Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4952

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
08-08-2014
Zaaknummer
C/05/267120 / KZ ZA 14-172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding, btw verschuldigd over schadevergoeding? Uitleg arbitraal vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 5, p. 257
TvA 2015/13

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/267120 / KZ ZA 14-172

Vonnis in kort geding van 5 augustus 2014

in de zaak van

de stichting "ONS HUIS", WONINGSTICHTING,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

advocaat mr. E.F.E. van Essen te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. F.G. Verstraaten te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna Ons Huis en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 16 juli 2014

  • -

    de brief d.d. 18 juli 2014 met producties van mr. Verstraaten

  • -

    de fax d.d. 21 juli 2014 met aanvullende producties van mr. Van Essen

  • -

    de pleitnota's van de beide advocaten

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling d.d. 22 juli 2014.

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft in 1998 een kantoorgebouw gekocht van Ons Huis. Het kantoorgebouw was op dat moment nog in aanbouw.

2.2.

In verband met gebreken aan de kozijnen van het kantoorgebouw is Ons Huis door de Raad van Arbitrage voor de Bouw in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan [gedaagde]. Onder punt 43 van het vonnis in hoger beroep d.d. 5 juli 2013 staat onder meer vermeld:
"Totaal komt opdrachtgever (boven het al toegekende bedrag voor de kozijnen op de derde verdieping) toe een bedrag van € 242.000,00 + € 30.000,00 + € 57.000,00 = € 329.000,00. Opdrachtgever verzoekt appelarbiters dit bedrag "voor zover nodig te verhogen met 19% BTW". Appelarbiters zullen bepalen dat over dat bedrag de verschuldigde btw dient te worden vergoed."

Het dictum van het betreffende vonnis luidt, voor zover van belang, als volgt:
"VEROORDELEN onderneemster aan opdrachtgever te betalen € 330.285,20 (driehonderddertigduizend tweehonderdvijfentachtig euro en twintig cent), te vermeerderen met de verschuldigde btw;"


2.3. Ons Huis heeft het bedrag van € 330.285,20 betaald aan [gedaagde].

2.4.

Bij exploot d.d. 17 juni 2014 heeft [gedaagde] Ons Huis bevolen om binnen twee dagen tot betaling van de btw ad € 69.359,89 over te gaan en de executie van voornoemd vonnis aangezegd.

3 Het geschil

3.1.

Ons Huis vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis primair [gedaagde] te verbieden het tussen partijen gewezen scheidsrechterlijk vonnis van de Raad van Arbitrage d.d. 5 juli 2013 ten uitvoer te leggen ter hoogte van een bedrag aangaande de btw over
€ 330.285,89 - bedoeld zal zijn € 330.285,20 - , zijnde € 69.359,89. Subsidiair, voor zover [gedaagde] wel aanspraak kan maken op voornoemd bedrag aan btw, vordert Ons Huis schorsing van de executie van het betreffende vonnis tot het moment dat [gedaagde] alle facturen ter hoogte van de voornoemde hoofdsom, waarvan € 69.359,89 bestaat uit btw, aan Ons Huis heeft overgelegd, met dien verstande dat deze facturen tevens te naam zijn gesteld aan Ons Huis. Zowel primair als subsidiair vordert Ons Huis veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Ons Huis legt aan haar primaire vordering ten grondslag dat zij geen btw verschuldigd is aan [gedaagde]. Volgens Ons Huis is [gedaagde] een particulier en geldt op grond van de wet en jurisprudentie dat er geen btw verschuldigd is indien een particulier een schadevergoeding krijgt toegewezen. Voor zover [gedaagde] ondernemer zou zijn, valt, zo stelt Ons Huis, de betaling van een schadevergoeding die door een rechter is vastgesteld (op grond van wanprestatie) buiten het bereik van de btw, aangezien deze voor de heffing van de omzetbelasting niet de vergoeding voor een prestatie vormt.
Subsidiair stelt Ons Huis zich op het standpunt dat indien en voor zover komt vast te staan dat [gedaagde] wel aanspraak kan maken op de btw, hij de btw aan haar dient te factureren, zodat zij deze weer kan verrekenen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen of verbieden, indien hij van oordeel is dat de executant - mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.2.

[gedaagde] stelt dat hij het van Ons Huis gekochte kantoorgebouw thans aan de overheid verhuurt. Ons Huis heeft dit niet betwist, zodat hiervan dient te worden uitgegaan. Ter zitting heeft Ons Huis zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] voor wat betreft de exploitatie van het kantoorgebouw geen ondernemer is. Aangezien [gedaagde] dit niet heeft weersproken, wordt ervan uitgegaan dat ook dit juist is.

4.3.

[gedaagde] erkent dat volgens Nederlandse en Europese rechtspraak geen btw verschuldigd is over schadevergoeding. Hij stelt zich echter op het standpunt dat de arbiters in hun vonnis d.d. 5 juli 2013 een bedrag van € 330.285,20 vermeerderd met btw hebben toegewezen, zijnde in totaal een bedrag van € 399.645,09. Volgens [gedaagde] is dat bedrag gebaseerd op de offerte die een aannemer heeft gemaakt en waarin een totaalbedrag van
€ 329.000,- te vermeerderen met de verschuldigde btw genoemd wordt, welke terminologie de Raad van Arbitrage heeft overgenomen. Als de arbiters bedoeld hadden een schadevergoeding van € 330.285,20 toe te wijzen, zou de toevoeging “te vermeerderen met de verschuldigde btw” zinloos zijn, aldus [gedaagde]. Hij stelt dat de arbiters in het betreffende vonnis bewust hebben geoordeeld dat Ons Huis een allesomvattende schadevergoeding moet betalen die ook de btw omvat.

4.4.

Anders dan [gedaagde], is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de arbiters in het vonnis d.d. 5 juli 2013 de btw niet bewust hebben toegewezen. [gedaagde] heeft de btw niet expliciet gevorderd en heeft slechts verzocht het gevorderde bedrag aan schadevergoeding “voor zover nodig te verhogen met 19% btw”. De arbiters zijn vervolgens in het geheel niet op het vraagstuk van de verschuldigdheid van de btw ingegaan, terwijl toewijzing van de btw, gelet op de zinsnede “voor zover nodig”, wel een nadere toelichting behoefde. De toevoeging “verschuldigde” in de zin “te vermeerderen met de verschuldigde btw” duidt er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook op dat de arbiters, net als [gedaagde], in het midden hebben gelaten of er btw verschuldigd is en dat de btw derhalve slechts is toegewezen voor zover deze verschuldigd is. [gedaagde] had, om de btw toegewezen te krijgen, naar het oordeel van de voorzieningenrechter de in de offerte van de aannemer genoemde bedragen moeten verhogen met btw en die verhoogde bedragen moeten vorderen.



4.5. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij recht heeft op een schadevergoeding inclusief btw voert [gedaagde] nog aan dat hij over de koopsom van het gebouw btw heeft betaald die hij niet heeft kunnen verrekenen en dat als Ons Huis was veroordeeld om de gebreken aan de kozijnen te herstellen, zij wel btw over de herstelkosten had moeten betalen. Ook voert [gedaagde] aan dat als hij de gebreken laat herstellen, hij de aannemer btw verschuldigd is, welke btw voor hem een schadepost vormt. Deze omstandigheden mogen zo zijn, maar staan geheel los van de uitspraak van de arbiters, waar het in casu om draait.

4.6.

Nu de btw slechts is toegewezen voor zover deze verschuldigd is en tussen partijen vast staat dat er over een schadevergoeding geen btw verschuldigd is, heeft [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen recht op betaling van de btw door Ons Huis. [gedaagde] kan derhalve niet op goede gronden tot executie van dit deel van het vonnis d.d. 5 juli 2013 overgaan. Dit betekent dat de primaire vordering van Ons Huis zal worden toegewezen.

4.7.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ons Huis worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.517,80

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt [gedaagde] het scheidsrechterlijk vonnis van de Raad van Arbitrage d.d. 5 juli 2013 onder nummers 71.769 en 71.772 tussen partijen gewezen, ten uitvoer te leggen ter hoogte van een bedrag aangaande de btw over € 330.285,20, zijnde € 69.359,89,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Ons Huis tot op heden begroot op € 1.517,80,

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2014.1

1 MD/SV