Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:501

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-01-2014
Datum publicatie
15-06-2015
Zaaknummer
AWB-13_5187
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1230, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/5187

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Berkelland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 februari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist op het verzoek van eiser om ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) informatie te verstrekken.

Bij besluit van 8 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2014. Eiser is verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R.B. Kattenbelt en J.H. Dieperink.

Overwegingen

1. Bij brief van 21 december 2012 heeft eiser aan verweerder verzocht om afschriften te verstrekken van alle documenten die informatie bevatten over de relatie tussen de gemeente Berkelland en de door haar ingeschakelde WOZ-taxateur. Daarbij heeft eiser verzocht om, indien verweerder voornemens is kosten in rekening te brengen voor het verstrekken van documenten, per document een specificatie van die kosten te geven en expliciet de schriftelijke toestemming van eiser voor het maken van die kosten te vragen.

Bij brief van 9 januari 2013 heeft verweerder (onder meer) aan eiser meegedeeld dat 50 eurocent per kopie in rekening zal worden gebracht en dat niet kan worden aangegeven wat de totale kosten zullen zijn, maar dat wel duidelijk is dat het om honderden kopieën gaat. Verweerder heeft eiser verzocht om binnen 1 week te berichten of hij hiermee akkoord gaat, en meegedeeld dat tot verstrekking van de gevraagde gegevens zal worden overgegaan als eiser niet binnen de gestelde termijn reageert.

Bij brief van 16 januari 2013 heeft eiser (onder meer) aan verweerder meegedeeld dat (samengevat) verweerder met de kostenindicatie niet heeft voldaan aan het verzoek van eiser om een specificatie van de kosten per document te geven, en heeft eiser verzocht om de documenten elektronisch te verstrekken.

Bij brief van 23 januari 2013 heeft verweerder (onder meer) aan eiser meegedeeld dat de gevraagde informatie in het centrale archief opgenomen is waardoor het niet mogelijk is om precies het aantal kopieën aan te geven, en dat digitale verstrekking niet mogelijk is omdat documenten niet digitaal gearchiveerd worden. Voorts is meegedeeld dat het wel mogelijk is om de documenten in te komen zien.

Bij brief van 30 januari 2013 heeft eiser aan verweerder meegedeeld dat de brief van verweerder van 23 januari 2013 geen reden is om het gestelde in zijn brief van 16 januari 2013 te herzien.

Bij brief van 5 februari 2013 heeft verweerder aan eiser het volgende meegedeeld:

“In mijn brief van 23 januari 2013 heb ik u aangegeven dat een precieze opgave van de kosten niet mogelijk is. Ook heb ik u duidelijk aangegeven dat er geen mogelijkheid bestaat tot het digitaal aanleveren van documenten. Uit uw brief maak ik niet op dat u uw verzoek intrekt.

Gelet op de beslistermijn zal ik nu aan onze archiefafdeling opdracht geven tot het verzamelen van de gevraagde gegevens uit ons archief. Binnen de gestelde termijn ontvangt u van mij de gegevens met daarbij tevens de factuur voor het aantal kopieën.”

Het primaire besluit houdt onder meer in dat aan eiser documenten worden verstrekt.

2. De beroepsgronden van eiser zijn gelijk aan de bezwaargronden, en houden – zakelijk weergegeven – in dat verweerder ten onrechte geen specificatie van de kosten heeft gegeven vóór het verstrekken van de documenten en dat de documenten digitaal verstrekt hadden moeten worden.

3. Met betrekking tot het standpunt van eiser dat verweerder de documenten digitaal had moeten verstrekken overweegt de rechtbank het volgende.

In de brief van 23 januari 2013, naar welke brief verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen, heeft verweerder aangegeven dat de gevraagde documenten niet digitaal gearchiveerd zijn. Ter zitting hebben de vertegenwoordigers van verweerder nog toegelicht dat voor digitale verstrekking extra handelingen verricht hadden moeten worden, waaronder het scannen van de documenten. Vooral bij dubbelzijdig bedrukte pagina’s levert dat extra werk op.

Gelet op een en ander, en mede in aanmerking genomen dat het volgens partijen om een groot aantal documenten gaat, is de rechtbank van oordeel dat het verstrekken van de documenten in digitale vorm redelijkerwijs niet gevergd kon worden.

4. Met betrekking tot het standpunt van eiser dat verweerder ten onrechte geen specificatie van de kosten heeft gegeven overweegt de rechtbank het volgende.

Hoewel het besluit om ingevolge de Wob documenten te verstrekken in beginsel los staat van het besluit om daarvoor kosten in rekening te brengen, is de rechtbank van oordeel dat een zorgvuldige voorbereiding van het Wob-besluit met zich kan brengen dat informatie wordt verstrekt over de kosten voor het verstrekken van de gevraagde documenten.

Verweerder heeft een indicatie van de kosten gegeven door mee te delen dat een kopie 50 eurocent kost en dat het om honderden kopieën zal gaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus voldoende informatie over de kosten heeft verstrekt en dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser geen specificatie van de kosten per document te geven. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

Om aan het verzoek van eiser te voldoen had verweerder een lijst moeten opstellen met een opsomming van alle door eiser gevraagde documenten, het aantal pagina’s per document moeten vaststellen en op de lijst vermelden, en per document een zodanige weergave van de inhoud moeten geven dat eiser op basis daarvan had kunnen beslissen of hij een kopie van het document wilde hebben of niet. Het is duidelijk dat dit een grote hoeveelheid extra werk had opgeleverd voor verweerder. Bovendien heeft verweerder in de brief van 23 januari 2013 aangeboden aan eiser om de documenten in te komen zien. Als eiser daarvan gebruik had gemaakt had eiser zelf kunnen selecteren van welke documenten hij kopieën had willen hebben en zo zijn kosten kunnen beperken.

5. In het beroepschrift van 19 augustus 2013 heeft eiser gesteld dat het beroep mede is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het onderhavige bezwaar. Aangezien ten tijde van het instellen van het beroep al een besluit op bezwaar was genomen, gaat de rechtbank er van uit dat eiser hiermee heeft beoogd te stellen dat verweerder wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar een dwangsom verschuldigd is. In de gronden van 11 januari 2014 heeft eiser voorts aangevoerd dat verweerder wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek en het bezwaar dwangsommen verschuldigd is.

6. Niet gebleken is dat eiser verweerder in gebreke heeft gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek. Voor zover eiser zou menen dat de herhaalde toezending op 18 januari 2013 van het verzoek van 21 december 2012 als ingebrekestelling is aan te merken, volgt de rechtbank deze visie niet.

7. Het primaire besluit is van 14 februari 2013. De laatste dag van de bezwaartermijn was 28 maart 2013. De beslistermijn van 6 weken ving aan op 29 maart 2013. Bij brief van 4 april 2013 heeft verweerder aan eiser verzocht om binnen twee weken de gronden van het bezwaar in te dienen. De gronden zijn ingediend op 18 april 2013. Ingevolge artikel 7:10, tweede lid, van de Awb is de beslistermijn van 6 weken opgeschort van 5 tot en met 18 april. De laatste dag van de beslistermijn was derhalve 23 mei 2013.

Gelet hierop kan de brief van eiser van 21 mei 2013, door verweerder ontvangen op 21 mei 2013, niet als ingebrekestelling worden aangemerkt. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2011, LJN: BP3711. Omdat geen sprake is van een ingebrekestelling is verweerder geen dwangsom verschuldigd en is ook geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 4:18 van de Awb.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.