Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4948

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
AWB-14_4410
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek. Voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek dient slechts te worden vastgesteld of een vermoeden bestaat dat niet meer over de vereiste rijvaardigheid wordt beschikt. Het opgelegde rijvaardigheidsonderzoek dient ertoe tot een conclusie te komen over de rijvaardigheid. Vast staat dat verzoekster slingerend heeft gereden en een stopteken van de politie heeft gemist. Verweerder heeft het mutatierapport aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen leggen en hieruit af mogen leiden dat sprake is van een geval als bedoeld in artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Verweerder heeft zich daarom terecht op grond van artikel 131, eerste lid, van de Wvw1994 gehouden geacht verzoekster te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 131
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2014/71

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/4410

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. L.P. Kabel),

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen te Rijswijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder een onderzoek naar de geschiktheid opgelegd.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. M.M. van Dongen.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Op 2 mei 2014 heeft verweerder een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) van de Korpschef van Politie ontvangen. Uit het bij de mededeling behorende mutatierapport is het verweerder gebleken dat verzoekster blijk heeft gegeven van gebrekkige rijvaardigheid doordat zij gevaarzettend rijgedrag tentoon heeft gespreid waardoor andere weggebruikers en obstakels rakelings werden gepasseerd. Op basis van deze mededeling heeft verweerder besloten verzoekster een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen.

3.

Verzoekster heeft betoogd dat verweerder niet bevoegd was haar een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen. De wet schrijft voor dat het vermoeden gebaseerd dient te zijn op een gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie, slingerend wordt gereden. Niet ieder slingerend gedrag levert op slingerend rijgedrag als bedoeld in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (verder: de Regeling). Verzoekster heeft tijdens het rijden gezocht naar een corsage in haar tas en als gevolg daarvan slingerend gereden. Er is derhalve geen verband tussen een gebrek aan stuurvastheid en de door verzoekster vertoonde gedraging.

Voorts heeft verzoekster betoogd dat het negeren van een stopteken nog niet betekent dat er sprake is van inadequaat rijgedrag als bedoeld in de Regeling of dat verzoekster in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer let. In dit verband verwijst verzoekster naar een uitspraak van Rechtbank Almelo van 24 maart 2010, ECLI:NL:RBALM:2010:BL8990. Hierbij stelt verzoekster dat de bus waarin de verbalisanten reden niet herkenbaar was als politiebus en een bestuurder er in een dergelijke situatie minder op is bedacht dat er een stopteken kan worden gegeven.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wvw doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels gesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wvw besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid. Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling wordt een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, kunnen feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 2, blijken uit eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie.

In bijlage 1, van de Regeling is het volgende opgenomen:

I.2. Beheersing van het motorrijtuig

1.

Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie:

a. slingerend wordt gereden;

II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer

1.

Niet adequaat kijkgedrag

Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, (…) zich manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeen.

5.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2434, dient voor het opleggen van een rijvaardigheidsonderzoek slechts te worden vastgesteld of een vermoeden bestaat dat niet meer over de vereiste rijvaardigheid wordt beschikt. Het opgelegde rijvaardigheidsonderzoek dient ertoe tot een conclusie te komen over de rijvaardigheid.

6.

De in de mededeling en in het mutatierapport neergelegde feiten en omstandigheden zijn genoemd in bijlage 1 bij de Regeling. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder zich op basis hiervan op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het mutatierapport neergelegde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat verzoekster niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en dat verweerder haar terecht een rijvaardigheidsonderzoek heeft opgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster heeft toegegeven dat zij slingerend heeft gereden en dat zij een stopteken heeft gemist. De omstandigheid dat verzoekster een verklaring geeft voor haar rijgedrag is gelet op de tekst van paragraaf 1.2, onder 1, van bijlage 1 bij de Regeling niet van belang. Dat in het mutatierapport niet specifiek staat omschreven waar de betreffende gedragingen zich hebben voorgedaan doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet af aan het feit dat de verbalisanten de beschreven gedragingen hebben waargenomen. Voor het standpunt van verzoekster dat de betreffende verbalisanten haar op basis van haar leeftijd zouden hebben gediscrimineerd bieden de stukken – wat hier ook van zij – geen aanknopingspunten en is ook overigens niet aangetoond.

7.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verweerder het mutatierapport aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen en hieruit heeft af mogen leiden dat sprake is van een geval als bedoeld in artikel 23, derde lid, aanhef en onder a, van de Regeling. Verweerder heeft zich daarom terecht op grond van artikel 131, eerste lid, van de Wvw1994 gehouden geacht verzoekster te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid. Hetgeen meer en overigens van de zijde van verzoekster is aangevoerd kan niet tot een andersluidend oordeel leiden.

8.

Nu het bestreden besluit naar verwachting stand zal houden in de bezwaarfase zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.

9.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H.M. Pastoors, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.