Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4743

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-07-2014
Datum publicatie
28-07-2014
Zaaknummer
C/05/264881 / KG ZA 14-251
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Burenrecht. Artt. 6:162 en 5:37 BW, onrechtmatige hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/264881 / KG ZA 14-251

Vonnis in kort geding van 17 juli 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M.C. Molenaar te Apeldoorn,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. A. van Weverwijk te Geldermalsen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. [eiser] zal worden aangeduid in meervoud nu [partner van eiser], die geen eiseres is in deze procedure, ter zitting de nodige toelichting heeft gegeven.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties

  • -

    de producties van [gedaagden]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [gedaagden].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagden] zijn buren. [eiser] zijn eigenaar van en woonachtig aan [adres 1] en [gedaagden] zijn eigenaar van en woonachtig aan [adres 2].

2.2.

De woningen van partijen zijn gelegen in het gebied dat valt onder de regels van het bestemmingsplan [plaats] Oost, zoals dat is vastgesteld in de raadsvergadering van de [gemeente] van 16 oktober 2013. In dit bestemmingsplan is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

4 Planbeschrijving

(…)

4.1.1

Wonen & aan huis gebonden beroepen en bedrijven

(…)

Binnen dit bestemmingsplan is ruimte geboden voor uitbreidingen aan de achterzijde van de percelen, behorend bij de woningen. Er is flexibiliteit in de maatvoering aangebracht, bijvoorbeeld door ruime bouwvlakken. De voorste grens van de bouwvlakken is gesitueerd op de voorgevellijn van de (bestaande) woningen. De bouwvlakken kennen een vaste diepte afhankelijk van het type woning:

  • -

    10 m aaneengebouwde woningen;

  • -

    12 m bij half vrijstaande woningen;

  • -

    15 m bij vrijstaande woningen.

(…)

Artikel 25 Wonen

(…)

25.2

Bouwregels

(…)

25.2.2.

Aan- en uitbouwen en bijgebouwen
Voor het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen gelden de volgende regels:

a de gezamenlijke oppervlakte, voorzover gebouwd buiten het bouwvlak, bij een hoofdgebouw mag niet meer dan 50 m² bedragen, mits de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 50% van de oppervlakte van het achter het bouwvlak gelegen gronden binnen het bouwperceel bedraagt;

b in afwijking van sub a mag de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen en de bijgebouwen bij een hoofdgebouw op bouwpercelen groter dan 1.000 m², niet meer dan 70 m² bedragen, met inachtneming van de overige regels in sub a;

c de goothoogte van een aan- en uitbouw mag niet meer bedragen 3 m dan wel de hoogte van de begane grondlaag van het hoofdgebouw, voor zover deze meer bedraagt dan 3 m;

d (…)

e (…)

f de bouwhoogte van een aan- en uitbouw en een bijgebouw mag niet meer dan 2 m boven de maximaal toegestane goothoogte bedragen.

2.3.

Het erf van [gedaagden] is gelegen ten oosten van het erf van [eiser]. De erven liggen vrijwel pal op het zuiden. De tuin van [eiser] is ongeveer 35 m diep.

2.4.

Aan de westzijde van hun erf hebben [eiser] een uitbouw aangebracht van ongeveer 3 m hoog en 2.75 m lang, gevolgd door een scheidsmuur van ongeveer 2 m hoog en gevolgd door een muur van de garage van hun buren van ongeveer 2.5 m hoog, die feitelijk als een verlenging van de scheidsmuur oogt.

2.5.

[gedaagden] hebben [eiser] in kennis gesteld van hun plannen om aan de achterzijde van hun woning een aanbouw te realiseren over de gehele breedte van hun perceel. [eiser] hebben hieromtrent contact opgenomen met de [gemeente]. Medio mei 2014 is [naam], bouwinspecteur van de [gemeente], bij [gedaagden] en [eiser] langs geweest in een poging om tussen de buren te bemiddelen met betrekking tot de aanbouw. Deze bemiddelingspoging heeft gefaald.

2.6.

Bij brief van 16 mei 2014 hebben [gedaagden] onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:

Aangezien de persoonlijke gesprekken tot op heden niet hebben geleid tot overleg, doen wij schriftelijk nog een laatste poging.

Naar ons idee zijn er twee mogelijkheden.

  1. Het scheidingsmuurtje tussen ons in wordt met goedkeuring van jullie verwijderd, waarna er een nieuwe muur, op ons perceel, voor terug komst. Deze zal aan jullie zijde, na overleg met de aannemer over de steensoort, netjes afgewerkt worden. Wensen zoals een ophangpunt voor een plantenbak o.i.d. kunnen daarin meegenomen worden.

  2. U verleent geen toestemming voor verwijderen van het muurtje, waardoor er een tweede muur naast zal komen. Daardoor kan de muur van onze aanbouw niet afgewerkt worden en zal het uitzicht niet fraai worden. Aangezien de muur op ons perceel staat, mag deze niet door anderen bewerkt/aangepast worden.

Onze aannemer start maandag 19 mei a.s. met de werkzaamheden. Mochten we daarvoor niets van jullie vernomen hebben, dan gaan wij er vanuit dat de huidige muur blijft staan.

2.7.

Eind mei 2014 is de aannemer van [gedaagden] begonnen met het bouwen van de aanbouw. De muur van de aanbouw aan de zijde van het erf van [eiser] is op een afstand van 10 cm van de scheidsmuur/schutting van [eiser] opgetrokken. De aanbouw, waarvan de ruwbouw thans is gerealiseerd, is 2.94 m hoog en 5 m lang.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de bouwwerkzaamheden te staken en gestaakt te houden en een begin van uitvoering te maken of te laten maken met de afbraak van het reeds gebouwde als gevolg van de ondernomen bouwactiviteiten met betrekking tot de nieuwe aanbouw en de afbraakwerkzaamheden binnen vier weken nadien volledig te volbrengen en over te gaan tot herstel van de oude situatie, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] na betekening van dit vonnis in gebreke blijven om daaraan te voldoen, met een maximum van € 100.000,00. Daarnaast vorderen [eiser] een veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voldoende uit de stellingen van [eiser] voort.

4.2.

Tussen de partijen is niet in geschil dat de aanbouw zoals [gedaagden] die thans realiseren in overeenstemming is met het bestemmingsplan en niet vergunningplichtig is. Dat laat onverlet dat de aanbouw onrechtmatige hinder kan toebrengen aan [eiser]. Dat hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer moet worden rekening gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. Het bestemmingsplan kan echter meer of minder sterke aanwijzingen bevatten dat, voor zover het gaat om elementen die in het bestemmingsplan regeling hebben gevonden, het gebruik maken van de toegestane bouwmogelijkheden naar maatschappelijke opvattingen niet als onrechtmatige hinder is te beschouwen.

4.3.

Dat de aanbouw van 2.94 m hoog en 5 m lang over vrijwel de gehele breedte van het perceel de toetreding van dag- en zonlicht in het huis en in de tuin van [eiser] en het uitzicht van [eiser] vanuit hun woning zal beperken ten opzichte van de situatie voordien, is voldoende aannemelijk en ook niet in geschil. In die zin is sprake van hinder. Daarmee is echter niet gezegd dat die hinder uitgaat boven hetgeen [eiser], alle omstandigheden in aanmerking genomen, zullen moeten dulden. Van belang is in de eerste plaats dat de achtertuinen van [eiser] en [gedaagden] nagenoeg pal op het zuiden liggen. De zijmuur van de aanbouw van [gedaagden], staat dus aan de oostzijde naast de erfgrens. Dat betekent dat de beperking van toetreding van zon en daglicht alleen in de ochtend plaatsvindt. Gezien de lengte van de aanbouw en de hoogte ervan is voorshands aannemelijk dat de zon, afhankelijk van het seizoen, in de loop van de ochtend vanuit zuidoostelijke richting boven en achter de aanbouw zal uitkomen in de richting van de achtergevel van [eiser]. Hun stelling dat zij tot 13.00 a 14.00 uur van zon op hun achtergevel en hun zich daarvoor bevindende terras verstoken blijven, hebben [eiser] niet met enig bewijsstuk (zoals een rapport van een bezonningsstudie) onderbouwd. Verder is het zo dat de achtertuin van [eiser] zeer diep is. De beperking van toetreding van zonlicht is slechts een fractie van de totale hoeveelheid zon, licht en lucht die zij in hun tuin ontvangen.

4.4.

Aannemelijk is verder dat [eiser] een deel van hun uitzicht (op verder weg gelegen hoge bomen en de lucht) in oostelijke richting vanuit de achterkamers van hun huis zullen verliezen. In plaats daarvan komt uitzicht op een blinde muur. Aan de hand van de overgelegde foto’s en de daarop gegeven toelichting valt op te maken dat hen dit uitzicht niet geheel wordt ontnomen. De muur van de aanbouw reikt tot en met het vierde houten schot van de erfafscheiding. Gezien de foto die vanuit de zitkamer op de begane grond van [eiser] is genomen, blijft er achter en boven het achterste gedeelte van de aanbouw enig uitzicht over. [eiser] hebben verder nog gesteld dat de zomertemperatuur in hun woning met zeven graden Celsius is gedaald ten opzicht van de situatie voordien. Die stelling hebben zij op geen enkele manier met bewijsstukken onderbouwd.

4.5.

Het is onmiskenbaar zo dat er een ‘kokereffect’ aan weerszijden van de achtergevel van [eiser] optreedt. Dat komt omdat zij aan de westelijke zijde zelf een uitbouw van circa 3 m hoog en 2.75 m lang hebben, gevolgd door een scheidsmuur die ongeveer 2 m hoog is en gevolgd door de zijmuur van circa 2.5 m hoog van de garage van hun buren aan de westzijde. [eiser] kunnen moeilijk de gehele verantwoordelijkheid voor het ontstaan van een dergelijk ‘kokereffect’ bij [gedaagden] leggen, omdat dit effect voor minstens een even groot deel wordt veroorzaakt door de bestaande situatie aan de westzijde, die [eiser] voor een deel zelf in het leven hebben geroepen.

4.6.

Uit het bestemmingsplan blijkt dat het ruimte beoogt te bieden voor uitbreidingen aan de achterzijde van de percelen behorend bij de woningen en dat flexibiliteit in de maatvoeringen is aangebracht onder andere door ruime bouwvlakken afhankelijk van het type woning en de bebouwingsmogelijkheden buiten het bouwvlak afhankelijk van de grootte van het perceel. Voor aaneengebouwde woningen is de diepte van het bouwvlak aanmerkelijk geringer dan voor half- of geheel vrijstaande woningen. Van belang is verder dat de woningen van de partijen zijn gelegen in stedelijk gebied, met relatief kleine woningen en grote tuinen. In die situatie ligt aanbouw voor de hand als middel tot verbetering van de kwaliteit van de woonsituatie. Kennelijk heeft het bestemmingsplan met het oog hierop ook in tamelijk ruime mogelijkheden tot aanbouw willen voorzien. Uit de overgelegde overzichtsfoto blijkt dat vele huizen in de aaneengebouwde rij voorzien zijn van tamelijk grote uitbouwen over de gehele breedte van het perceel. De keerzijde daarvan is dat bewoners een zekere mate van hinder in de vorm van vermindering van zon, licht en uitzicht door elkaars uitbouwen zullen moeten dulden.

4.7.

Het specifieke belang van [gedaagden] bij deze uitbouw is erin gelegen dat zij hun beperkte leefruimte ten behoeve van bewoning met een gezin met drie kinderen kunnen uitbreiden. Dat is op zich een honorabel belang. Zij stellen dat zij voorafgaande aan de bouw met [eiser] hebben willen overleggen over de aanbouw om te zien of zij aan wensen van [eiser] tegemoet zouden kunnen komen, maar dat [eiser] niet open stonden voor enig overleg. [eiser] betwisten dat en stellen op hun beurt dat zij het bouwplan als een voldongen feit kregen gepresenteerd. Wie op dit punt gelijk heeft kan in dit kort geding niet worden vastgesteld. [eiser] hebben overigens verder zelf noch voordat de bouw van start ging (noch in dit kort geding) suggesties gedaan voor wijzigingen (kleur en afwerking van de muur, hoogte, lengte en soort dak van de uitbouw enz.) die tegemoet zouden kunnen komen aan hun belang. Bij gebreke daarvan kan thans geen rekening worden gehouden met mogelijke maatregelen ter beperking van hinder.

4.8.

Onder al deze omstandigheden kan niet worden aangenomen dat de hinder zodanig is dat die onrechtmatig is jegens [eiser] en uitstijgt boven hetgeen zij, alle omstandigheden in aanmerking genomen, redelijkerwijs zullen moeten dulden. De vorderingen zullen worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

4.9.

[eiser] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- griffierecht € 282,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.098,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.098,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2014.