Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5210

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-07-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
C/05/265827 KZ RK 14/272
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van de rechter af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingsnummer: C/05/265827 KZ RK 14/272

Beslissing van 21 juli 2014 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[naam BV],

gevestigd te [plaats],

hierna te noemen: verzoekster,

advocaat: mr. L.J. Steenbergen, te Epe,

strekkende tot wraking van:

mr. E. Boerwinkel,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Verzoekster is partij in een civiele procedure (zaaknummer C06/126448 HAZA 11-933) tussen haar en de [naam A] (hierna: [naam A]). In deze procedure, die sinds 2009 aanhangig is, heeft de rechter op 29 augustus 2012 en op 2 april 2012 tussenvonnissen gewezen.

1.2.

Op 15 mei 2014 heeft de rechter een enquête bepaald op 23 juni 2014 en [naam A] verzocht om namen van de getuigen aan de griffie en aan verzoekster door te geven. Op verzoek van [naam A] van 16 mei 2014 om een andere datum te bepalen heeft de rechter de enquête vervolgens bepaald op 18 juni 2014. Bij brief van 3 juni 2014 heeft de advocaat van [naam A] drie namen van getuigen aan de rechtbank doorgegeven en voorgesteld dat twee getuigen op 18 juni 2014 worden gehoord en verzocht om het verhoor van één getuige, gelet op de tijd die het verhoor van deze getuige zal vergen, op een andere datum te plannen. Op 4 juni 2014 is partijen telefonisch medegedeeld dat op 18 juni 2014 twee getuigen zullen worden gehoord en één getuige op een andere datum.

1.3.

Bij brief van 16 juni 2014, bij de rechtbank ingekomen op 17 juni 2014, heeft verzoekster de rechter gewraakt.

1.4.

De rechter heeft niet in de wraking berust. Door de rechter is een verweerschrift, gedateerd 26 juni 2014, ingediend.

1.5.

Het wrakingsverzoek is door de wrakingskamer behandeld op de zitting van 7 juli 2014. Verzoekster en de rechter zijn bij de behandeling verschenen. Daarnaast is de rolrechter, mr. D. Vergunst (hierna: de rolrechter) verschenen die betrokken was bij de planning van het getuigenverhoor op 18 juni 2014. Na sluiting van de behandeling is medegedeeld dat de wrakingskamer binnen twee weken uitspraak zal doen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoekster heeft – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd.

2.2.

De concrete aanleiding voor het indienen van het wrakingsverzoek betreft twee gronden die samenhangen met de planning van het getuigenverhoor op 18 juni 2014.

Verzoekster stelt dat [naam A] bij brief van 3 juni 2014, nadat de zitting van 18 juni 2014 was gepland, de rechter heeft verzocht om op de zitting niet drie maar twee getuigen te horen en op een later tijdstip de derde. De rechter heeft met dat verzoek ingestemd, terwijl verzoekster zich in aktes expliciet had beklaagd over het feit dat [naam A] het procesverloop telkens wenst te veranderen. In het licht van die aktes vindt verzoekster het ten eerste onbegrijpelijk dat de rechter met het verzoek heeft ingestemd. Zij stelt dat [naam A] met deze wijziging slechts heeft willen bewerkstelligen dat het getuigenverhoor zou worden uitgesteld totdat een door verzoekster ingebracht rapport door zijn accountant zou zijn gecontroleerd en dat daardoor haar bewijspositie negatief wordt beïnvloed.

Ten tweede klaagt verzoekster over het feit dat zij niet door de rechter is gehoord op het verzoek van [naam A].

2.3.

[verzoekster] voert daarnaast nog twee gronden voor haar wrakingsverzoek aan die samenhangen met eerdere gebeurtenissen.

Een van die gronden is gelegen in de omstandigheid dat in het tussenvonnis van 29 augustus 2012 aan [naam A] de opdracht was gegeven om aan te tonen dat (samengevat) verzoekster voor bepaalde “extra” varkens vindersloon moest betalen. Daaruit heeft verzoekster afgeleid dat de bewijslast bij [naam A] lag en dat openlegging van de administratie door verzoekster niet aan de orde was. Tijdens een zitting op 22 november 2012 liet de rechter, na aandringen van [naam A], evenwel doorschemeren dat zijn voornemens was om verzoekster alsnog te verplichten haar administratie open te laten leggen, terwijl [naam A] nog niet eens met een begin van bewijs was gekomen over eerdergenoemde vergoeding en verzoekster bezwaren had geuit tegen oplegging van haar administratie.

De andere grond heeft te maken met verschillende beslissingen van de rechter in het tussenvonnis van 2 april 2014. Verzoekster stelt dat dit vonnis op een aantal punten onbegrijpelijk is en op een aantal punten onvolledig.

2.4.

Op grond van het vorenstaande – met name de opeenstapeling van de vier gronden – stelt verzoekster dat de rechter jegens haar vooringenomen is danwel de schijn daartoe heeft gewekt.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft het wrakingsverzoek gemotiveerd weersproken.

Over de gang van zaken rond de planning van het getuigenverhoor op 18 juni 2014 heeft zij gesteld dat in overleg met de rolrechter is besloten om het verhoor van de derde getuige op een nader te bepalen datum te laten plaatsvinden omdat het verhoor van die derde getuige volgens [naam A] meer tijd zou kosten dan de op dat moment voor het verhoor uitgetrokken tijd en dat verlenging van het verhoor op 18 juni 2014 om agenda-technische redenen niet mogelijk was. De rechter stelt dat het voordragen van getuigen en het plannen van de volgorde van de verhoren in de regel wordt overgelaten aan de voorbrengende partij en de rechtbank zich daarbij lijdelijk opstelt, tenzij een en ander in strijd dreigt te komen met de goede procesorde. Omdat aan de wederpartij – verhinderdata daargelaten – geen inspraak toekomt, heeft de rolrechter niet naar de mening van verzoekster gevraagd. Het gaat om logistieke beslissingen van de rolrechter, zo mogelijk na overleg met de zaaksrechter. Van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake, laat staan dat aanleiding bestaat aan haar onpartijdigheid te twijfelen, aldus de rechter.

3.2.

Over de wrakingsgronden die gelegen zijn in het handelen van de rechter op 22 november 2012 en in het tussenvonnis van 2 april 2014 stelt de rechter zich primair op het standpunt dat deze gronden tardief zijn en verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek. De rechter stelt bovendien dat het opsparen van wrakingsgronden niet is toegestaan volgens vaste jurisprudentie.

3.3.

Inhoudelijk heeft de rechter over de bewijsopdracht onder meer gesteld dat het onjuist is dat in het tussenvonnis van 29 augustus 2012 is beslist dat openlegging van de administratie door verzoekster niet aan de orde was en dat niet valt in te zien waarom met het bespreken van eventuele openlegging van de administratie tijdens de zitting van 22 november 2012 in tegenspraak is met de eerdere bewijsopdracht aan [naam A], laat staan dat daaruit zou volgen dat getwijfeld moet worden aan haar onpartijdigheid.

Over het tussenvonnis van 2 april 2014 heeft de rechter gemotiveerd betwist dat dit vonnis onvolledig en/of onbegrijpelijk zou zijn.

4 De beoordeling door de rechtbank

4.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Beoordeeld moet worden of de door verzoekster aangevoerde gronden dergelijke uitzonderlijke omstandigheden opleveren.

4.3.

Verzoekster heeft in haar wrakingsverzoek en tijdens de wrakingszitting aangegeven dat het wrakingsverzoek het gevolg is van een opeenstapeling van feiten die zich voordeden tijdens de procedure en dat de gang van zaken rond de planning van het getuigenverhoor in juni 2014 “de druppel was die de emmer deed overlopen”. Omdat de gang van zaken rond de planning van het getuigenverhoor de concrete aanleiding is geweest voor het indienen van het wrakingsverzoek, zal de wrakingskamer de twee daarmee verband houdende wrakingsgronden eerst beoordelen.

4.4.

Voorop gesteld wordt dat de rechter in beginsel een lijdelijke rol heeft bij de planning en de gang van zaken rond een getuigenverhoor, tenzij de goede procesorde eist dat de rechter ingrijpt, zo is ook af te leiden uit artikel 166, eerste lid, Rv.

In de tussen partijen aanhangige civiele procedure heeft de rechter in het vonnis van 2 april 2014 overwogen dat de fase van bewijslevering nog niet is afgesloten en dat, nu [naam A] heeft meegedeeld dat hij nadere getuigen wil doen horen, de zaak naar de rol zal worden verwezen voor uitlating door [naam A] over de te horen getuigen met opgave van verhinderdata. De beslissingen betreffende de planning van het getuigenverhoor hebben derhalve plaats gevonden op verzoek van [naam A] en het was dan ook aan [naam A] om aan te geven in welke volgorde de getuigen zouden worden gehoord.

4.5.

Gelet op hetgeen door verzoekster, de rechter en de rolrechter is gesteld, wordt uitgegaan van de volgende gang van zaken rond de planning van het getuigenverhoor. [naam A] heeft, nadat beslist was dat het verhoor op 18 juni 2014 van 10:00 uur tot 13:00 uur zou plaatsvinden, op 3 juni 2014 verzocht om, in plaats van de aangekondigde drie getuigen, maar twee getuigen op 18 juni 2014 te horen omdat hij voorzag dat het verhoor van één van die twee getuigen langer zou gaan duren dan de standaard uitgetrokken tijd van een uur. [naam A] heeft verzocht om de derde getuige – de accountant van verzoekster – op een nader te bepalen datum te horen. De griffie heeft vervolgens in overleg met de rolrechter onderzocht of het getuigenverhoor in de middag van 18 juni 2014 zou kunnen worden voortgezet. Dat bleek agenda-technisch echter niet mogelijk, waarna in overleg met de rolrechter is besloten dat het verhoor van de derde getuige op een nader te bepalen dag zou worden gepland.

4.6.

Uitgaande van deze gang van zaken kan de beslissing om het verhoor van de derde getuige op een nader te bepalen dag te plannen naar het oordeel van de wrakingskamer niet tot de conclusie leiden dat sprake is van vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster of dat de bij verzoekster daartoe bestaande vrees – objectief – gerechtvaardigd is. De beslissing tot aanhouding is immers genomen om louter logistieke redenen, zonder dat de rechter op de hoogte was van de bezwaren van verzoekster omdat – zoals gebruikelijk – geen kennis is genomen van de aktes. Dat verzoekster niet is gehoord alvorens de beslissing tot aanhouding van het getuigenverhoor werd genomen, maakt dat niet anders. Nu het ging om een zuiver logistieke rolbeslissing tot aanhouding van het verhoor tot een nader te bepalen datum, was het standpunt van verzoekster niet relevant en kon het horen van haar achterwege blijven.

4.7.

Het oordeel van de wrakingskamer dat de twee wrakingsgronden met betrekking tot de gang van zaken rond de planning van het getuigenverhoor niet kunnen leiden tot gegrondheid van het verzoek, leidt ertoe dat het wrakingsverzoek in zijn geheel dient te worden afgewezen. Verzoekster heeft aangegeven dat de opeenstapeling van – op zichzelf beschouwd – kleine beslissingen bij elkaar opgeteld de schijn wekken dat er sprake is van partijdigheid.

De wrakingskamer overweegt dat het denkbaar is dat een groot aantal kleine, op zichzelf voor wraking onvoldoende feiten of omstandigheden dusdanig opstapelen, dat zij in hun geheel wel van voldoende gewicht zijn voor een gefundeerd wrakingsverzoek.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, Rv dient het verzoek tot wraking te worden gedaan zodra aan de verzoeker feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die aanleiding geven tot het verzoek. Dit brengt met zich dat niet gedraald mag worden met het indienen van een wrakingsverzoek, maar dat het verzoek zo spoedig mogelijk na het bekend worden van de relevante feiten moet worden gedaan.

4.8.

De overige twee wrakingsgronden – die niet zien op de planning van het getuigenverhoor – hebben betrekking op eerdere gebeurtenissen, te weten gebeurtenissen tijdens de zitting op 22 november 2012 en beslissingen in het vonnis van 2 april 2014. Voor zover deze gronden niet louter als steungronden zijn aan te merken maar (mede) bedoeld zijn als zelfstandige wrakingsgronden, overweegt de wrakingskamer dat nu het wrakingsverzoek op 17 juni 2014 bij de rechtbank is ingekomen en niet valt in te zien waarom verzoekster haar wrakingsverzoek op deze gronden niet eerder had kunnen indienen, niet is voldaan aan het in artikel 37, eerste lid, Rv bepaalde dat het verzoek tot wraking dient te worden gedaan zodra aan de verzoekster feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die daartoe aanleiding geven. Voor zover verzoekster zich thans op deze gronden (als zelfstandige wrakingsgronden) beroept, dient zij dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar wrakingsverzoek

4.8.

De constatering dat de twee gronden met betrekking tot de planning van het getuigenverhoor niet tot een geslaagde wraking kunnen leiden, waardoor van opeenstapeling van gronden geen sprake meer is en de niet-ontvankelijkheid van verzoekster in haar wrakingsverzoek voor zover dat op de twee overige gronden is gebaseerd, leidt tot het oordeel dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. De wrakingskamer beslist derhalve als volgt.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot wraking van de rechter voor zover het wrakingsverzoek betrekking heeft op de planning van het getuigenverhoor van 18 juni 2014;

- verklaart verzoekster overigens niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de rechter;

- bepaalt dat de procedure, bij de rechtbank bekend onder kenmerk C06/126448 HAZA 11-933, zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend.

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek, voorzitter, W.L.F. Prisse en P.F.A. Bierbooms, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. van Oostveen-Out, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2014.

Griffier Voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.