Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:5182

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
14_154
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning aangevraagde Wmo-voorzieningen.

Voldoende ruimte voor een tillift, indien wordt uitgegaan van een slaapkamer met een eenpersoonsbed. De rechtbank is van oordeel dat het faciliteren van een lat-relatie – eiser heeft een tweepersoonsbed op zijn slaapkamer – niet onder de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo valt.

Eisers stelling dat het rijden met de handbike bij slecht weer niet mogelijk is kan de rechtbank niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de compensatieplicht van verweerder weliswaar met zich dat eiser ook bij minder gunstige weersomstandigheden van de voorziening gebruik moet kunnen maken, echter de rechtbank acht het niet aannemelijk dat dit niet mogelijk zou zijn indien eiser gebruik maakt van gebruikelijke hulpmiddelen zoals tegen weer en wind beschermende kleding en/of een schootskleed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/154

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2013 en 15 augustus 2013 heeft verweerder de aanvragen van eiser voor een smartdrive, traplift en plafondlift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2014. Eiser is verschenen, vergezeld door zijn partner[naam partner]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I. van der Wolf en K. Burgers.

Overwegingen

1.De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft ten gevolge van een val een aandoening van het zenuwstelsel. Hij heeft een dwarslaesie met complicaties. Er zijn spasmen in de benen en er is urologische problematiek.

Hij is in 2009 verhuisd van [woonplaats] naar [woonplaats]. Hij is gescheiden en ten tijde van het onderzoek heeft hij een lat-relatie met zijn partner, [naam partner].

Op 13 februari 2013 is aan eiser op zijn aanvraag in het kader van de Wmo een tillift in bruikleen toegekend. Op 22 januari 2014 is hem ter zake een persoonsgebonden budget toegekend, ter hoogte van € 3.245,69.

Op 26 juni 2013 heeft eiser een smartdrive, traplift en plafondlift aangevraagd.

2.Verweerder heeft aan de afwijzing van de traplift ten grondslag gelegd dat, nu alle elementaire woonfuncties op de begane grond zijn gesitueerd, er geen belang is om de bovenverdieping te gebruiken.

Met betrekking tot de smartdrive heeft verweerder overwogen dat eiser beschikt over een handbike met elektrische ondersteuning, een handbewogen rolstoel en een pas voor het collectief vraagafhankelijk vervoer. De smartdrive is aangevraagd voor dezelfde vervoersdoelen als waarvoor de handbike is toegekend. Geconcludeerd wordt dat eiser reeds is gecompenseerd met de toegekende vervoersmiddelen en er derhalve geen noodzaak is voor de smartdrive.

Wat de plafondlift betreft heeft verweerder aangegeven dat aan eiser reeds een (passieve) tillift is toegekend. De levering daarvan ging niet door omdat eiser deze geweigerd heeft omdat er naar zijn mening geen plaats is voor een tillift in zijn woning. Nu in bezwaar is onderzocht dat er in het slaapvertrek wel ruimte is voor een dergelijke tillift en er geen medische noodzaak is voor een plafondlift, wordt gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening, zijnde de tillift.

3.Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Op hetgeen hij in dit verband naar voren heeft gebracht, zal de rechtbank hierna – waar nodig – ingaan.

4.In artikel 4, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat het college, ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, voorzieningen treft op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

Ingevolge het tweede lid houdt het college bij het bepalen van de voorzieningen rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

De in artikel 5, eerste lid, van de Wmo genoemde regels zijn neergelegd in de Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Doetinchem 2013 (hierna: Verordening).

In artikel 2.1 (Reikwijdte compensatieplicht gemeente) is bepaald dat het college ter uitvoering van het bepaalde in artikel 4 van de wet iedere belanghebbende faciliteert om in alle redelijkheid te komen tot het behalen van de volgende resultaten:

1.wonen in een schoon, leefbaar en voor de bewoner geschikt huis;

2.beschikken over een georganiseerd huishouden;

3.beschikken over primaire levensbehoeften;

4.beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;

5.thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;

6.gebruik maken van hulpmiddelen om zich te verplaatsen in, om en nabij het huis;

7.de mogelijkheid om zich lokaal te kunnen verplaatsen per vervoermiddel;

8.de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten.

Ingevolge artikel 5.6 (Beperkingen van de aanspraak op individuele voorzieningen), eerste lid, aanhef en onder a, b en c, kan een individuele voorziening slechts worden toegekend voor zover:

a. deze noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen.

b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;

c. deze in overwegende mate op het individu is gericht.

plafondlift

5.Eiser heeft aangevoerd dat de tillift niet past in zijn slaapkamer, vanwege het tweepersoonsbed dat daar staat. In beroep heeft hij in dat verband aangegeven dat zijn partner daar ook slaapt. Ter zitting heeft eiser verklaard dat zijn partner nog een eigen woning heeft en vier dagen in de week bij hem is.

6.De rechtbank overweegt vooreerst dat gebleken is dat er voldoende ruimte voor een tillift is, indien wordt uitgegaan van een slaapkamer met een eenpersoonsbed. De rechtbank is van oordeel dat eiser met de tillift in voldoende mate is gecompenseerd en dat van een medische noodzaak voor een plafondlift niet is gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat het faciliteren van een lat-relatie – eiser heeft een tweepersoonsbed op zijn slaapkamer – niet onder de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo valt. De rechtbank merkt in dit verband overigens nog op dat het enkele feit dat eiser in zijn slaapkamer, indien de tillift is geplaatst, geen tweepersoonsbed kan handhaven, niet maakt dat hij geen lat-relatie meer kan onderhouden. Het plaatsen van een bed voor zijn partner op een andere plek in de woning behoort tot de mogelijkheden en eiser blijft daardoor in staat een lat-relatie te onderhouden.

Verweerder heeft de aanvraag voor een plafondlift daarom terecht afgewezen.

Hetgeen eiser over de kosten van een tillift heeft aangevoerd kan in deze procedure niet meer aan de orde komen, aangezien het besluit tot toekenning van het persoonsgebonden budget voor de tillift inmiddels onherroepelijk is.

traplift

7.De rechtbank is van oordeel dat verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat een traplift niet vereist is, nu alle essentiële woonfuncties op de begane grond zijn gesitueerd en er geen belang is om de bovenverdieping te gebruiken. Dat de afzuiging en verwarmingsketel zich op de bovenverdieping bevinden, alsmede dat eiser huur betaalt voor de gehele woning, zijn in het kader van de Wmo onvoldoende zwaarwegende argumenten om daar anders over te oordelen.

smartdrive

8.Eiser heeft aangevoerd dat hij met zijn handbike met elektrische ondersteuning weliswaar zijn voornaamste vervoersdoel kan bereiken, het winkelcentrum, en dat hij met zijn handbike daarin gedoogd wordt, maar dat hij bij slecht weer niet met zijn handbike naar het winkelcentrum kan rijden. Voorts heeft hij aangegeven dat hij de handbike niet kan meenemen in zijn auto en dat de handbike niet wordt meegenomen in de rolstoeltaxi omdat die te groot is. Daarom heeft hij een smartdrive nodig waarmee hij wel in de rolstoeltaxi kan.

9.De rechtbank is van oordeel dat eiser met de reeds toegekende handbike met elektronische ondersteuning voldoende is gecompenseerd met betrekking tot zijn vervoersbehoefte. Hij kan met de handbike zijn vervoersdoelen bereiken, in bijzonder het winkelcentrum. Dit laatste wordt door eiser ook niet betwist. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiser ter zitting heeft aangegeven dat het aankoppelen en afkoppelen van de handbike aan de rolstoel niet te bezwaarlijk is.

Eisers stelling dat het rijden met de handbike bij slecht weer niet mogelijk is kan de rechtbank niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de compensatieplicht van verweerder weliswaar met zich dat eiser ook bij minder gunstige weersomstandigheden van de voorziening gebruik moet kunnen maken, echter de rechtbank acht het niet aannemelijk dat dit niet mogelijk zou zijn indien eiser gebruik maakt van gebruikelijke hulpmiddelen zoals tegen weer en wind beschermende kleding en/of een schootskleed.

10.Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.