeft gesteld in haar aangifte. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij zichzelf heeft binnengelaten met de – eerder van [benadeelde 3] gekregen – sleutel en is die sleutel ook in zijn bezit aangetroffen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 14 december 2013 in de gemeente Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning aan de [straat 1] heeft weggenomen een paspoort (op naam van [benadeelde 3]), en autopapieren (van auto [kenteken 1]) en een CWZ-pas toebehorende aan [benadeelde 3].

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 718

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 december 2013 heeft verdachte (in het ziekenhuis) in Nijmegen een woordenwisseling gehad met [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]), waarbij verdachte de woorden “kanker” en “kapot” heeft gebruikt.19

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat, op basis van de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaringen van getuigen [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3]) en [benadeelde 4] (hierna: [benadeelde 4]), wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd. Naar zijn mening kunnen de geuite bewoordingen, gelet op de omstandigheid dat verdachte op dat moment - zoals hij heeft verklaard – boos was, niet anders worden opgevat dan als een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem onder feit 7 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [benadeelde 4], onduidelijk is of sprake is van enige bedreiging en, als dat het geval is, of deze tegen [slachtoffer 2] was gericht.

Voorts heeft de raadsman van verdachte erop gewezen dat verdachte heeft verklaard dat hij tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd: “je hebt onze hele relatie al verkankert en kapotgemaakt, oprotten jij.”

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat verdachte haar dochter bij haar armen heeft gepakt en dat hij vervolgens [slachtoffer 2] heeft aangekeken en boos heeft toegeroepen: “Vuile kankerhoer, ik maak je kapot, oprotten”.20 Deze verklaring sluit aan bij de verklaring van haar dochter, getuige [benadeelde 3].

Zij heeft verklaard dat verdachte haar bij haar arm heeft vastgepakt en zij hem toen tegen haar moeder heeft horen zeggen: “Ga weg, anders maak ik je af.” en: “Je gaat eraan.”21

Vooropgesteld wordt dat met voornoemde verklaringen reeds voldoende wettig bewijs aanwezig is voor een bewezenverklaring van de onder feit 7 ten laste gelegde bedreiging. Gezien het betoog van de raadsman van verdachte ziet de rechtbank evenwel reden toe te lichten waarom zij ook de overtuiging heeft dat verdachte het feit heeft gepleegd. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de verklaring van getuige [benadeelde 4], een medewerker van het ziekenhuis, volgt dat zij heeft waargenomen dat een man de arm van een vrouw met twee handen vasthield en haar tegen de muur klem zette. Zij hoorde de man onder meer roepen: “ik maak je kapot”, “ik maak je af”. Hij zou daarbij naar de vrouw hebben gekeken die tegen het muurtje gedrukt stond, maar ook opzij hebben gekeken naar de andere vrouw, die later de moeder van de vrouw bleek te zijn.22 Nu de verklaringen van [slachtoffer 2] en [benadeelde 3] steun vinden in de verklaring van [benadeelde 4], die de betrokkenen klaarblijkelijk niet kent, ziet de rechtbank geen reden aan de inhoud van deze verklaringen te twijfelen en gaat de rechtbank uit van de juistheid daarvan. De stelling van de verdediging dat de woorden “kanker” en “kapot” in een andere context zouden zijn gebruikt en/of niet tevens tot [slachtoffer 2] gericht waren, houdt naar het oordeel van de rechtbank aldus geen stand. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 19 december 2013 in de gemeente Nijmegen [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd :"Vuile kankerhoer, ik maak je kapot, oprotten en/of als ik de kans krijg maak ik je af, je gaat eraan", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 823

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder feit 8, primair, ten laste gelegde poging doodslag. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) en de verklaringen van de getuigen [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) en [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) en het Facebookbericht van verdachte aan [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3]). De officier van justitie is van mening dat als je met een mes als waarover gesproken wordt, doelbewust, op een korte afstand op iemand insteekt, je bewust de aanmerkelijke kans voor lief neemt dat iemand daarbij het leven laat.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem onder feit 8 ten laste gelegde (geheel) moet worden vrijgesproken, omdat de verklaringen van de getuigen ongeloofwaardig zijn nu deze niet consistent zijn en bovendien onderling op elkaar lijken te zijn afgestemd. De raadsman van verdachte wijst erop dat verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 3] verdachte wilde neersteken en verdachte daarop, met het kettingslot, het mes uit de handen van [slachtoffer 3] zou hebben geslagen en het mes in de auto zou hebben gegooid.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 19 december 2013 bij [getuige 2] en [slachtoffer 4] in Nijmegen in de auto zat, toen verdachte - terwijl [slachtoffer 3] zich in de auto bevond – [slachtoffer 3] met een bromfietsketting met slot probeerde te slaan. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij naar de bestuurderskant van de auto is gesprongen en verdachte met zijn benen heeft afgeweerd, waardoor verdachte hem niet heeft geraakt. Vervolgens zou verdachte een steekvoorwerp met een punt op het uiteinde hebben gepakt en hem met dat voorwerp geprobeerd hebben te steken. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij verdachte ook in dit geval met zijn benen heeft afgeweerd.24

De verklaring van [slachtoffer 3] wordt ondersteund door de verklaringen van [getuige 3], [getuige 2] en [slachtoffer 4]. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij op 19 december 2013 bij [slachtoffer 3] in de auto zat en dat een persoon, waartegen “[alias 1]” werd geroepen, met een dikke ketting met slot meermalen naar [slachtoffer 3] heeft uitgehaald. De man heeft volgens [getuige 2] niet goed kunnen uithalen omdat hij daarvoor de ruimte niet had en [slachtoffer 3] zou op de bestuurdersstoel zijn gekropen om niet geraakt te worden. Vervolgens zou de man met een mes in de richting van de voeten van [slachtoffer 3] stekende bewegingen hebben gemaakt.25

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte op 19 december 2013 richting de auto liep waarin onder meer [slachtoffer 3] zich bevond en met een ketting met kracht richting [slachtoffer 3] sloeg. Volgens getuige [getuige 3] is [slachtoffer 3] daarop naar de bestuurderskant van de auto gevlucht en heeft hij verdachte afgeweerd met zijn voeten, waarna verdachte met een mes steekbewegingen zou hebben gemaakt richting [slachtoffer 3]. Als [slachtoffer 3] zich niet af had geweerd met zijn benen, zou verdachte hem hebben gestoken met het mes. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij verdachte heeft willen bedaren door “[alias 1]” te roepen.26

Getuige [slachtoffer 4] heeft verklaard dat zij op 19 december 2013 in Nijmegen bij [slachtoffer 3] in de auto zat toen verdachte met een ketting in zijn hand in de richting van [slachtoffer 3] sloeg. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer 3] naar de bestuurderskant van de auto is gedoken om zich af te weren. Verdachte heeft volgens haar vervolgens met een mes in de richting van [slachtoffer 3] gestoken en [slachtoffer 3] zou, als hij zich niet met zijn voeten zou hebben afgeweerd, zeker geraakt zijn.27

De rechtbank ziet, anders dan de raadsman van verdachte, geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van aangever en voornoemde getuigen. Redengevend daarvoor acht de rechtbank het Facebookbericht dat verdachte op 19 december 2013 naar [benadeelde 3] heeft gestuurd met de tekst “heb net leuke klappen gegeefen en gestoken pff goed bezig he [benadeelde 3] begin door te draaien en [getuige 3] met dr groote bek janken, bel me ben op de vlucht nu”.28 Getuige [benadeelde 3] heeft ook toegelicht dat “[alias 1]” verdachte is, dat hij op Facebook onder meer de naam “[alias 2]” gebruikt, dat verdachte haar ([benadeelde 3]) bedoelt waar hij “[benadeelde 3]” schrijft en dat haar Facebooknaam is “[benadeelde 3]”.29 Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt voornoemd bericht van verdachte aan getuige [benadeelde 3] het verhaal van aangever [slachtoffer 3] en getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [slachtoffer 4]. De stelling van verdachte ter terechtzitting, dat hij het bericht anders bedoeld heeft dan hij het heeft opgeschreven en er dus sprake is van een verschrijving, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Het betoog van de raadsman van verdachte over opvallende overeenkomsten tussen de verklaringen van [slachtoffer 3], [getuige 2], [getuige 3] en [slachtoffer 4], en enige inconsistenties in deze verklaringen, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank - daargelaten of daarmee gezegd kan worden dat sprake is geweest van onderling afstemmen - niet af.

Gelet op de omstandigheid dat onvoldoende bekend is over het door verdachte gebruikte mes, (de kracht van) de stekende bewegingen en of verdachte erop gericht was vitale lichaamsdelen van [slachtoffer 3] te raken, is de rechtbank van oordeel dat niet vaststaat dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer 3] door messteken zou komen te overlijden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem ten laste gelegde onder feit 8, primair. Opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan naar het oordeel van de rechtbank daarentegen wel worden bewezen, nu algemeen bekend is dat het meermalen steken met een mes de aanzienlijke kans op dergelijk letsel met zich meebrengt.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 8, subsidiair, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 19 december 2013 in de gemeente Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, meermalen naar het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft gestoken en met een kettingslot naar het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 930

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 april 2013 zijn vanaf de telefoon van verdachte naar de telefoon van [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) in Wijchen de volgende WhatsApp berichten verstuurd: “Ik kom dr nui aan kan je lachen met die kanker koip schiet jou hem en de rest over hoop ben alles zat niu tuyfus mongoiol” (22.27 uur) en “Vlucht betr met je kankert broer wand ik maak dit niu ewcht af [betrokkene 1] is al onderweg en dan weet papa wel wat dsr mee komt” (22.28 uur).31 Verdachte heeft op de betreffende zaterdagavond via WhatsApp gereageerd op berichten van [slachtoffer 4].32

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat, gelet op de aangifte en de verklaring van verdachte “dat zou weleens kunnen” (op de vraag of hij voornoemde berichten heeft verstuurd) bewezen kan worden geacht dat verdachte het hem onder feit 9 ten laste gelegde heeft gepleegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde onder feit 9 bij gebrek aan bewijs. Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake is van bedreigingen, maar louter en alleen van grof taalgebruik, en dat bovendien niet kan worden vastgesteld of het verdachte was die deze uitingen heeft gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op het verweer van de verdediging ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden geacht dat verdachte de hierboven onder de vaststaande feiten beschreven berichten aan [slachtoffer 4] heeft gestuurd. De rechtbank is van oordeel dat daarvoor voldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij op zaterdagavond (6 april 2013) heeft gereageerd op berichten van [slachtoffer 4], dat hij haar heeft gezegd dat hij wel naar haar toe zou komen, dat [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) - zijn huidige vriendin - uiteindelijk zijn telefoon heeft afgepakt en dat alleen [getuige 3] en hijzelf zijn telefoon in handen hebben gehad.33 Verdachte heeft ook verklaard dat het zou kunnen zijn dat hij [slachtoffer 4] de teksten “Ik kom dr nui aan kan je lachen met die kanker koip schiet jou hem en de rest over hoop ben alles zat niu tuyfus mongoiol” en “Vlucht betr met je kankert broer wand ik maak dit niu ewcht af [betrokkene 1] is al onderweg en dan weet papa wel wat dsr mee komt” heeft ge-appt.

Als op de inhoud van deze uitingen wordt doorgevraagd, antwoordt verdachte: “U vraagt mij wie [betrokkene 1] is. [betrokkene 1] is mijn nichtje. Ze kan goed vechten. Ze doet aan kickboksen. U vraagt mij wie papa is. Ik weet niet wat ik hiermee bedoelde.”34 Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op zaterdag (6 april 2013) met verdachte was, dat hij veel heeft gewhatsappt met zijn ex-vriendin [slachtoffer 4]) en dat zij zelf ook met de telefoon van verdachte heeft gewhatsappt naar [slachtoffer 4] en dat zich kenbaar heeft gemaakt als “[getuige 3]”.35 Op

6 april 2013 is inderdaad om 22.45 een bericht naar de telefoon van [slachtoffer 4] is gestuurd waarin staat: “Nee dit is [getuige 3]”36.

Gelet op de verklaringen van verdachte en [getuige 3] acht de rechtbank bewezen dat verdachte, tot het moment dat [getuige 3] om 22.45 uur de telefoon van hem afpakte, via WhatsApp met [slachtoffer 4] heeft gesproken en haar aldus de hiervoor geformuleerde berichten heeft gestuurd. De rechtbank is, anders dan de raadsman van verdachte, tevens van oordeel dat deze uitingen naar hun aard en strekking bij [slachtoffer 4] de redelijke vrees kon doen ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.

Dat verdachte eveneens het bericht “Niet kapt dan ben hje de mijne heb er gfenoegf van als hij niet schiuet doe ik het” (22.47 uur) aan [slachtoffer 4] heeft verstuurd, acht de rechtbank niet bewezen en de rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat [getuige 3] de telefoon van verdachte rond 22.45 uur in handen had en verdachte heeft verklaard dat hij de telefoon ook niet terug heeft gekregen die avond. Bovendien valt uit de strekking van de boodschap, waarin gesproken wordt over “hij” en “ik”, af te leiden dat [getuige 3] refereert aan het bericht dat verdachte eerder die avond (om 22.27 uur) aan [slachtoffer 4] heeft gestuurd.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder feit 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 6 april 2013 te Wijchen [slachtoffer 4] (middels whats app-berichten) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [slachtoffer 4] onder meer de volgende berichten toe te sturen: "vlucht betr met je kankert broer wand ik maak dit niu ewcht af [betrokkene 1] is al onderweg en dan weet papa welwat dsr mee komt" en:"ik kom dr nui aan kan je lachen met die kanker koip schiet jou hem en de rest over hoop ben alles zat niu tyfus mongoiol".

De rechtbank heeft bewezen geacht dat het feit is gepleegd op 6 april 2013. Nu dit een inperking betreft van de ten laste gelegde periode (“in of omstreeks de periode van 6 april 2013 tot en met 7 april 2013”) is verdachte hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ten aanzien van feit 10 en 1137

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Begin januari 2013 waren zowel verdachte (ook wel aangeduid als “[alias 1]”38), als [slachtoffer 5] (hierna: [slachtoffer 5]) in een garagebox in Nijmegen.39 Verdachte heeft [slachtoffer 5] geslagen40 boven zijn linkeroog41, met als gevolg een bloeduitstorting op het voorhoofd van [slachtoffer 5]42. Daarnaast heeft verdachte van [slachtoffer 5] diens cocaïne afgepakt43 en een basepijp.44

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte de hem onder feit 10, subsidiair, ten laste gelegde mishandeling heeft gepleegd, inclusief het steken met een mes achter het oor van [slachtoffer 5]. Voorts is de officier van justitie van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het hem onder feit 11 ten laste gelegde heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte is van mening dat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 10, subsidiair, waarbij hij evenwel niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte ook met een mes zou hebben gestoken. Ook kan volgens hem worden gekomen tot een bewezenverklaring van het onder feit 11 ten laste gelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat verdachte begin januari 2013 (verdachte verklaart op 2 januari 201345, [betrokkene 2] verklaart in de eerste week van januari46 en [slachtoffer 5] verklaart op 5 januari 201347) in Nijmegen een basepijp en cocaïne, toebehorend aan [slachtoffer 5], heeft afgepakt. Verdachte heeft verklaard dat hij de pijp kapot heeft getrapt en de cocaïne in een waterton heeft gegooid, omdat hij ervoor wilde zorgen dat [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) geen drugs zou gebruiken.48 Verdachte heeft de goederen dus bewust aan de beschikkingsmacht van [slachtoffer 5] onttrokken.

Doordat verdachte zich de heerschappij over de basepijp en cocaïne heeft verschaft, kan - zoals ook de officier van justitie en de raadsman van verdachte hebben opgemerkt - bewezen worden verklaard dat hij deze met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.

Eveneens staat vast dat verdachte [slachtoffer 5] op dezelfde dag in Nijmegen heeft geslagen.

Gezien de aard van het letsel acht de rechtbank bewezen dat verdachte, zoals [slachtoffer 5] heeft verklaard, met zijn vuist heeft uitgehaald.49 De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of bewezen kan worden geacht dat verdachte [slachtoffer 5] tevens met een mes heeft gestoken. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte, anders dan hij zelf stelt, een mes voorhanden heeft gehad. Niet slechts [slachtoffer 5], maar [betrokkene 2] heeft daar immers over verklaard.50 [slachtoffer 5] heeft verklaard dat verdachte hem met een vleesmes heeft gestoken in zijn linkerzij, boven zijn heup, en achter zijn linkeroor51 en tijdens medisch onderzoek op 5 januari 2013 is gebleken dat [slachtoffer 5] een wond op de linkerzijde van zijn borstkas had en een wond achter zijn oor en dat sprake was van gering bloedverlies52. Op grond van deze bewijsmiddelen - bezien in samenhang met de verklaring van [betrokkene 2] dat zij, toen zij verdachte met het mes zag, de garage uitgelopen is en [slachtoffer 5] “au, au” heeft horen roepen53 - acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer 5] heeft gestoken in zijn linkerzij en het hoofd. Dat verdachte hiermee een poging zou hebben gedaan [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, acht de rechtbank evenwel niet bewezen, nu onvoldoende duidelijkheid bestaat over de feitelijke toedracht van het steekincident. Er is niets bekend over het formaat van het mes, de gerichtheid en de kracht waarmee verdachte gestoken heeft en uit de medische informatie kan onder meer niet worden afgeleid hoe diep/oppervlakkig de (steek)wonden zijn. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem ten laste gelegde onder feit 10, primair.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde onder feit 10, subsidiair, en feit 11 heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Ten aanzien van feit 10, subsidiair:

hij in de periode 2 januari 2013-7 januari 2013 te Nijmegen opzettelijk mishandelend een persoon te weten [slachtoffer 5],

-in zijn gezicht heeft gestompt en

-met een mes in zijn linkerzij en zijn hoofd heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van feit 11:

hij de periode 2 januari 2013-7 januari 2013 te Nijmegen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een basepijp en een hoeveelheid drugs (cocaïne), toebehorende aan [slachtoffer 5].

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

Ten aanzien van feit 1254

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 6 januari 2013 reed de bestuurder van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] op de[straat 2] te Molenhoek, in de gemeente Mook en Middelaar, tegen een politievoertuig, op het moment dat [verbalisant 1] (hierna: [verbalisant 1]) en [verbalisant 2] (hierna: [verbalisant 1]) van de politie Gelderland-Zuid daaruit wilden stappen. Ten gevolge van de aanrijding werd het dienstvoertuig naar achteren gedrukt55, sloeg het portier aan de zijde van [verbalisant 1] dicht en ontstond een scheur in de voorbumper van het dienstvoertuig56. De bestuurder van de Volkswagen Golf vervolgde zijn weg, totdat hij na ongeveer 100 meter de macht over het stuur verloor. Vervolgens vluchtte hij te voet weg.57

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte het hem onder feit 12, subsidiair, ten laste gelegde heeft begaan. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 1] hebben verklaard dat zij een persoon die na een ongeval is weggereden, hebben herkend als zijnde de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte elke betrokkenheid bij het ongeval ontkent en hij, wegens gebrek aan bewijs, integraal moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde onder feit 12.

Beoordeling door de rechtbank

Gelet op hetgeen onder de vaststaande feiten is opgenomen, acht de rechtbank bewezen dat de bestuurder van voornoemde Volkswagen Golf op 6 januari 2013 een verkeersongeval heeft veroorzaakt en de plaats van dit ongeval heeft verlaten.

De bestuurder van de Volkswagen Golf heeft zijn auto (opzettelijk na een achtervolging58) in de achteruit gezet om daarmee het politievoertuig, waarvan de portieren reeds geopend waren, naar achteren te duwen om te ontkomen. De rechtbank is van oordeel dat hiermee bewezen kan worden geacht dat de bestuurder redelijkerwijs had moeten vermoeden dat hij de inzittenden van het politievoertuig letsel had toegebracht en/of schade aan het politievoertuig had toegebracht. Dat de bestuurder van de Volkswagen Golf de opzet heeft gehad de inzittenden van het politievoertuig zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, acht de rechtbank - evenals de officier van justitie - niet bewezen.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bewezen kan worden geacht of verdachte de bestuurder van voornoemde Volkswagen Golf is geweest. De stelling van de raadsman van verdachte dat daarvoor onvoldoende bewijs bestaat volgt de rechtbank niet. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 1] hebben immers beiden verklaard dat zij op het politiebureau een foto van verdachte hebben gezien en zij hem herkenden als de bestuurder van de Volkswagen Golf.59

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze verklaringen. Overigens blijkt uit geen van de stukken, zoals verdachte ter terechtzitting heeft gesteld, dat verdachte aan een tatoeage in zijn nek zou zijn herkend.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 12, subsidiair, ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 06 januari 2013 te Molenhoek, gemeente Mook en Middelaar, als bestuurder van een motorrijtuig volkswagen Golf [kenteken 2] betrokken bij een verkeersongeval aanrijding met politievoertuig op de[straat 2], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden schade (scheur in voorbumper van politievoertuig) was toegebracht.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd, is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

Opzetheling.

Ten aanzien van feit 3, subsidiair:

Poging zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Ten aanzien van feit 6:

Diefstal.

Ten aanzien van feit 7:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 8, subsidiair:

Poging zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 9:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 10, subsidiair:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 11:

Diefstal.

Ten aanzien van feit 12, subsidiair:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in zijn overwegingen betrokken de ernst van de feiten, de justitiële documentatie van verdachte, de ten aanzien van verdachte opgemaakte rapportages en het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.

Primair heeft hij het standpunt ingenomen dat de zaak na sluiting van het onderzoek moet worden heropend en dat verdachte ter observatie in het Pieter Baan Centrum moet worden geplaatst. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte een flinke justitiële documentatie heeft op het gebied van geweldsdelicten, verdachte in 2010 een forse gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen en hij nu in korte tijd tweemaal in verband met een poging doodslag voor de rechtbank moet verschijnen. De officier van justitie vraagt zich af of, zonder een rapport, kan worden verzocht TBS op te leggen. Hij vindt het lastig om nu vast te stellen dat verdachte lijdt aan een stoornis, maar laat het aan de rechtbank over daar een oordeel over te geven.

Subsidiair heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar de richtlijnen van het openbaar ministerie, geëist dat verdachte - ter beveiliging van de maatschappij - zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Klinische behandeling van verdachte acht hij, gelet op het feit dat de rapporten daarvoor geen aanknopingspunten bieden en een dergelijke behandeling eerder heeft gefaald, niet zinvol. Wel acht de officier van justitie het een risico als verdachte zonder behandeling uit detentie komt en vreest hij dat verdachte zijn agressie dan niet in toom zal kunnen houden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht de officier van justitie niet in zijn primaire en subsidiaire standpunt te volgen. In plaats daarvan verzoekt hij verdachte een gevangenisstraf op te leggen met een zodanig groot voorwaardelijk deel dat verdachte bij het uitspreken van het vonnis direct in vrijheid kan worden gesteld en in het kader van op te leggen bijzondere voorwaarden de voor hem benodigde hulp kan krijgen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er weinig feiten bewezen kunnen worden verklaard en dat het gaat om ogenschijnlijk ernstige feiten ([slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] zouden cocaïneverslaafden zijn), de omvangrijke justitiële documentatie van verdachte erop wijst dat hij hulp nodig heeft, verdachte met een psycholoog heeft gesproken en een psychiater heeft aangegeven dat verdachte aan een antisociale stoornis lijdt en klinische behandeling wordt geadviseerd. Verdachte wil volgens zijn raadsman, mede in verband met zijn ADHD-problematiek, door Kairos geholpen worden. Naar de mening van de raadsman van verdachte heeft een dergelijk traject kans van slagen nu verdachte een nieuwe vriendin heeft.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij mede is gelet op:

  • -

    een rapportage betreffende verdachte, opgesteld door forensisch psycholoog [psycholoog], gedateerd 8 augustus 2014;

  • -

    een rapportage betreffende verdachte, opgesteld door psychiater [psychiater 1], gedateerd 6 augustus 2014;

  • -

    het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 14 juli 2014;

  • -

    een reclasseringsadvies van GGZ IrisZorg unit Nijmegen betreffende verdachte, gedateerd 20 mei 2014; en

  • -

    een trajectconsult betreffende verdachte, opgesteld door forensisch psychiater [psychiater 2] van het NIFP-Oost, gedateerd 19 mei 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse geweldsdelicten (mishandelingen en doodsbedreigingen), vermogensdelicten (diefstallen en opzetheling), vernieling en het doorrijden na een ongeval. Verdachte blijft iedere betrokkenheid bij deze delicten, met uitzondering van de diefstal van een basepijp en cocaïne - een feit dat voor de rechtbank in het kader van de strafmaat minder van belang wordt geacht dan de andere feiten - hardnekkig ontkennen en neemt op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn handelen. De rechtbank acht dit bijzonder zorgwekkend.

In de rapportage van de psychiater staat dat verdachte lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en ADHD, en dat hij een behandeling nodig heeft die voldoende langdurig en intensief is en waarvoor een forensisch psychiatrische kliniek het meest geschikt is. In het reclasseringsadvies wordt eveneens gesteld dat een forensisch klinische behandeling nodig is om de complexe en langdurige problematiek van verdachte te kunnen behandelen. Mede gelet op de inhoud van deze rapportages is de rechtbank, evenals de raadsman van verdachte en de officier van justitie, van oordeel dat bij verdachte kennelijk sprake is van problematiek en dat klinische behandeling zinvol zou zijn. De psychiater heeft een stevig juridisch kader voorgesteld, in de vorm van een voorwaardelijk strafdeel of een terbeschikkingstelling. Hoewel sprake is van enkele ernstige delicten, in het bijzonder waar het gaat om de poging van verdachte om anderen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, is de rechtbank van oordeel dat het bewezenverklaarde het opleggen van een ingrijpende maatregel als die van TBS thans niet rechtvaardigt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verdachte ter observatie in het PBC te doen plaatsen.

De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt dat een forse gevangenisstraf voor verdachte geboden is. Een geheel voorwaardelijke straf dan wel een onvoorwaardelijke straf gelijk aan de duur van het voorarrest, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de aard en ernst van de gepleegde feiten. De vraagt is voorts of een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden passend is voor verdachte.

In dit kader acht de rechtbank van belang dat de psychiater het waarschijnlijk acht dat verdachte zich, zonder een stevig juridisch kader, opnieuw aan behandeling zal onttrekken en heeft opgemerkt dat de reclassering in de afgelopen jaren bezig is geweest om een hulpverleningstraject op gang te brengen, maar dat dit - door gebrekkige medewerking van de zijde van verdachte - is gestrand. De reclassering heeft geadviseerd om ofwel in het kader van een voorwaardelijke veroordeling een klinische behandeling op te leggen, waarvoor een IFZ-indicatie zou moeten worden aangevraagd, of - hetgeen de voorkeur van verdachte zou hebben - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf waarbij het realiseren van een klinische behandeling kan plaatsvinden in het kader van het “Terugdringen Recidive” programma.

Gelet op het gebrek aan medewerking van de zijde van verdachte, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank overigens tevens blijkt uit zijn weigering om met een psycholoog te praten, acht de rechtbank het voorstel om met behulp van het opleggen van bijzondere voorwaarden (wederom) een hulpverleningstraject in gang te zetten, niet zinvol. Om die reden zal de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden opleggen. Indien verdachte nu, zoals zijn raadsman stelt, inderdaad gemotiveerd is de benodigde hulp te aanvaarden, bestaat voor hem daartoe de mogelijkheid door middel van voornoemd “Terugdringen Recidive” programma.

6a. De beoordeling van de civiele vorderingen

De benadeelde partijen hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vorderingen strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft door middel van het indienen van een voegingsformulier, gedateerd 24 mei 2014, een bedrag van € 732,95 gevorderd als vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met wettelijke rente.

De benadeelde partij politie Gelderland-Zuid heeft door middel van het indienen van voegingsformulieren voorafgaand aan de terechtzitting bedragen van respectievelijk € 812,24 (ter zake schade aan de dienstauto met kenteken [kenteken 5]) en € 1.544,17 (ter zake schade aan de dienstauto met kenteken [kenteken 6]) gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde 1]

niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts is de officier van justitie van mening dat de vorderingen van politie Gelderland-Zuid deugdelijk zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] het standpunt ingenomen dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ten aanzien van de vorderingen van de politie Gelderland-Zuid heeft de raadsman van verdachte verzocht rekening te houden met de matigingsbevoegdheid. Voorts heeft de raadsman van verdachte betoogd dat de voor spuitwerk in rekening gebrachte kosten niet voor rekening en risico van verdachte behoren te komen, aangezien de bedoelde schade niet door verdachte maar door een van de agenten zelf is veroorzaakt. In dat kader heeft de raadsman van verdachte ook opgemerkt dat verdachte weliswaar als vlucht- en vuurwapengevaarlijk wordt aangemerkt, maar dat bij verdachte nooit een wapen is aangetroffen.

De beoordeling door de rechtbank

Vooropgesteld wordt dat slechts schade die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezenverklaring in het kader van deze strafrechtelijke procedure voor vergoeding in aanmerking komt. Nu de door [benadeelde 1] gestelde schade niet rechtstreeks voortvloeit uit de onder feit 1, subsidiair, bewezenverklaarde opzetheling, zal de rechtbank hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De vorderingen van de politie Gelderland-Zuid komen naar het oordeel van de rechtbank, nu de gestelde schade in voldoende mate is onderbouwd met facturen, voor toewijzing in aanmerking. Dat, zoals de raadsman van de verdachte heeft gesteld, een deel van de schade is ontstaan doordat één van de verbalisanten op de motorkap van één van de dienstwagens heeft gestaan teneinde verdachte aan te houden, volgt niet uit het dossier. Zelfs als dit het geval zou zijn, doet dit niet af aan het oordeel van de rechtbank dat een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het bewezenverklaarde onder feit 4. De rechtbank ziet evenmin reden de toe te wijzen bedragen te matigen. De rechtbank zal de gevorderde bedragen van € 812,24 en € 1.544,17 dan ook toewijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 63, 91, 285, 300, 302, 310, 311, 350, 416 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 7, 176 en 178 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 primair, feit 5, feit 8 primair, feit 10 primair en feit 12 primair ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten als vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

8a. De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1]:

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Ten aanzien van de vordering van politie Gelderland-Zuid (dienstauto [kenteken 5]):

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan politie Gelderland-Zuid, te betalen € 812,24 (achthonderdentwaalf euro en vierentwintig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van de politie Gelderland-Zuid, te betalen € 812,24 (achthonderdentwaalf euro en vierentwintig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 (zestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Ten aanzien van de vordering van politie Gelderland-Zuid (dienstauto [kenteken 6]):

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan politie Gelderland-Zuid, te betalen € 1.544,17 (duizendvijfhonderdvierenveertig euro en zeventien eurocent.

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van de politie Gelderland-Zuid, te betalen € 1.544,17 (duizendvijfhonderdvierenveertig euro en zeventien eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. L.C.P. Goossens, als voorzitter, mr. M.A. Bijl en mr. S. Brinkhoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 6] van de politie Oost-Nederland, District Gelderland-Zuid, locatie Tiel, opgemaakte Relaas Procesdossier, met proces-verbaalnummer PL 0800 2014030624, gesloten op 31 maart 2014 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van het verhoor van verdachte, p. 17 en 18.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 26 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 28.

4 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 47.

5 Het proces-verbaal van aangifte, p. 44.

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 17 en 18, eerste en tweede alinea.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 21.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 53, alsmede een schriftelijk bescheid inhoudende een registratie doorrijder, p. 54.

9 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 59.

10 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 6] van de politie Oost-Nederland, District Gelderland-Zuid, locatie Tiel, opgemaakte Relaas Procesdossier, met proces-verbaalnummer PL 0800 2014030624, gesloten op 31 maart 2014 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

11 Het proces-verbaal van het verhoor van verdachte, p. 17 en 18.

12 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 26 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 28.

13 De processen-verbaal van aangifte, respectievelijk p. 49 en 51, alsmede de processen-verbaal van bevindingen, p. 29 en 30.

14 Het proces-verbaal van aangifte, p. 39.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 27.

17 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 7] van de FLEX recherche van de politie Gelderland-Zuid, opgemaakte Zaaksproces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2013124484, gesloten op 30 januari 2014 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

18 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 7] van de FLEX recherche van de politie Gelderland-Zuid, opgemaakte Zaaksproces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2013126498, gesloten op 30 januari 2014 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

19 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 augustus 2014 en het proces-verbaal van aangifte, p. 129.

20 Het proces-verbaal van aangifte, p. 129.

21 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 3], p. 131.

22 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [benadeelde 4], p. 136 en 137.

23 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 7] van de FLEX recherche van de politie Gelderland-Zuid, opgemaakte Zaaksproces-verbaal, met proces-verbaalnummer 2013126096, gesloten op 4 februari 2014 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

24 Het proces-verbaal van aangifte (door [slachtoffer 3]), p. 145 en 146.

25 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], p. 147 en 148.

26 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 150 en 151.

27 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4], p. 154 en 155.

28 Een schriftelijk bescheid inhoudende afschriften van Facebookberichten van [benadeelde 3], p. 184.

29 Het proces-verbaal verhoor aangeefster, p. 157.

30 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 7] van de FLEX recherche van de politie Gelderland-Zuid, opgemaakte Relaas proces-verbaal, met OPS-dossiernummer 2013031800 en 2013031803, gesloten op 13 februari 2014 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

31 Het proces- verbaal van aangifte (door [slachtoffer 4]), p. 11.

32 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 45 en 46.

33 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 44-46.

34 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 48 en 49.

35 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], p. 52 en 53.

36 Het proces- verbaal van aangifte (door [slachtoffer 4]), p. 11.

37 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 8] van de politie Oost-Nederland, Districtsrecherche Nijmegen, opgemaakte Zaaksproces-verbaal 01 MERGEL (steekincident), met proces-verbaalnummers 2013002266/2013001945, gesloten op 5 november 2013 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

38 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 augustus 2014.

39 Het proces-verbaal van aangifte (door [slachtoffer 5]), p. 42 en 43, alsmede het proces-verbaal van bevindingen, p. 48, en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 54.

40 Het proces-verbaal van aangifte (door [slachtoffer 5]), p. 43 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 54.

41 Het proces-verbaal van aangifte (door [slachtoffer 5]), p. 43.

42 Een schriftelijk bescheid gedateerd 30 december 2013, inhoudende een geneeskundige verklaring betreffende letsel van [slachtoffer 5] op 5 januari 2013, p. 47.

43 Het proces-verbaal van aangifte (door [slachtoffer 5]), p. 42.

44 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 augustus 2014.

45 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 53.

46 Het proces-verbaal van verhoor verdachte ([betrokkene 2]), p. 63.

47 Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 5]), p. 42.

48 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 augustus 2014.

49 Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 5]), p. 43.

50 Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 5]), p. 43 en het proces-verbaal van verhoor verdachte ([betrokkene 2]), p. 65.

51 Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 5]), p. 43.

52 Een schriftelijk bescheid gedateerd 30 december 2013, inhoudende een geneeskundige verklaring betreffende letsel van [slachtoffer 5] op 5 januari 2013, p. 47.

53 Het proces-verbaal van verhoor verdachte ([betrokkene 2]), p. 65.

54 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 8] van de politie Oost-Nederland, Districtsrecherche Nijmegen, opgemaakte Zaaksproces-verbaal 02 MERGEL (inrijden op politievoertuig), met proces-verbaalnummers 2013005916, gesloten op 5 november 2013 en in de bijbehorende in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

55 Het proces-verbaal van aangifte (door [verbalisant 1], mede namens [verbalisant 2]), p. 76 en 77.

56 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 79 en 80.

57 Het proces-verbaal van aangifte (door [verbalisant 1], mede namens [verbalisant 2]), p. 77, en het proces-verbaal van bevindingen, p. 80.

58 Het proces-verbaal van aangifte (door [verbalisant 1], mede namens [verbalisant 2]), p. 77, en het proces-verbaal van bevindingen, p. 80.

59 Het proces-verbaal van aangifte (door [verbalisant 1], mede namens [verbalisant 2]), p. 77, en het proces-verbaal van bevindingen, p. 81.