Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5248

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_7614
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft bij rechtbank Gelderland beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning, de aanslag rioolheffing en de aanslag reinigingsheffingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de waarde van de woning aannemelijk gemaakt. Van onverbindendheid van de Verordening rioolheffing en reinigingsheffingen is geen sprake, de opbrengstlimiet is niet overschreden. Het beroep van eiser is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1971
V-N Vandaag 2014/1726

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 13/7614

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 19 augustus 2014

in de zaak tussen

mr. [X], te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Wijchen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2012, vastgesteld voor het kalenderjaar 2013 op € 390.000. In het desbetreffende geschrift zijn ook de aanslagen onroerende-zaakbelasting, rioolheffing en afvalstoffenheffing bekend gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 oktober 2013 de waarde verminderd tot
€ 375.000 en vermindering van de daarop gebaseerde aanslagen aangekondigd. Vervolgens zijn de aanslagen verminderd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 29 november 2013, ontvangen door de rechtbank op 2 december 2013, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2014. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde], [A], [B] en [C] (taxateur).

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning. De woning is een vrijstaande woning met garage en tuinhuis/blokhut. De inhoud van de woning is ongeveer 530 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 775 m². De woning is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Tevens geldt ten aanzien van het perceel de verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Geschil

2.

In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Tevens is in geschil of de Verordening rioolheffing 2013 en de Verordening Reinigingsheffingen 2013 van de gemeente Wijchen onverbindend zijn wegens overschrijding van de opbrengstlimiet.

Beoordeling van het geschil

Waarde woning

3.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer, oftewel de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

4.

De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woning toegekende waarde ligt bij verweerder.

5.

Eiser bepleit een waarde van € 350.000, verweerder een waarde van € 375.000. Verweerder heeft ter onderbouwing van de vastgestelde waarde onder meer verwezen naar een door hem overgelegd taxatierapport, opgemaakt op 26 maart 2014 door [C]. In dit taxatierapport is de waarde van de woning getaxeerd op € 375.000. Naast gegevens van de woning, bevat dit taxatierapport gegevens van een aantal vergelijkingsobjecten. Eiser heeft geen taxatierapport overgelegd.

6.

Met het hiervoor vermelde taxatierapport heeft verweerder, gelet op de voorgedragen beroepsgronden, aannemelijk gemaakt dat hij de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld. Niet gezegd kan worden dat de aan de woning toegekende waarde in een onjuiste verhouding staat tot de behaalde verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft hierbij de woning [A-straat 2] te [Z] die op 15 september 2010 is verkocht, terecht niet als vergelijkingsobject meegenomen aangezien er voldoende goede vergelijkingsobjecten zijn die rondom de waardepeildatum zijn verkocht.

7.

Doel en strekking van de Wet WOZ brengen met zich dat de waarde van een specifieke onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald, aan de hand van feiten en omstandigheden die zich op of rond de waardepeildatum voordoen, met voorbijgaan aan de waarde die per een vorige waardepeildatum aan de onroerende zaak is toegekend. De waarderingssystematiek van de Wet WOZ laat voorts geen ruimte voor waardebepaling op basis van indexering of vergelijking met stijgings- of dalingspercentages ten opzichte van een vorige WOZ-waardering of trends in de markt, zoals eiser voorstaat.

Rioolheffing

8.

Artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet luidt:

‘1. Onder de naam rioolheffing kan een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

2.

Ter zake van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, kunnen twee afzonderlijke belastingen worden geheven.

3.

Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds.’

9.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel ter wijziging van onder meer de Gemeentewet (TK, 2005-2006, 30 578, nr. 3) is over de rioolheffing onder meer vermeld:

‘Het retributiekarakter van het rioolrecht impliceert dat de dienst die een gemeente levert gekoppeld moet kunnen worden aan het individuele profijt van de burger. Een gemeente moet echter ook maatregelen kunnen nemen die het collectief belang dienen zoals het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater en het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming. De gemeente heeft op dit moment bijvoorbeeld voor het anders omgaan met afvloeiend hemelwater en de verwerking van ingezameld grondwater geen adequaat bekostigingsinstrumentarium beschikbaar. Een verbrede financieringsstructuur voor de gemeentelijke wateropgaven is daarom noodzakelijk.

Dit wetsvoorstel bevat daarom ook een voorstel tot het creëren van een nieuwe rioolheffing in een nieuw, in de Gemeentewet in te voegen, artikel 228a, uit de opbrengst waarvan de in dit wetsvoorstel bedoelde taken kunnen worden bekostigd. Uiteraard met de kanttekening dat de heffing dus maximaal kostendekkend mag zijn. De nieuwe rioolheffing treedt in de plaats van het huidige rioolrecht. De gemeenten krijgen er per saldo dus geen extra heffing bij; het huidige bekostigingsinstrument wordt aangepast aan de bredere taakinvulling.

Waar het huidige rioolrecht een retributiekarakter heeft voor de bekostiging van door de gemeente te verlenen diensten of het gebruik van gemeentelijke voorzieningen, heeft deze nieuwe gemeentelijke heffing het karakter van een bestemmingsheffing waarmee kosten kunnen worden verhaald om collectieve maatregelen te treffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een doelmatig werkende riolering en overige maatregelen ten aanzien van hemelwater en grondwater. Het uitgangspunt van de nieuwe heffing is om gemeenten in staat te stellen de kosten te verhalen die gepaard gaan met de gemeentelijke wateropgave.’

en

‘In lijn met dat kabinetsstandpunt gaat het onderhavige wetsvoorstel uit van een onderscheid tussen de waterketen en het watersysteem (artikel 228a, eerste lid, onderdelen a en b, Gemeentewet). Het wetsvoorstel biedt de gemeente daarbij een keuze tussen één of twee heffingen. (…) Deze keuze ligt voor de hand omdat inzameling en transport van huishoudelijk en bedrijfsafvalwater, hemelwater en grondwater nog steeds via een overwegend gemengd rioolstelsel plaats vindt. Het wetsvoorstel biedt de gemeente de mogelijkheid om ook in de toekomst uitgaande van de huidige praktijk met één heffing te blijven werken, waaruit zowel de gemeentelijke waterketen als watersysteemkosten worden bekostigd. Daarnaast beoogt dit wetsvoorstel geen wijziging te brengen in de praktijk dat gemeenten zowel gebruikers als eigenaren dan wel slechts één van beide categorieën als belastingplichtigen voor de heffing aanwijzen.

Bij uitvoering van de gemeentelijke watertaken zal in de toekomst gelet op de hiervoor beschreven beleidsuitgangspunten naar verwachting vaker gekozen worden voor een fysieke scheiding van huishoudelijk en bedrijfsafvalwater aan de ene kant, en hemelwater en ingezameld grondwater aan de andere kant. Het wetsvoorstel biedt daarom de gemeenten ook de mogelijkheid om met twee heffingen te werken. Naast een heffing voor het waterketendeel, die voor huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater voortborduurt op de huidige wijze van heffen, kan een heffing worden ingesteld voor het watersysteemdeel.’

10.

Uit de door verweerder overgelegde begroting voor riolering en waterzuivering (Product 722.0) volgt dat in 2013 de lasten zijn geraamd op € 3.647.000. In deze lasten is een bedrag van € 302.000 aan compensabele BTW begrepen. De baten zijn geraamd op € 3.339.000 zodat het dekkingspercentage 91,6% is. Hiermee voldoet de rioolheffing in beginsel aan de opbrengstlimiet.

11.

Volgens eiser is de opbrengstlimiet overschreden omdat onder rekening [000] (voorziening rationeel rioolbeheer), [001] (voorziening pompinstallaties rioolgemalen) en [002] (voorziening mechanische riolering) voor in totaal € 1.025.000 aan voorzieningen is opgenomen. Aangezien het nut daarvan zich uitstrekt over meerdere jaren moeten deze investeringen worden geactiveerd en mag slechts de jaarlijkse afschrijving als last worden genomen, aldus eiser. Verweerder heeft in reactie hierop verklaard dat door middel van het treffen van voorzieningen ieder jaar wordt gespaard voor vervanging en groot onderhoud. Alleen uitgaven voor uitbreidingsinvesteringen worden middels afschrijving als last in aanmerking genomen. De rechtbank is van oordeel dat dit is toegestaan. Uit het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BR0689) volgt dat het voor de heffing van rioolrecht, gelet op het bepaalde in artikel 229b, tweede lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, is toegestaan om - zolang er maar sprake is van investeringen ten behoud van het bestaande voorzieningenniveau - een voorziening te vormen en deze als last in aanmerking te nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de rioolheffing anders te oordelen. Mede gelet op de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting, waarin onder meer is vermeld dat bedoeld is de huidige bekostigingsinstrument aan te passen aan de bredere taakinvulling, is de rechtbank van oordeel dat de wetgever niet heeft beoogd voor de rioolheffing een beperking aan te brengen in de lasten die in aanmerking kunnen worden genomen.

12.

Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de opbrengstlimiet is overschreden omdat in de kolom Afvoerrecht als bijdrage aan de afdeling Financiën en Openbare werken kosten staan opgenomen die zien op nieuwe aansluitingen en die dus niet als kosten voor het Afvoerrecht maar voor het Aansluitrecht in aanmerking hadden moeten worden genomen. De rechtbank overweegt dat artikel 228a van de Gemeentewet in het tweede lid aan gemeentes de mogelijkheid biedt om een aparte heffing voor het watersysteemdeel en het waterketendeel in te voeren (zie ook de hiervoor aangehaalde Memorie van Toelichting). In de gemeente Wijchen is van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en wordt één belasting, rioolheffing, geheven. Het onderscheid dat in de begroting is gemaakt tussen rioolrecht en aansluitrecht heeft dus feitelijk ook slechts betrekking op één heffing, de rioolheffing. Gelet hierop is de kostenverdeling tussen het in de begroting genoemde Afvoerrecht en Aansluitrecht ook niet van belang. Reeds daarom kan de grief van eiser niet slagen.

13.

In de begroting is onder rekening [003] voor in totaal € 528.921,98 aan ‘rentekosten kapitaallasten’ opgenomen. Eiser vindt dit vreemd aangezien voor het jaar 2008 en 2009 onder deze post ongeveer dezelfde bedragen stonden opgenomen terwijl de rente in de loop der jaren aanzienlijk is gezakt. Verweerder heeft in reactie hierop aangegeven dat dit de rente is op de investeringen, dat de rente wordt begroot per jaar van investeren, dat op dat moment een inschatting wordt gemaakt van de kapitaalmarkt en dat daarna geen aanpassing meer plaatsvindt. Tevens blijkt uit de beroepsgronden van eiser dat in 2013 in de gemeente Wijchen nieuwe riolering is aangelegd wat weer zal hebben geleid tot extra kapitaallasten die in de begroting 2013 zullen zijn meegenomen. Gelet op al deze feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de gemeente deze lasten niet in redelijkheid op dat bedrag heeft kunnen ramen (vgl. Hoge Raad 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242).

14.

In artikel 228a van de Gemeentewet is in het derde lid vermeld dat onder kosten, bedoeld in het eerste lid, mede wordt verstaan de omzetbelasting die als gevolg van de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit dat fonds. Deze omzetbelasting is in de begroting vermeld onder ‘Toe te rekenen compensabele BTW’. Eiser stelt zich op het standpunt dat, nu in de productbegroting niet uitdrukkelijk is vermeld dat in de lasten de omzetbelasting niet ook al is begrepen, de omzetbelasting dubbel is opgevoerd. De rechtbank volgt dit standpunt niet. In de productbegroting is op pagina 3 onder ‘Dekkingsgraad’ vermeld dat de kosten die in het overzicht zijn opgenomen exclusief de terug te vorderen en compensabele delen van de BTW zijn. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd. De rechtbank ziet geen aanleiding aan deze verklaring en in hetgeen is vermeld in de productbegroting te twijfelen. Gelet hierop ziet de rechtbank ook geen aanleiding om tegemoet te komen aan het verzoek van eiser om een deskundige te benoemen die een onderzoek kan instellen. Vanzelfsprekend zal, zoals door eiser is aangevoerd en door verweerder is erkend, de gemeente de door haar ontvangen facturen met omzetbelasting inclusief deze omzetbelasting betalen. Voor de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden is dit echter niet van belang.

15.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder geen berekening of onderbouwing heeft overgelegd van het vastgestelde tarief, is van belang dat geen rechtsregel verweerder daartoe verplicht. De gemeentelijke wetgever is vrij in het kiezen van de meest geschikte heffingsmaatstaf en de daaraan te koppelen tarieven. Volgens vaste jurisprudentie is de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf geoorloofd (vgl. Hoge Raad 15 mei 2009, nr. 07/13148, ECLI:NL:HR:2009:BD5477).

16.

Uit het voorgaande volgt dat op grond van de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het door verweerder verschafte inzicht in de geraamde baten en geraamde lasten met betrekking tot de rioolheffing waaruit blijkt dat de geraamde baten de geraamde lasten niet zullen overstijgen.

Afvalstoffenheffing

17.

Artikel 15.33 van de Wet milieubeheer luidt, voor zover van belang:

“1. De gemeenteraad kan ter bestrijding van de kosten die voor haar verbonden zijn aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan (…) verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

3.

Onder de in het eerste lid bedoelde kosten wordt mede verstaan de omzetbelasting die ingevolge de Wet op het BTW-compensatiefonds recht geeft op een bijdrage uit het fonds.

18.

De voorgedragen beroepsgronden nopen niet tot het oordeel dat uit de overgelegde begroting voor afvalverwijdering en verwerking (Product 721.0) en de tot de gedingstukken behorende bijlage 5 volgt dat de geraamde baten hoger zijn dan de geraamde lasten. Hiermee voldoet de afvalstoffenheffing in beginsel aan de opbrengstlimiet.

19.

Net als voor de rioolheffing heeft eiser zich voor de afvalstoffenheffing op het standpunt gesteld dat, nu in de productbegroting niet uitdrukkelijk is vermeld dat in de lasten de omzetbelasting niet ook al is begrepen, de omzetbelasting dubbel is opgevoerd. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 14. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de omzetbelasting maar één keer is opgevoerd.

20.

Voor de beoordeling van de overschrijding van de opbrengstlimiet moeten de ramingen voor verwerking van huishoudelijk afval en bedrijfsafval worden gescheiden. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu 100% van de kosten voor het ophalen van zwerfvuil en illegaal vuil (illegale stortingen) in de huishoudelijke afvalstoffenheffing is begrepen, er ten onrechte ook kosten voor verwerking van bedrijfsafval in de ramingen zijn betrokken. Verweerder heeft aangevoerd dat het bij het ophalen van zwerfvuil voornamelijk gaat om verpakkingsmateriaal (zoals blikjes en flesjes), sigarettenpeuken, kauwgomresten en gebruiksgoederen (zoals folders en tissues). Bij illegale dumping gaat het om grotere hoeveelheden afval. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten voor het ophalen van zwerfvuil zien op huishoudelijk afval. Voor illegaal vuil heeft verweerder dit niet aannemelijk gemaakt nu hij uitsluitend heeft aangevoerd dat het daarbij om grotere hoeveelheden afval gaat zonder aan te geven om wat voor afval het gaat. Gelet echter op het feit dat voor illegaal vuil € 45.871,83 aan kosten geraamd, verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de daarbij horende kosten voor het vegen van de wegen niet zijn geraamd en aannemelijk is dat het daarbij (voornamelijk) zal gaan om huishoudelijk afval, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de gemeente de lasten voor het ophalen van zwerfvuil en illegaal vuil niet in redelijkheid op dat bedrag heeft kunnen ramen (vgl. Hoge Raad 26 april 1989, nr. 25542, BNB 1989/242).

21.

Volgens eiser is voor de exploitatie van de milieustraat ten onrechte een post van € 484.000 geraamd als last ter zake van huishoudelijk afval omdat feitelijk sprake is van grof vuil. De rechtbank stelt voorop dat ook grof vuil huishoudelijk afval kan zijn. Verder heeft verweerder aangevoerd dat deze post ziet op het aanbieden van huishoudelijk grof afval, dat alleen particulieren dit vuil kunnen aanbieden en dat zij daarvoor gebruik moeten maken van een pasje. De rechtbank is van oordeel dat als gevolg hiervan niet gezegd kan worden dat verweerder de lasten voor de exploitatie van de milieustraat niet in redelijkheid op dit bedrag heeft kunnen ramen. Zeker nu verweerder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat er controle plaatsvindt op het gebruik van de pasjes waarmee eventueel misbruik opgespoord kan worden. Dat, zoals eiser heeft aangevoerd, er burgers zijn die geen gebruik maken van de milieustraat en dus geen afval aanbieden is niet relevant. De afvalstoffenheffing is een bestemmingsheffing en geen retributie.

22.

Met betrekking tot het standpunt van eiser dat er ten onrechte een post van € 80.000 in aanmerking is genomen voor de aanschaf van containers omdat deze meerdere jaren meegaan en om die reden geactiveerd moet worden, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft verklaard dat er een voorziening wordt gevormd waarmee nu al geld opzij wordt gelegd voor het iedere 12 jaar vervangen van containers. Dit is naar het oordeel van de rechtbank geoorloofd. Weliswaar worden hiermee lasten naar voren gehaald maar daar staat tegenover dat hiermee wordt voorkomen dat er in de toekomst extra financieringskosten moeten worden gemaakt.

23.

Onder kostenplaats [004] (Afvalstoffenheffing en inningen (baten)) is een bedrag van € 613.650 opgenomen voor gemeentelijke belastingen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het daarbij gaat om een belastingteruggaaf aan burgers, die is afgedekt uit een reserve. Hiermee heeft verweerder deze post voldoende toegelicht.

24.

Ook de op pagina 2 van de productbegroting opgenomen post van € 238.000 voor afvalverwijdering algemeen heeft verweerder voldoende toegelicht. Deze post is nader gespecificeerd in bijlage 5 en verweerder heeft verklaard dat het hierbij gaat om indirecte kosten, zoals communicatie en publicaties. Deze kosten hangen naar het oordeel van de rechtbank meer dan zijdelings samen met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen en zijn terecht als ‘last ter zake’ in aanmerking genomen.

25.

Eiser heeft, onder verwijzing naar pagina 2 van het productoverzicht afvalverwijdering en verwerking, erop gewezen dat voor het jaar 2013 een batig saldo is vermeld van € 590.000. Dit is het bedrag van de bestemmingsreserve na bestemming. Eiser leidt hieruit af dat hiermee de opbrengstlimiet is overschreden. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Een toevoeging aan een reserve geschiedt altijd in het kader van resultaatbestemming en wordt daardom niet als last gekwalificeerd. Deze resultaatbestemmingen kunnen geraamd worden. Onttrekkingen gaan ook via de resultaatbestemming en kunnen dus geen bate zijn. Het doen van een toevoeging dan wel van een onttrekking aan de bestemmingsreserve is evenmin een last of een bate, maar een vermogensmutatie (zie ook artikel 42 van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten).

26.

Verder heeft eiser nog gewezen op de volgende zinsnede onderaan pagina 2 van de productbegroting: ‘In 2013 wordt Diftar een feit, dit resulteert in een geheel nieuwe afvalbegroting’. Eiser leidt hieruit blijkbaar af dat er nog een andere begroting is opgemaakt dan de productbegroting die tot de gedingstukken behoort. Dit is niet juist. Uit de daaraan voorafgaande tekst van de productbegroting volgt dat er voor 2013 maar één productbegroting voor afvalverwijdering en verwerking is opgemaakt.

27.

Ten slotte vraagt eiser zich af waarop de aanvullende heffing voor het aantal keren dat de containers zijn geleegd is gebaseerd. In artikel 5 van de Verordening reinigingsheffingen 2013 is bepaald dat de maatstaven en de tarieven van de afvalstoffenheffing zijn opgenomen in de tarieventabel. In deze tarieventabel is vervolgens het jaarlijkse tarief voor de afvalstoffenheffing opgenomen. Tevens is hierin vermeld dat de belasting wordt vermeerderd met een bedrag voor, onder meer, het aantal keren dat de minicontainers zijn geleegd. Dit is dus de basis voor de aanvullende heffing.

28.

Uit het voorgaande volgt dat de opbrengstlimiet niet is overschreden en dat er een wettelijke grondslag is voor de heffing van afvalstoffenheffing voor het aantal keren dat de minicontainer is geleegd.

Conclusie

29.

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

30.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr.drs. L.B.M. Klein Tank en mr. A.M.F. Geerling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.P. Schutte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 augustus 2014

voorzitter

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.