Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5238

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
05/780009-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt man tot 24 maanden gevangenisstraf voor beroving, mishandeling en diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2015/5.6

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/780009-14

Data zittingen : 21 mei 2014 en 6 augustus 2014

Datum uitspraak : 20 augustus 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats],

thans gedetineerd in [verblijfplaats].

Raadsman : mr. P.T. Verweijen, advocaat te 's-Gravenhage.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 januari 2014 in de gemeente Arnhem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (merk Moncler) en/of een identiteitsbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer 1]

- heeft/hebben geduwd en/of

- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft/hebben geslagen/gestompt, en/of

- tegen de grond heeft/hebben gegooid, en/of

- bij de nek/hals heeft/hebben vastgepakt, en/of

- meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd heeft/hebben geschopt/getrapt en/of geslagen,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken oogkas en/of verminderd zicht) heeft opgelopen; (zaak 1)

2.

hij op of omstreeks 20 december 2013 te gemeente Arnhem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2], (met kracht) in het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; (zaak 3)

3.

hij op of omstreeks 29 juli 2013 in de gemeente Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (aan de Boterdijk geparkeerde) auto ([auto]) heeft weggenomen een navigatiesysteem, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)

onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming. (zaak 2)

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 6 augustus 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.T. Verweijen, advocaat te 's-Gravenhage.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd de heer [slachtoffer 1] (ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde) en mevrouw [slachtoffer 2] (ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde). Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] is ter terechtzitting verschenen gemachtigde mr. J.W. Schouten, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. G. Steeghs, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 30 januari 2014 is [slachtoffer 1] in de straat achter de Vrij Nederlandstraat te Arnhem op zijn gezicht geslagen. Daarbij zijn de jas van het merk Moncler en het identiteitsbewijs van [slachtoffer 1] weggenomen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Hij baseert dit op de aangifte, het ontstane letsel van aangever, de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4] en [getuige 5], de thumbnail van aangever met gezichtsletsel aangetroffen op de telefoon van verdachte en het aangetroffen DNA van aangever op de schoen van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft primair aangevoerd dat de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] ongeloofwaardig zijn en van bewijs moeten worden uitgesloten. Hiertoe heeft hij gewezen op diverse tegenstijdigheden in de verschillende verklaringen van [slachtoffer 1]. Op onderdelen van het verweer wordt, voor zover nodig, hieronder ingegaan.

Subsidiair heeft hij onderbouwd aangevoerd dat de bestanddelen ‘tezamen en in vereniging’, de geweldshandelingen ‘duwen, het op de grond gooien, het bij de nek/hals beetpakken en het meermalen in het gezicht of op het hoofd trappen’ en het ‘zwaar lichamelijk letsel’ niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en dat zijn cliënt hiervan partieel vrijgesproken dient te worden.

De beoordeling door de rechtbank

Door de verdediging is gesteld dat zowel diverse geweldshandelingen als de betrokkenheid van verdachte niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de diverse tenlastegelegde geweldshandelingen en daarna de betrokkenheid van verdachte bespreken.

Geweldshandelingen

Aangever heeft als volgt verklaard:

“(…) [medeverdachte] vroeg aan mij of ik even naar de straat achter de Vrij Nederlandstraat kwam. Dit was de straat achter de school bij het poortje. Dit betreft een fietstunneltje.(…)3 [medeverdachte] vertelde mij niet waarom ik moest komen. Ik zocht er niets achter. (…) Ik ben op mijn scooter, een witte Vespa, naar het tunneltje gereden. (…) Ik kwam aanrijden bij de tunnel en ik stond stil. Ik zag dat [medeverdachte] en een andere jongen kwam aanlopen vanaf de nieuwbouw. (…) Ik voelde plotseling dat ik een duw kreeg en kwam van de scooter af en voelde direct een klap op mijn gezicht. Hierna werd ik van achteren om mijn nek gepakt en werd door die jongen naar de grond getrokken. Hij had zijn hele arm om mijn nek en gooide mij tegen de grond. (…) Ik viel direct op de grond en zag en voelde dat ik door die jongen direct geschopt werd. Ik zag en voelde dat de jongen mij meerdere malen met kracht en opzettelijk op mijn hoofd en gezicht schopte met zijn voet. Ik voelde direct heel veel pijn. Ik hield mijn armen voor mijn gezicht om deze te beschermen. Ik had het idee dat dat maar iets effect had. De jongen richtte alleen maar op mijn hoofd en bleef door trappen. Ik raakte op een gegeven moment het bewustzijn kwijt. (…) Ik heb wel gehoord dat er gezegd werd “kom we gaan weg, hij belt politie”. Ik hoorde dit [medeverdachte] zeggen volgens mij. (…) Tijdens het moment dat ik op de grond lag heeft de jongen mijn jas bij mij uitgetrokken. (…) Toen [medeverdachte] en die jongen wegrende zag ik nog wel dat die jongen mijn jas in zijn handen had. Dit is een dure jas van ongeveer 300 euro van het merk Moncler. (…) Ik moest mee naar het ziekenhuis. Nu blijkt dat mijn oogkas gebroken is en dat mijn rechteroog daardoor naar beneden inzakt. (…) [medeverdachte] heeft tijdens de mishandeling mijn scooter vastgehouden en op de standaard gezet. Hij heeft die jongen een beetje weggeduwd, maar verder niets gedaan om het te stoppen. (…)” 4

De verklaring van aangever wordt bevestigd door de verklaring van getuige [getuige 1]. Hij heeft als volgt verklaard:

“(…) Ik zag dat er voor de fietstunnel iemand op de grond lag. Ik zag dat er iemand geknield naast de persoon zat, ook stond er iemand bij. Ik zag dat er ook een scooter bij stond. Ik fietste er langs op en zag dat de persoon die geknield zat met vuisten insloeg op het gezicht van de persoon die op de grond lag. Hij hield tevens de armen tegen van het slachtoffer, die zich zelf wilde verweren. Tien meter verder ben ik gestopt en ik belde direct 112. De jongen die stond hoorde ik zeggen: “Kom op, hij is aan het bellen”. Ik zag toen dat ze beiden wegrenden. Ze renden richting station Presikhaaf via de Amerstraat, ik heb daarna het slachtoffer opgevangen. (…) Ik zag dat het slachtoffer een bebloede neus had en er een oog was dichtgeslagen. (…)”5

De rechtbank heeft – anders dan door de verdediging aangevoerd – geen enkele reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever. De verklaring is gedetailleerd en wordt op essentiële en dragende punten bevestigd door de verklaring van getuige [getuige 1]. Voorts wordt het gebruik van fysiek geweld tegen aangever bevestigd door de in het dossier bevindende foto-afdrukken van aangever6 en de medische stukken waaruit volgt dat aangever een breuk aan het bot van de neusbijholte aan beide kanten, een gebroken oogkasbodem rechts en een gebroken botrand daar vlak tegenaan heeft opgelopen.7

De rechtbank heeft op grond van deze wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat [slachtoffer 1] is geduwd, op zijn gezicht geslagen en gestompt, op de grond gegooid, bij de nek/hals vastgepakt en tegen het hoofd getrapt en geschopt waardoor hij het bovenomschreven letsel heeft opgelopen. Daarbij zijn de jas van het merk Moncler en het identiteitsbewijs van [slachtoffer 1] weggenomen. Gezien de aard van het letsel – zijnde breuken aan de neusbijholte, een gebroken oogkasbodem en een breuk aan de botrand daar vlak tegenaan – kwalificeert de rechtbank dit opgelopen letsel als zwaar lichamelijk letsel. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er een dusdanig nauwe en bewuste samenwerking is geweest tussen de twee daders dat er sprake is van medeplegen. Aangever heeft verklaard dat hij is benaderd door één van de mannen met de vraag om naar het fietstunneltje te komen. Hij is dus naar het tunneltje gelokt. Vervolgens heeft hij twee mannen heeft ontmoet bij dit fietstunneltje, en is hij door één van deze twee mannen geslagen, geschopt, getrapt en geduwd terwijl de andere man erbij stond en niets deed om het te stoppen. Tevens zou deze laatste man waarschuwend hebben gezegd dat ze moesten gaan, omdat ‘hij (de rechtbank maakt hieruit op dat dit getuige [getuige 1] is geweest) de politie belde’, waarna ze beiden wegrenden in dezelfde richting. Deze rolverdeling wordt bevestigd door getuige [getuige 1].

Betrokkenheid verdachte

Verdachte heeft verklaard op 30 januari 2014 wel in de buurt te zijn geweest van de plaats delict, maar hij ontkent verder iedere betrokkenheid bij de diefstal met geweld. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de diefstal met geweld wel tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. De rechtbank betrekt hierbij de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever heeft de weggenomen jas aangekocht via Marktplaats en heeft hierbij de oorspronkelijk aankoop bon ontvangen. De jas bleek oorspronkelijk gekocht te zijn bij de winkel Oger te Amsterdam. De code van de jas (zijnde 54654-41384 (kleurcode: 923)) maakte de jas niet uniek, maar reduceerde het aantal gemaakte exemplaren tot enkele honderden.8 Naast deze algemene informatie zijn door de aangever specifieke kernmerken van de jas omschreven. Zo heeft hij verklaard dat op één van de schouders van de jas een draadje los zat, een veertje uit de stof stak en op de rug van de jas lichte beschadigingen te zien waren die eruit zagen alsof er met de achterkant van de jas langs een muur was geschaafd.9

Getuige [getuige 2] heeft op 30 januari tussen 19.30 en 19,45 uur twee jongens zien rennen in de buurt van de Lekstraat. Een van de jongens hield een grijze jas in zijn handen.10 Verdachte droeg bij zijn aanhouding op 9 februari 2014 een grijze jas van het merk Moncler. Deze jas is in beslag genomen11 en onderzocht op uniekheid. De specifieke kenmerken genoemd door aangever zijn door de verbalisant waargenomen.12 Daarbij heeft verdachte op 21 februari 2014 deze jas herkend als de zijne.13

Tevens zijn op 10 februari 2014, een dag na de aanhouding, de zwarte schoenen die verdachte droeg in beslag genomen.14 Deze schoenen zijn in een papieren zak verpakt en overgebracht naar de Forensische Opsporing in Elst.15 Samen met de jas, zijn de schoenen onderzocht op sporen en sporendragers door de forensische onderzoeker. Op de veter van de rechterschoen zat bloed. Dit bloed is veiliggesteld, gewaarmerkt (SIN AAGD8742NL) en ingezonden naar het NFI.16 Tevens is referentiemateriaal van [slachtoffer 1] ingezonden (nummer RABB7791NL).17

Het NFI heeft op de bemonstering van de veter rechterschoen met nummer AAGD8742NL een DNA-(meng)profiel van minimaal één persoon waarvan minimaal één man waarbij [slachtoffer 1] niet kon worden uitgesloten aangetroffen.18 Door aanvullende onderzoek is uit dit DNA-(meng)profiel een DNA-hoofdprofiel verkregen. Dit DNA-hoofdprofiel is vergeleken met het DNA-profiel van aangever [slachtoffer 1]. Het NFI heeft hierbij geconcludeerd dat de kans dat een willekeurig gekozen persoon juist dit DNA-profiel zou hebben, kleiner is dan 1 op 1 miljard.19

Tevens is de mobiele telefoon van verdachte (zijnde een IPhone 4 met Imei-nummer [nummer]) in beslag genomen en uitgelezen. Op deze telefoon werd een thumbnail foto (een verkleinde versie van de originele foto) aangetroffen. Deze foto is binnengekomen of verstuurd met behulp van de applicatie whatsapp. De verbalisant constateerde dat de persoon op deze foto ernstig letsel aan zijn oog had.20 De persoon op deze foto leek sterk op [slachtoffer 1]. Daarbij is met deze telefoon op 6 februari 2014 via google.nl gezocht op de woorden ‘beroving Arnhem’, ‘overval Arnhem Presikhaaf’ en gekeken naar ‘Arnhemmer (19) op straat mishandeld Arnhem, Presikhaaf West- Oozo.nl’.21 Desgevraagd heeft verdachte niet willen aangeven van wie hij deze foto heeft ontvangen en waarom en heeft hij niet meer gezegd dan dat hij die ontving omdat zijn naam rondging als dader van deze beroving.

Door de verdediging is aangevoerd dat niet met zekerheid gesteld kan worden dat de schoenen die onder verdachte in beslag zijn genomen, dezelfde schoenen zijn als waar onderzoek naar is gedaan. De officier van justitie heeft op vraag van de rechtbank ter terechtzitting toegelicht dat de schoenen door verbalisant [verbalisant] op 10 februari 2014 in beslag zijn genomen en door haar in een papieren zak verpakt. Vervolgens heeft zij deze papieren zak zelf afgeleverd bij de afdeling Forensische Opsporing in Elst. Pas bij binnenkomst is een SIN-nummer toegekend aan de papieren zak met daarin de betreffende schoenen.

Nu deze toelichting aansluit bij de feiten en omstandigheden die hierboven door de rechtbank zijn aangehaald, is de rechtbank van oordeel dat de in beslag genomen schoenen van verdachte dezelfde schoenen zijn als onderzocht door de afdeling Forensische Opsporing en zich bevonden in de papieren zak met nummer SIN AAGD8742NL. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

De verdediging heeft tevens aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het bloedspoor op een andere wijze en andere dag op de (veter van) de schoen van verdachte terecht is gekomen. Hij was namelijk die avond in de buurt van de plaats delict en kan zich herinneren door een plas te zijn gelopen. Deze verklaring van verdachte is niet aannemelijk geworden. Verdachte is pas ter terechtzitting van 6 augustus 2014 met deze verklaring gekomen, heeft geen feitelijke onderbouwing van dat alternatief naar voren gebracht en heeft op vragen van de officier van justitie met betrekking tot welke route hij heeft gelopen en op welke wijze dit bloed dan op zijn veter zou zijn terecht gekomen, niet een duidelijk antwoord gegeven. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Op grond van vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer 1] naar het fietstunnel heeft gelokt en deze [slachtoffer 1] daar heeft beroofd van zijn jas en identiteitsbewijs waarbij diverse geweldshandelingen zijn verricht waardoor [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 20 december 2013 liep mevrouw [slachtoffer 2] samen met haar zus [getuige 3] over de Roggestraat te Arnhem, richting supermarkt De Plus.22 Verdachte liep op hetzelfde moment in deze straat.23 Op enig moment is aangeefster door een man met een gebalde vuist tegen de rechterkant van haar gezicht gestompt. Ze voelde pijn en had die avond een rood en gezwollen linker jukbeen.24

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en dat zijn cliënt dan ook moet worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij werd uitgescholden door twee meiden en dat zij zijn kant op liepen. Een vriend van hem sprong tussen hen in. Verdachte ontkent gestompt te hebben.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte aangeefster wel in haar gezicht heeft gestompt. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende feiten en omstandigheden.

Aangeefster heeft verklaard dat zij hoorde dat een Marokkaanse man haar uitschold voor “hoer” en dat deze man even later riep “dit zijn twee euro hoeren”. Hierop vroeg zij deze man “wat zeg jij nou?”. De man ging vervolgens vlak voor haar staan, bijna met zijn neus tegen de hare en zei tegen haar “jouw kankermoeder, jouw kankerhoerenmoeder”.25 Zij heeft voorts verklaard de man later te hebben herkend als een man die haar vriendin [betrokkene 1] had bedreigd. Deze vriendin heeft haar verteld dat de naam van deze man [verdachte] (rechtbank: verdachte) is.26

Verbalisant heeft verdachte herkend op een foto die door aangeefster aan haar is getoond.27

De verklaring van aangeefster wordt bevestigd door de verklaringen van getuige [getuige 3]. Zij heeft verklaard dat een man tegen hen zei “hier heb je twee euro voor jullie hoertjes”28 en vervolgens zou deze man met de vuist tegen het oog van haar zus hebben geslagen. Ook zij heeft verklaard van [betrokkene 1] gehoord te hebben dat deze man [verdachte] (rechtbank: verdachte) heet.29

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden in samenhang met het onder de vaststaande feiten genoemde, wettig en overtuigend is bewezen.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] namens [benadeelde], p. 290 en 291;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 293;

- het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 294 en 295;

- het proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen, p. 296 en 297, met bijlagen p. 298 tot en met 302;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 augustus 2014.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op 30 januari 2014 in de gemeente Arnhem tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas merk Moncler en een identiteitsbewijs, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, of zijn mededader die [slachtoffer 1]

- heeft geduwd en

- in het gezicht, heeft geslagen/gestompt, en

- tegen de grond heeft gegooid, en

- bij de nek/hals heeft vastgepakt, en

- meermalen, in het gezicht en tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt,

ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken oogkas) heeft opgelopen; (zaak 1)

2.

hij op 20 december 2013 te gemeente Arnhem opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2], (met kracht) in het gezicht heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden; (zaak 3)

3.

hij op 29 juli 2013 in de gemeente Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de Boterdijk geparkeerde auto [auto] heeft weggenomen een navigatiesysteem, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de/het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak. (zaak 2)

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

‘Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd door twee of meer verenigde personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken’

Ten aanzien van feit 2

‘Mishandeling’

Ten aanzien van feit 3

‘Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’

De feiten zijn strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, en met voorwaarden overeenkomstig het recente reclasseringsrapport. Hiertoe heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van de feiten, de LOVS-oriëntatiepunten, het gegeven dat verdachte geen inzicht heeft gegeven in zijn handelen en het feit dat verdachte recentelijk voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen jas, verbeurd wordt verklaard en dat de inbeslaggenomen schaar wordt onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is verzocht om conform artikel 77c Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte was ten tijde van de tenlastegelegde feiten 21 jaar oud, is achtergebleven in zijn verstandelijke ontwikkeling en is structuurbehoeftig. Subsidiair is door de verdediging verzocht de hoogte van de geëiste gevangenisstraf te matigen.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 7 juli 2014;

- een voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, adviesunit 1 Oost, d.d. 11 februari 2014 respectievelijk 15 mei 2014, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een gewelddadige beroving. Samen met een ander heeft hij het slachtoffer naar een fietstunnel gelokt en daar heeft hij het slachtoffer meermalen in zijn gezicht geslagen, geschopt en getrapt. Pas om het moment dat een voor hen onbekende voorbijganger stopte en de politie alarmeerde, werden de geweldshandelingen gestopt. Het slachtoffer heeft hierdoor diverse breuken in zijn gezicht opgelopen. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een mishandeling en een diefstal van een navigatiesysteem uit een auto. De mishandeling vond plaats op straat. Verdachte heeft, nadat enkele woorden over en weer waren geuit, een vrouw in haar gezicht gestompt. Ter terechtzitting heeft verdachte geen berouw getoond of spijt betuigd.

Slachtoffers van een dergelijke berovingen hebben vaak nog lange tijd last van de psychische gevolgen. Daarbij roept dit soort misdrijven gevoelen van onrust en onveiligheid in de maatschappij op. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

Door de verdediging is verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen conform artikel 77c Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De mogelijkheid tot toepassing van het jeugdsanctiestrafrecht is met ingang van 1 april 2014 verruimd, waardoor het adolescentenstrafrecht zal gelden voor jongvolwassenen die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt. Dit geldt aldus voor strafbare feiten gepleegd op en ná 1 april 2014. Volgens vaste jurisprudentie dient echter bij strafbare feiten gepleegd vóór 1 april 2014 eveneens de toepassing van het jeugdstrafrecht getoetst te worden indien het jeugdstrafrecht voor de verdachte als gunstiger strafregime is aan te merken. In dit geval geldt – gelet op de strafmaat, het pedagogische doel en de diversiteit aan maatregelen die ingezet kunnen worden conform het jeugdstrafrecht – de toepassing van jeugdstrafrecht inderdaad als gunstiger regiem. De toepassing van het jeugdstrafrecht dient derhalve onderzocht te worden.

Verdachte heeft zowel tegenover de politie als ter terechtzitting elke betrokkenheid bij de diefstal met geweld en de mishandeling ontkend, terwijl er voldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn, waaruit blijkt dat verdachte de feiten heeft gepleegd. Gezien de wijze waarop de beroving is gepleegd, het forse geweld dat daarbij door verdachte is toepast en zijn houding ten aanzien van al de bewezen verklaarde delicten, is de rechtbank van oordeel dat verdachte berekenend te werk gaat. Dat verdachte zou zijn achtergebleven in zijn verstandelijke ontwikkeling is onderbouwd noch aannemelijk geworden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het adolescentenstrafrecht toe te passen en zal het meerderjarigen-strafrecht toepassen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het hiervoor overwogene een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank zal – anders dan door de officier van justitie geëist – geen voorwaardelijk strafdeel opleggen. Verdachte heeft de rechtbank niet kunnen overtuigen dat hij daadwerkelijke gemotiveerd is om een ambulante behandeling te volgen.

Beslag

De rechtbank is met betrekking tot de in beslag genomen jas van het merk Moncler van oordeel dat dit een voorwerp betreft dat door het begaan van feit 1 is verkregen. De raadsman van [slachtoffer 1] heeft ter zitting verklaard dat hij die jas niet terug wil hebben. De rechtbank zal de jas om die reden verbeurd verklaren. Ten aanzien van de nog niet terug gegeven schaar is de rechtbank van oordeel dat dit een voorwerp betreft waarmee feit 3 is begaan. De rechtbank zal de schaar verbeurd verklaren.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2]

Op 16 april 2014 is een schriftelijke vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] bij de rechtbank binnengekomen. Door de benadeelde partij is echter geen bedrag gekoppeld aan de gevolgen die door haar onder punt 4a zijn omschreven. Nu het te vorderen schadebedrag ontbreekt, zal de rechtbank de behandeling van deze vordering buiten beschouwing laten.

De benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1], bijgestaan door raadsman mr. J. Schouten, heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde. Schriftelijk is een bedrag van € 2.000,- aan immateriële schade en € 758,- aan materiele schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gevorderd. Het te vorderen bedrag ten aanzien van de materiele schade is ter terechtzitting d.d. 6 augustus 2014 bijgesteld tot € 390,- nu de benadeelde partij niet een bedrag van € 668,-, maar een bedrag van € 300,- voor de jas heeft betaald.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing tot het bedrag van € 2.390,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu verdachte zou moeten worden vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde danwel de materiele posten onvoldoende zijn onderbouwd nu aankoopbonnen ontbreken. Ook de immateriële schade zou onvoldoende zijn onderbouwd, omdat het causale verband tussen de angsten en het gebeuren ontbreekt. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat een bedrag ten bedrage van € 1.000,- aan immateriële schade voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de ter terechtzitting aangepaste vordering van [slachtoffer 1] ten aanzien van de door hem gevorderde materiële schade toewijzen. Het tenlastegelegde feit is bewezen verklaard en de rechtbank acht de gevorderde bedragen voor de broek en het vest allerzins redelijk en voldoende onderbouwd.

Ten aanzien van het door [slachtoffer 1] gevorderde immateriële bedrag overweegt de rechtbank het volgende. Aan [slachtoffer 1] is door het onder feit één bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Hij heeft angst gevoelens overgehouden aan de roofoverval en ondervindt nog pijn aan zijn gezicht in verband met de breuken aan oogkas, neus en kaak. Dit is aan verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Naar maatstaven van billijkheid wordt deze schade begroot op een bedrag van € 1.500,-.

Voorts zal de rechtbank de gevorderde rente toewijzen per 30 januari 2014. Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan [slachtoffer 1], zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 27, 33, 33a, 36f, 57, 300, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een jas van het merk Moncler en een schaar.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe.

- Veroordeelt de veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeverdachte betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 1] zal zijn gekweten - tegen kwijting aan [slachtoffer 1], te betalen € 2.393,50 (tweeduizenddriehonderddrieënnegentig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

  • -

    Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

  • -

    Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Maatregel van schadevergoeding

- Legt op aan veroordeelde - met dien verstande dat indien en voorzover medeverdachte betaalt ook veroordeelde daardoor tegenover [slachtoffer 1] zal zijn gekweten - de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen

€ 2.393,50 (tweeduizenddriehonderddrieënnegentig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van de hoofdsom te vervangen door hechtenis voor de duur van 33 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt daarbij dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere betalingsverplichting doet vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. L.C.P Goossen (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en Y. van Wezel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Ruessink, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 augustus 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Midden, districtsrecherche Straatroofteam, opgemaakte proces-verbaal, BVH nummers 2014011936, 2013080479 en 2013135941, gesloten op 8 juli 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 32 een na laatste en laatste zin en p. 33, 10e, 26ste en 27ste zin en de bijlage weggenomen goederen, p. 35.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 32.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], p. 33.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], p. 94.

6 De foto-afdrukken, p. 60 tot en met 68.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 84, 6e alinea.

8 Het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot Moncler jas, p. 165.

9 Het proces verbaal van bevindingen Moncler jas, p. 166, vierde alinea.

10 Het proces verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], p. 100.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 162.

12 Het proces-verbaal van bevindingen Moncler jas, p. 166, vijfde tot en met achtste alinea.

13 Het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1], p. 38 en tweede alinea,

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte p. 237, tweede alinea.

15 Het proces-verbaal bevindingen ibn schoenen en broek, p. 141.

16 Het proces-verbaal sporenonderzoek, p. 143, vierde alinea.

17 Proces-verbaal van aanwezigheid opsporingsambtenaar bij afname celmateriaal ter bepaling dna-profiel, p. 129 en 160.

18 NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van een straatroof gepleegd in Arnhem op 30 januari 2014, d.d. 30 april 2014.

19 Aanvullend DNA-onderzoek naar aanleiding van een straatroof gepleegd in Arnhem op 30 januari 2014, p. 145.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 208, derde tot en met vijfde alinea.

21 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 208, zesde alinea.

22 Het proces-verbaal van aangifte, p. 303, eerste drie zinnen.

23 De verklaring van verdachte afgelegd d.d. 6 augustus 2014.

24 Het proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer 2], p. 304, eerste vier zinnen.

25 Het proces-verbaal van aangifte, p. 303, 11e tot en met 20ste zin.

26 Het proces-verbaal van aangifte, p. 304, vierde alinea.

27 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 308.

28 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], p. 313, eerste alinea.

29 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], p. 313, tweede en vierde alinea.