Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4838

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
31-07-2014
Zaaknummer
3176502
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kortgeding tegelijk behandeld met verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst.

Vordering tot vergoeding immateriële schade en rehabilitatie/rectificatie afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0674
AR 2014/549

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 3176502 \ VV EXPL 14-159 \ 474 \ 450

uitspraak van 30 juli 2014

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser]

wonende te Kootwijkerbroek

eisende partij

gemachtigde mr. I.A. Hoen

tegen

de vereniging Vereniging van basisonderwijs op Refomatorische Grondslag

gevestigd te Kootwijkerbroek

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna[eiser] en de school genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juni 2014 met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 9 juli 2014 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van[eiser] en de gemachtigde van de school.

1.2.

Daarna is op heden vonnis bepaald.

1.3.

Dit kort geding is gelijktijdig behandeld met het door[eiser] aanhangig

gemaakte verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst (3136982 \ HA VERZ

14-190) waarin eveneens op 30 juli 2014 beschikking is gewezen.

2 De feiten

2.1.

[eiser], geboren op [geboortedatum], is vanaf 1 augustus 1994 als leerkracht/teamleider bij de school in dienst. Het salaris bedroeg laatstelijk € 4.359,80, inclusief vaste toelage van € 189,90, inkomenstoeslag van € 32,41, 8% vakantietoeslag en 6,3 % eindejaarsuitkering. De CAO voor Reformatorisch basisonderwijs is van toepassing.

2.2.

Op 22 februari 2014 is[eiser] namens het bestuur van de school geschorst hetgeen bij brief van 24 februari 2014 schriftelijk is bevestigd.

2.3.

Op 26 maart 2014 heeft de school aan[eiser] het voornemen geuit om hem met ingang van 14 april 2014 weer toe te laten tot de school, hetgeen bij brief van 28 maart 2014 is bevestigd.

2.4.

Op 27 maart 2014 is het personeel door de school van het besluit in kennis gesteld. In reactie daarop hebben op 28 maart 2014 een aantal personeelsleden het bestuur, de toezichtcommissie en de vertrouwenspersoon een ‘hartekreet’ gezonden, meegedeeld dat de veiligheid in de school, voor kinderen en personeelsleden, alleen gegarandeerd en geboden kon worden als[eiser] afwezig was en dringend verzocht om een gesprek met de school.

2.5.

Op 29 maart 2014 heeft een bijeenkomst op de school plaatsgevonden met de leerkrachten en het personeel. Een afschrift van het verslag daarvan bevindt zich bij de stukken.

2.6.

Bij brief van 3 april 2014 heeft de (gemachtigde van de) school[eiser], onder verwijzing naar de in de brief genoemde ontwikkelingen en integrale situatie, meegedeeld dat terugkeer op school niet meer mogelijk of wenselijk was en is hij geschorst omdat het belang van de instelling dat vorderde (art. 3.1.3 sub d CAO).

3 De vordering, het verweer en de beoordeling daarvan

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – de school te veroordelen tot betaling van (voorschot) immateriële schadevergoeding van € 25.000,-. Daarnaast vordert[eiser] volledige rehabilitatie en rectificatie door de school met veroordeling van de school in de proceskosten. Voorwaardelijk, voor het geval deze kosten niet in de verzoekschriftprocedure zijn toegewezen, vordert[eiser] veroordeling van de school tot betaling van de volledige kosten van rechtsbijstand.[eiser]

3.2.

[eiser] legt - samengevat weergegeven - aan zijn vorderingen ten grondslag dat door de handelwijze van de school zijn reputatie ernstig is beschadigd.

De schorsingsmaatregel was procedureel onjuist en gebaseerd op onterechte informatie waarbij hoor en wederhoor bovendien niet zijn toegepast. Door het bestuur van de school is een situatie gecreëerd waarin terugkeer voor hem niet meer mogelijk was. Volgens[eiser] heeft de diffamerende communicatie over de redenen van de schorsing in belangrijke mate bijgedragen aan de negatieve beeldvorming rond zijn persoon en heeft de school verwijtbaar en onrechtmatig jegens hem gehandeld. Zijn loopbaan bij de school is geruïneerd en zijn eer en goede naam zijn aangetast. Hij stelt daardoor aanzienlijke schade

te hebben geleden en nog te lijden.

3.3.

De school voert gemotiveerd verweer. De school betwist de stellingen van[eiser] dat zij verwijtbaar zou hebben gehandeld. De (verlenging van de) schorsingen waren volgens de school niet onterecht en niet procedureel onjuist – het ging om een ordermaatregel en niet om een disciplinaire schorsing – en het beginsel van hoor en wederhoor is evenmin geschonden. De school betwist met nadruk in de voorafgaand aan de bijeenkomst op 29 maart 2014 de geuite klachten de hand te hebben gehad. Zij stelt door de intensiteit van de klachten te zijn overvallen en in een situatie van overmacht is komen te verkeren, waarin het belang en het voortbestaan van de school voorop moest staan, waarna zij heeft besloten dat terugkeer voor[eiser] niet meer mogelijk was. De school stelt zich op het standpunt dat haar geen verwijt treft en dat zij jegens[eiser] niet onrechtmatig heeft gehandeld. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.4.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dient de vorderingen van[eiser] ten aanzien van een voorschot op de immateriële schadevergoeding te worden afgewezen. Binnen het beperkte kader van een procedure als de onderhavige, waarin geen plaats is voor nadere bewijsvoering, is niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake zou zijn van onrechtmatige gedragingen van de school.[eiser] kan, indien hij van mening blijft dat de school jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, het geschil voorleggen aan de bodemrechter. Vooralsnog valt niet uit te sluiten dat, nog afgezien van beweerdelijke, maar betwiste, processuele en/of formele onjuistheden, in de aanhangig te maken bodemprocedure ook het handelen van[eiser] (al dan niet in het verleden) en, indien aangevoerd, mogelijk aanwezige gronden voor het verzet van ouders en leerkrachten tegen de terugkeer van[eiser] betrokken zouden kunnen worden in het oordeel ten aanzien van het onrechtmatig handelen van de school.

3.5.

De vordering tot rehabilitatie en/of rectificatie zal eveneens worden afgewezen. Zoals hiervoor reeds is overwogen is niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden dat sprake zou zijn van onrechtmatig handelen van de school jegens[eiser]. Dat de school zich diffamerend zou hebben uitgelaten over de redenen van de schorsing van[eiser] en dat de school in belangrijke mate zou hebben bijgedragen aan de negatieve beeldvorming rond zijn persoon, waardoor[eiser] stelt schade te hebben geleden, is tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de school, evenmin aannemelijk geworden. Binnen het beperkte kader van dit kort geding is, gelet op de vele onduidelijkheden, de vele over en weer betwiste feiten en verwijten, geen grond aanwezig om de vordering tot rehabilitatie en/of rectificatie toe te wijzen.

3.6.

Het is voor alle partijen (en betrokkenen) van belang dat er rust ontstaat. De thans gegeven beslissing laat dan ook onverlet de door de kantonrechter ter zitting gedane suggestie dat partijen in overleg op neutrale wijze publiekelijk te kennen geven dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. De (eveneens) op 30 juli 2014 gegeven ontbindingsbeschikking geeft voor een dergelijke publicatie voldoende aanknopingspunten.

3.7.

Voor toewijzing van de door[eiser] verzochte volledige vergoeding van kosten van rechtsbijstand, bestaat geen grond, zodat dit dient te worden afgewezen.[eiser]

3.8.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt[eiser] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van de school begroot op € 400,- salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. W.H. van Empel en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2014.