Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5196

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-06-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
3117223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bij verstek is de vordering van de verhuurder tot ontbinding en ontruiming van de woonruimte van huurder toegewezen. Huurder vordert thans in kort geding primair schorsing, en subsidiair staking, van de aangekondigde executie van het tussen partijen gewezen vonnis tot in verzet definitief is beslist over het vonnis.

De kantonrechter verklaart zich bevoegd kennis te nemen van het executiegeschil en wijst het primair gevorderde toe, nu na het verstekvonnis is gebleken van omstandigheden die meebrengen dat tenuitvoerlegging van dat vonnis een noodtoestand zal doen ontstaan aan de zijde van huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2014/82

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 3117223 \ VV EXPL 14-138 \ 395

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

[huurder]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. A. van Oosten

toevoeging aangevraagd

tegen

de stichting Stichting Vivare

gevestigd te Duiven

gedaagde partij

gemachtigde De Klerk & Vis Gerechtsdeurwaarders

Partijen worden hierna [huurder] en Vivare genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 2 juni 2014 met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 4 juni 2014 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van [huurder] en de gemachtigde van Vivare.

2 De feiten

2.1.

[huurder] huurt per 4 juli 2013 van Vivare de woning gelegen aan de [adres] (hierna: de woning).

2.2

In de dagvaarding van 24 maart 2014 heeft Vivare gevorderd de ontbinding van de huurovereenkomst betreffende de woning, de ontruiming van de woning, de betaling van de huurachterstand tot en met 31 maart 2014 van € 2.315,40, € 578,85 per maand vanaf april 2014 tot aan de ontruiming en € 210,13 aan buitengerechtelijke kosten. Vivare heeft

daarnaast betaling van rente en proceskosten gevorderd. De vordering in die dagvaarding is

gebaseerd op de huurachterstand voornoemd bij een maandverplichting van € 509,17.

2.3.

Bij verstekvonnis van 2 april 2014 (zaaknummer 2923029 CV EXPL 14-5737) heeft de kantonrechter te Arnhem de vordering overeenkomstig de dagvaarding toegewezen. [huurder] is voornemens om tegen dat vonnis verzet in te stellen.

2.4.

[huurder] heeft aanvragen ingediend voor beschermingsbewind (waarbij de beoogd bewindvoerder is de heer [naam bewindvoerder]), een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB), voor schuldregeling en op grond van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP).

2.5.

Vivare heeft de ontruiming aangezegd tegen 11 juni 2014.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[huurder] vordert primair schorsing van de door Vivare aangekondigde executie van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 2 april 2014, voor zover [huurder] is veroordeeld om de woning te ontruimen en verlaten, althans de machtiging daartoe aan Vivare, totdat in verzet definitief is beslist over dit vonnis.

Subsidiair vordert [huurder] Vivare te veroordelen tot staking van de executie onmiddellijk na de uitspraak, dan wel onmiddellijk na de betekening van het vonnis aan Vivare, totdat in verzet is beslist over het vonnis, op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,00 per dag of dagdeel dat Vivare daaraan geen gevolg geeft, althans een zodanige voorziening te treffen als de kantonrechter in goede justitie zal bepalen.

Meer subsidiair is gevorderd de tenuitvoerlegging van het vonnis van de kantonrechter Arnhem van 2 april 2014 op te schorten in de zin van artikel 287b Faillissementswet.

3.2.

[huurder] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het doorzetten van de executie van het vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 2 april 2014 in de gegeven omstandigheden onrechtmatig is, nu daarmee aan de zijde van [huurder] een noodtoestand ontstaat terwijl Vivare geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij doorzetting van de executie.

3.3.

Vivare voert verweer waarop hierna, waar nodig, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter stelt voorop dat het geschil valt aan te merken als executiegeschil. Op grond van het bepaalde in artikel 438 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een dergelijk geschil ook in kort geding worden gevoerd voor “de voorzieningenrechter van de volgens het eerste lid (van artikel 438 Rv, de kantonrechter) bevoegde rechtbank”. Dat is in dit geval de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem. De vraag ligt voor of ook de kantonrechter van deze rechtbank bevoegd kan zijn. Ingevolge artikel 254 lid 4 Rv is in zaken die ten gronde door de kantonrechter worden behandeld ook deze (kanton)rechter bevoegd om een voorlopige voorziening te geven. In het onderhavige geval gaat het om een zaak betreffende een huurovereenkomst. Een dergelijke zaak wordt op grond van artikel 93 onder c Rv ten gronde behandeld door de kantonrechter. Uit het samenstel van de artikel 438 lid 2 en 254 lid 4 Rv leidt de kantonrechter af dat de kantonrechter bevoegd is

in voorliggend executiegeschil een voorlopige voorziening te treffen.1 Bij dit oordeel is mede betrokken de omstandigheid dat de kantonrechter (ook) bevoegd zou zijn indien onderhavige voorlopige voorziening in het kader van de bodemprocedure op grond van artikel 223 Rv zou worden gevorderd.

4.2.

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.3.

Vivare heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de dagvaarding nietig is omdat – voor zover de rechtbank toestemming heeft verleend voor een kortere termijn van dagvaarden dan artikel 114 Rv voorschrijft – het hoofd van het exploit daarvan geen melding maakt. [huurder] heeft verzocht dit verweer te verwerpen omdat de toestemming van de rechtbank is meebetekend en Vivare niet in haar belangen is geschaad als dat niet het geval zou zijn.

Wat er ook zij van een eventuele meebetekening van de toestemming van de rechtbank, de kantonrechter heeft geconstateerd dat de rechtbank op 2 juni 2014 op grond van artikel 117 Rv toestemming heeft gegeven voor het hanteren van een kortere dagvaardingstermijn, onder de voorwaarde dat Vivare uiterlijk 2 juni 2014 te 18.00 uur zou zijn gedagvaard. Vivare is vervolgens ter zitting verschenen. Gesteld noch gebleken is dat Vivare in haar belangen is geschaad door het enkele door [huurder] niet in de kop vermelden van het gegeven dat de rechtbank toestemming heeft verleend voor het op kortere termijn dagvaarden van Vivare. De kantonrechter passeert het verweer van Vivare dan ook op grond van artikel 122 Rv.2

4.4.

In een executiegeschil met betrekking tot een niet onherroepelijk maar wel uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis kan schorsing van de tenuitvoerlegging van dat vonnis slechts worden bevolen, indien sprake is misbruik van de executiebevoegdheid. Misbruik kan volgens vaste rechtspraak aan de orde zijn als de executant, mede gelet op de belangen van de geëxecuteerde die zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van het hoger beroep of, zoals in dit geval, het nog in te stellen verzet, tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de ontruiming op grond van de na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.3

4.5.

In deze zaak is gesteld noch gebleken dat het verstekvonnis berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag. Niet weersproken is dat ten tijde van de uitspraak sprake was van een huurachterstand van vier maanden. Een dergelijke huurachterstand rechtvaardigt in beginsel de uitgesproken ontbinding en ontruiming.

De kantonrechter is echter van oordeel dat na het vonnis van de kantonrechter van 2 april 2014 is gebleken van omstandigheden die meebrengen dat tenuitvoerlegging van dat vonnis een noodtoestand zal doen ontstaan aan de zijde van [huurder]. [huurder] zal dakloos worden terwijl hij in een situatie verkeert waarin dit, gelet op zijn financiële situatie, mogelijkerwijs niet nodig is. Ter zitting is gebleken dat de huurachterstand is ontstaan omdat [huurder] heeft verzuimd de uitkeringen waarop hij recht had aan te vragen, zodat zijn inkomen ontoereikend was. Aannemelijk is dat de beoogd bewindvoerder de inkomstenbronnen van [huurder] binnen afzienbare tijd zal kunnen stabiliseren waarna hij aan zijn verplichting jegens Vivare kan voldoen. Ter zitting is verder gebleken dat

[huurder] niet beschikt over reële alternatieven voor huisvesting. Onder deze omstandigheden is het gevolg van de ontruiming van de woning dat [huurder] verder

zal afglijden, terwijl aannemelijk is dat hij zijn financiën binnen aanvaardbare periode op orde zal krijgen. Bij deze stand van zaken is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de executie van het vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 2 april 2014 voor een periode van drie maanden geschorst dient te worden, zodat [huurder] de gelegenheid heeft om zijn financiën op orde te brengen en Vivare een reëel voorstel kan doen voor het inlopen van de huurachterstand, waarna Vivare zal moeten bezien of zij met dat voorstel akkoord kan gaan. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat in ieder geval de lopende huurtermijnen voortaan stipt worden voldaan.

4.6.

Nu de vordering van [huurder] op grond van het primair gevorderde zal worden toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan bespreking van de andere grondslagen van de vordering.

toe voor een periode van drie maanden vanaf de datum van vonnis,

4.7.

Vivare wordt in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering tot schorsing van de executie van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Arnhem van 2 april 2014 voor zover [huurder] is veroordeeld om de woning te ontruimen en verlaten, toe voor een periode van drie maanden vanaf de datum van vonnis en bepaalt daarbij dat de schorsing vervalt indien [huurder] een van de lopende termijnen niet stipt betaalt;

5.2.

veroordeelt Vivare in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [huurder] begroot op € 93,80 aan dagvaardingskosten, € 77,00 aan griffierecht en € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

5.2.1.

bepaalt dat Vivare van het totaalbedrag aan proceskosten het door [huurder] betaalde griffierecht van € 77,00 en het salaris voor de gemachtigde van € 400,00 moet betalen aan de gemachtigde van [huurder] en de explootkosten van € 93,80 aan de griffier van de rechtbank te Arnhem, waarvoor een nota wordt toegestuurd;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J. Blaisse en in het openbaar uitgesproken op

1 Zie ook rechtbank Arnhem 6 oktober 2004, LJN AV7665, JBPr 2004, 79 m.nt. prof. mr. A.I.M. van Mierlo en mr. L.P. Broekveldt, GS Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 438, aantekening 1.

2 Zie ook HR29 april 1994, NJ 1995/269 en HR 16 februari 2007, NJ 2007/118.

3 HR 22 april 1983, NJ 1984, 145.