Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4909

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
05-08-2014
Zaaknummer
06/580616-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

De raadkamer rechtbank Gelderland heeft bij beschikking van 5 augustus 2014 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de eerder aan de 24-jarige betrokkene opgelegde PIJ-maatregel afgewezen. De raadkamer heeft bij deze beslissing niet alleen acht geslagen op het advies van de Justitiële Jeugdinrichting om de maatregel niet te verlengen, maar ook op de omstandigheid dat betrokkene zich op het moment van beëindiging van de maatregel in een gestructureerde situatie zal bevindingen voor wat betreft huisvesting, dagbesteding en (vrijwillige) hulpverlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugdrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige Raadkamer voor kinderstrafzaken

Parketnummer : 06/580616-07

Datum zitting : 22 juli 2014

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

Beschikking op de vordering tot verlenging plaatsing inrichting voor jeugdigen

met betrekking tot de veroordeelde:

naam : [betrokkene]

geboren op :[geboortedatum]

thans verblijvende in de[naam en adres stichting].

De procedure

De raadkamer heeft kennis genomen van de op 3 juni 2014 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in dit arrondissement, welke vordering strekt tot verlenging met 6 (zes) maanden van de bij arrest van het gerechtshof te Arnhem van 25 februari 2009 opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, welke laatstelijk met een termijn van 3 maanden is verlengd bij beslissing van de raadkamer van 27 mei 2014, met betrekking tot:

[betrokkene], voornoemd.

De raadkamer heeft verder kennis genomen van de processtukken, waaronder:

  • -

    de aantekeningen als bedoeld in artikel 77t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, en

  • -

    het advies van de Justitiële Jeugdinrichting Lelystad (Intermetzo), hierna te noemen: Intermetzo, gedateerd 13 juni 2014. In het advies wordt aangegeven dat er geen reden is om de PIJ-maatregel te verlengen.

In raadkamer van 22 juli 2014 zijn gehoord:

  • -

    de veroordeelde, hierna te noemen betrokkene;

  • -

    diens raadsman, mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht;

  • -

    de deskundigen drs.[deskundige], als behandelcoördinator verbonden aan Intermetzo en [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker;

  • -

    de officier van justitie, mr. A. Hermelink.

De officier van justitie heeft de vordering toegelicht en daarbij gepersisteerd.

De deskundige drs.[deskundige] heeft het advies toegelicht. De deskundige [reclasseringsmedewerker] heeft een reactie gegeven op het advies van Intermetzo.

Betrokkene en zijn raadsman hebben zich verzet tegen toewijzing van de vordering.

De overwegingen

Uit het advies blijkt, zakelijk weergegeven, onder meer het navolgende:

Per 12 juni 2014 is er voor [betrokkene] een overbruggingsplek voor de periode van maximaal een jaar gevonden bij het kortverblijfhuis van de[naam en adres stichting]. Het betreft een opvangplek met mogelijkheden tot een eigen appartement op termijn. Hoewel het geen specifieke behandelplek is (dat werd ook niet gezocht voor [betrokkene]), is er wel 24 uur per dag begeleiding. Nu [betrokkene] weer een woonplek heeft, kan het STP weer opgestart worden. [betrokkene] kan wat betreft dagbesteding weer aan de slag bij [reintergratieproject] op de[afdeling]. [betrokkene] werkt hier vijf dagen in de week van 09.00 uur tot 15.00 uur. Mocht [betrokkene] in de toekomst op dezelfde wijze blijven functioneren, dan is men bij [reintergratieproject] bereid om hem een opleiding aan te bieden die aansluit op zijn afdeling. De woonplek heeft aangegeven dat zij de begeleiding die er de komende tijd nog zal zijn in het kader van het STP, als prettig ervaren. Hoewel [betrokkene] hier ook zonder het kader van de PIJ-maatregel kan blijven, zoumen graag zien dat deze begeleiding de komende tijd gecontinueerd wordt. De woonplek biedt zelf 24-uurs begeleiding en [betrokkene] zou in het kader van vrijwillige nazorg nog ondersteuning van de reclassering en/of ITB-er kunnen ontvangen.

In het PIJ-advies van februari 2014 staat onder meer beschreven dat [betrokkene] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt; zijn persoonlijkheid is positief gegroeid. Zijn zelfbeeld is versterkt en zijn autonomie vergroot. Binnen de psychotherapie heeft hij geleerd om over zijn seksualiteit te praten. In het praten over zijn seksualiteit en delict heeft [betrokkene] zicht gekregen op wat hem tot het indexdelict heeft gedreven. Hij heeft oprecht spijt getoond. Zowel zijn oppositionele opstandige gedrag als zijn seksuele stoornis zijn in remissie. Ook zijn narcisme en rigiditeit zijn duidelijk verminderd in ernst. Het wantrouwens is ook sterk verminderd. De persoonlijkheidsstoornis NAO is gedeeltelijk in remissie.

Momenteel is het risicoprofiel matig. Het risico op recidive wordt bij [betrokkene] hoger wanneer hij terecht komt in ongestructureerde situaties die hij niet kan overzien in combinatie met risico-verhogende elementen als boosheid, afwijzing en krenking.

In tegenstelling tot ten tijde van het delict heeft [betrokkene] inmiddels inzicht opgedaan in zijn eigen delictrisico’s, heeft hij spijt van zijn delict en leidt zijn verhoogde behoefte aan seksualiteit niet tot grensoverschrijdend gedrag. De restproblematiek is chronisch en er wordt niet verwacht dat dit met een langer traject nog sterk zal veranderen. Op basis van het recidiverisico wordt geen reden gezien om de PIJ-maatregel te verlengen. [betrokkene] blijft een kwetsbare jongeman, maar er wordt niet verwacht dat de Pij-maatregel zal bijdragen aan een verdere verbetering hiervan.

In raadkamer van 22 juli 2014 heeft de deskundige drs.[deskundige] het advies nader toegelicht en onder meer verklaard dat [betrokkene] nu op een goede plaats zit. Hij kan een jaar bij de [naam en adres stichting] Stichting blijven en voor daarna heeft zij goede hoop dat hij kan doorstromen naar een appartement. [betrokkene] beseft dat hij begeleiding nodig heeft en die is

24

uur per dag aanwezig. Hulp in het kader van een PIJ-maatregel is niet langer nodig. De deskundige adviseert dan ook tot afwijzing van de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel.

De deskundige [reclasseringsmedewerker] heeft in raadkamer onder meer verklaard dat [betrokkene] nu op een juiste plaats zit en dat het goed met hem gaat. Het recidiverisico is momenteel laag. Echter, op het moment dat die context zou veranderen, en dat gebeurt op het moment dat [betrokkene] naar een appartement zou verhuizen, neemt de kans op recidive toe. Het zou prettig zijn wanneer het vangnet van de PIJ-maatregel dan nog bestaat. De reclassering adviseert dan ook tot verlenging van de maatregel voor langer dan zes maanden.

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering en daarbij aangevoerd dat er thans sprake is van een tijdelijke plaats voor [betrokkene] en dat er nog geen zicht is op een eindsituatie waardoor het recidiverisico nog te groot is om de bestaande PIJ-maatregel te beëindigen.

De raadsman heeft zich - kort gezegd - primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, nu er met de ingediende vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De officier van justitie had, nu zij het kennelijk niet eens was met de eerdere beslissing om de termijn van de maatregel met (“slechts”) drie maanden te verlengen, daartegen hoger beroep moeten instellen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering af te wijzen. Hij wijst in dit verband onder meer op de duur van de maatregel, inmiddels meer dan vijf jaren, op de bewoordingen van de raadkamer in de beslissing van 27 mei 2014 (‘het einde van de Pij-maatregel is wel duidelijk in zicht’), en ook op de omstandigheid dat het sindsdien alleen maar beter is gegaan met [betrokkene] en hij bereid is om vrijwillige begeleiding te accepteren.

Voor wat betreft het primaire standpunt van de raadsman, betreffende de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vordering wegens een onaanvaardbare doorkruising van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, overweegt de rechtbank dat dit standpunt geen steun vindt in het recht en derhalve niet wordt gevolgd. Het stond de officier van justitie immers vrij om te berusten in de eerdere beslissing van de rechtbank en na ommekomst van enkele maanden opnieuw te bezien of een verdere verlenging in de ogen van het openbaar ministerie noodzakelijk zou zijn.

De raadkamer overweegt voorts, gezien de stukken en gelet op het in raadkamer verhandelde, als volgt. Uit de recente ontwikkelingen rondom betrokkene blijkt dat hij zich op het moment van beëindiging van de PIJ-maatregel in een gestructureerde situatie zal bevinden voor wat betreft huisvesting, dagbesteding en (vrijwillige) hulpverlening. Uit het adviesrapport van Intermetzo komt naar voren dat het risicoprofiel momenteel matig is. Ook blijkt daaruit dat niet te verwachten valt dat de maatregel zal bijdragen aan een verdere verbetering van de bij betrokkene nog bestaande restproblematiek. De raadkamer is alles overwegende dan ook van oordeel dat de vordering tot verlenging van de PIJ-maatregel dient te worden afgewezen.

[Verlenging pij  eisen:

  • -

    artikel 77t lid 3: maatregel is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerder personen;

  • -

    artikel 77t lid 3 jo 77s lid 1 onder b en c

onder b: de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist

onder c: de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte

Artikel 77t lid 2: verlenging kan voor maximaal 4 jaar, echter maximaal 6 jaar mogelijk als de maatregel is opgelegd aan een verdachte als bedoeld in artikel 77s lid 3 2e volzin:

Indien bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.]

De raadkamer neemt bij haar beslissing de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

De beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot verlening van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [betrokkene], voornoemd, af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A.M. Bögemann, voorzitter, tevens kinderrechter, C. Kleinrensink en E. Troost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Wegter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 augustus 2014.