Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4781

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-07-2014
Datum publicatie
06-08-2014
Zaaknummer
AWB-14_4371
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektewet – weigering voorschot bij onzekerheid over het recht op bezoldiging in geval van ontslag ambtenaar. De voorzieningenrechter overweegt dat het ontslagbesluit in werking is getreden en dat het daartegen gemaakte bezwaar geen schorsende werking heeft, waarmee vaststaat dat geen recht op bezoldiging bestaat. Daar komt nog bij dat het verzoek om voorlopige voorziening inzake het ontslag na het primaire besluit is afgewezen, zodat ook thans geen onzekerheid bestaat. Dat het ontslagbesluit niet in rechte onaantastbaar is maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat onzekerheid bestaat over het recht op bezoldiging. De wetsgeschiedenis wijst er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet eenduidig op dat de wetgever met artikel 47a, eerste lid, van de ZW mede het oog heeft gehad op een geval als het onderhavige, waarin geen dispuut bestaat over het recht op bezoldiging (tijdens ziekte) maar over het al dan niet terecht beëindigen van de dienstbetrekking. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan zou verzoeker gedurende langere tijd noch aanspraak hebben op een uitkering of voorschot, noch op betaling van bezoldiging. Dat dit een consequentie is die de wetgever voor lief heeft willen nemen, acht de voorzieningenrechter niet af te leiden uit de wetsgeschiedenis. Toewijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/4371

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

(gemachtigde: mr. D.E. de Hoop),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Heerlen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd om verzoeker met ingang van 1 mei 2014 een voorschot ingevolge de Ziektewet (ZW) te verlenen.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Gelet op het feit dat verzoeker thans geen inkomen heeft, het inkomen van zijn partner (nagenoeg) geen aanspraak op bijstand oplevert en de vaste lasten van verzoekers gezin aanzienlijk hoger zijn dan het huidige inkomen, acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang aanwezig.

3.

Verzoeker is werkzaam geweest bij Dienst Justitiële Inrichtingen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister). Bij besluit van 30 april 2014 is aan verzoeker met onmiddellijke ingang de straf van ontslag opgelegd. Verzoeker heeft tegen het ontslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 24 juni 2014 (zaaknummer 14/3292) heeft de voorzieningenrechter verzoekers verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen.

Verzoeker heeft zich op 12 mei 2014 bij verweerder gemeld voor het aanvragen van een ZW-uitkering met ingang van 1 mei 2014.

4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan verzoeker meegedeeld dat geen voorschot op grond van de ZW wordt verstrekt, omdat door het ondernemen van juridische stappen tegen het ontslag door verzoeker onduidelijkheid bestaat over het recht op doorbetaling van loon.

5.

Verzoeker voert aan dat het bezwaar tegen het ontslagbesluit ingevolge het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen opschortende werking heeft, zodat er geen onduidelijkheid bestaat over de vraag of de aanstelling is beëindigd. Deze is beëindigd per

1 mei 2014 en dat staat vast, waardoor de Minister ook geen bezoldigingsverplichting meer heeft. Daar is geen enkele onduidelijkheid over. Er bestaat geen belemmering om verzoeker een ZW-uitkering toe te kennen. Uit de Memorie van Toelichting en verweerders eigen beleid blijkt duidelijk dat met de artikelen 29 en 47a van de ZW is bedoeld dat indien gedurende een periode van arbeidsongeschiktheid geen loon wordt betaald zonder dat het dienstverband (voor de ambtenaar aanstelling) is beëindigd, de werknemer zijn werkgever zal moeten aanspreken tot het doorbetalen van het loon. Uit de artikelen kan niet anders worden geconcludeerd dat verzoeker met ingang van 1 mei 2014 een (voorschot) ZW-uitkering moet worden toegekend.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat op grond van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 47a, eerste lid, van de ZW, geen voorschot wordt verstrekt op het moment dat er onzekerheid bestaat over het recht op bezoldiging. Dat werkgever en werknemer op grond van artikel 6:16 van de Awb onderling handelen volgens het ontslagbesluit maakt niet dat daarmee geen onzekerheid bestaat over de vraag of dit rechtens juist is en of inderdaad geen recht (meer) op bezoldiging bestaat. Aan die onzekerheid komt pas een einde na afronden van de procedures over het ontslagbesluit.

6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het primaire besluit ziet op de weigering van een voorschot ingevolge de ZW en dat een inhoudelijke beoordeling door verweerder van verzoekers aanvraag voor een ZW-uitkering nog niet heeft plaatsgevonden.

7.

Bij de beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter voorop dat in artikel 4:95 van de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot kan verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Artikel 47a, eerste lid, van de Ziektewet is zo’n ander wettelijk voorschrift. Daarin is bepaald dat geen voorschot wordt betaald indien onzekerheid bestaat over het recht op loon als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of het recht op bezoldiging op grond van artikel 76a, eerste lid, van de Ziektewet, welke laatste bepaling ambtenaren als verzoeker betreft. Gelet op het uitzonderingskarakter van genoemd artikel 47a, eerste lid, dient deze bepaling strikt te worden uitgelegd.

8.

Strikt genomen bestaat er omtrent het recht op bezoldiging ten tijde van het primaire besluit geen onzekerheid over het recht op bezoldiging. Het ontslagbesluit is immers in werking getreden en het daartegen gemaakte bezwaar heeft geen schorsende werking, waarmee vaststaat dat geen recht op bezoldiging bestaat. Daar komt nog bij dat het verzoek om voorlopige voorziening inzake het ontslag na het primaire besluit is afgewezen, zodat ook thans geen onzekerheid bestaat. Dat het ontslagbesluit niet in rechte onaantastbaar is maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat onzekerheid bestaat over het recht op bezoldiging.

De wetsgeschiedenis wijst er naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet eenduidig op dat de wetgever met artikel 47a, eerste lid, van de ZW mede het oog heeft gehad op een geval als het onderhavige, waarin geen dispuut bestaat over het recht op bezoldiging (tijdens ziekte) maar over het al dan niet terecht beëindigen van de dienstbetrekking. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan zou verzoeker gedurende langere tijd noch aanspraak hebben op een uitkering of voorschot, noch op betaling van bezoldiging. Dat dit een consequentie is die de wetgever voor lief heeft willen nemen, acht de voorzieningenrechter niet af te leiden uit de wetsgeschiedenis.

9.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het primaire besluit naar verwachting geen stand zal kunnen houden wegens het daarbij hanteren van een onjuiste maatstaf.

Verzoeker heeft gevraagd bij wijze van voorlopige voorziening een voorschot te laten verstrekken ter hoogte van het recht op uitkering krachtens de ZW.

10.

Dan is van belang of sprake is van een situatie in de zin van artikel 4:95 van de Awb: of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld. Verweerder heeft geen andere weigeringsgronden genoemd en is niet naar de zitting gekomen om een toelichting te geven. Ook anderszins ziet de voorzieningenrechter geen redenen die aan voorschotverlening in de weg staan.

11.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om aan verzoeker met ingang van 2 juli 2014 (de datum waarop het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan) een voorschot toe te kennen ter hoogte van 70% van het maximum uitkeringsdagloon van € 197,74, zijnde

€ 138,42 bruto per dag.

12.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974. (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het primaire besluit tot zes weken na verzending van de beslissing op het bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker met ingang van 2 juli 2014 voorschotten van

€ 138,42 bruto per dag worden verstrekt;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 987.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Vermeulen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.L. Verwijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.