Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4628

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-07-2014
Datum publicatie
23-07-2014
Zaaknummer
05/860555-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachten zijn veroordeeld voor (onder meer) handel in verdovende middelen, cocaïne. De rechtbank Gelderland legt op een gevangenisstraf voor de duur van 545 dagen, waarvan 285 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Meervoudige kamer

Parketnummer: [jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]05/860555-13

Uitspraak d.d. 23 juli 2014

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboortedatum],

wonende te [adres].

Raadsvrouw: mr. F. Kellouh, advocaat te ’s-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 augustus 2013, 11 oktober 2013, 7 januari 2014 en 9 juli 2014.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 9 juli 2014 is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2010 tot en met

23 april 2013 te Winterswijk en/of te Lichtenvoorde en/of te Arnhem en/of te Nijmegen en/of (elders) in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk aan één of meer personen (waaronder[getuige 4] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3]) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

Voorvragen

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting van 9 juli 2014 - samengevat - op het standpunt gesteld dat in het voorbereidend onderzoek sprake is van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. De vormverzuimen dienen afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, omdat sprake is van een bewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak tekort is gedaan, een en ander zoals verwoord in haar overgelegde pleitnota.


De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de raadsvrouw gevoerde verweren dienen te worden verworpen nu in de onderhavige zaak geen sprake is van onherstelbare vormverzuimen.

De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende.

Blijkens vaste jurisprudentie kan niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie slechts volgen indien sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank zal in het onderstaande allereerst ingaan op de door de raadsvrouw gestelde afzonderlijke verzuimen en vervolgens ingaan op haar betoog dat, ook indien de afzonderlijke door de raadsvrouw gestelde verzuimen onvoldoende aanleiding zouden vormen voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, deze verzuimen als geheel en in samenhang met elkaar bezien wel aanleiding zouden moeten vormen voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

Onvoldoende verdenking voor start onderzoek (artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering)

De raadsvrouw heeft gesteld dat er onvoldoende verdenking tegen verdachte was voor de start van het onderzoek. Nu dit enkel was gebaseerd op summiere CIE meldingen en waarvan bij één melding de betrouwbaarheid niet is gebleken.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vooropgesteld dient te worden dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie (vgl. HR 5 januari 2010, LJN BK3201). De beantwoording van de vraag of dergelijke informatie toereikend is, is in belangrijke mate afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van omstandigheden van het geval. In het onderhavige geval was de informatie vervat in vijf meldingen bij de Criminele Inlichtingen Eenheid van de politie Winterswijk (hierna: CIE). De in die meldingen vervatte gegevens waren voldoende concreet en specifiek voor het opstarten van het onderzoek. Dat niet altijd een oordeel omtrent de betrouwbaarheid kan worden gegeven, doet daar niet aan af. Op basis van de CIE-informatie kon ten aanzien van de verdachte gerede verdenking ontstaan dat deze zich schuldig had gemaakt aan het plegen van strafbare feiten. De CIE-informatie heeft gediend tot inzet van bijzondere opsporingsmethoden. De rechtbank is niet gebleken van onjuiste formaliteiten, zodat niet aannemelijk is geworden dat verdachte in zijn belangen is geschaad. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen nu geen sprake is van een vormverzuim.

Verzending DVD met tapgesprekken

De raadsvrouw heeft gesteld dat door het versturen van de tapgesprekken aan een onbekende derde privacygevoelige en zaaks relevante informatie open en bloot op straat is komen te liggen.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat de onjuiste verzending van een DVD met zaaksinformatie geen vormverzuim oplevert. In de visie van de rechtbank is er sprake van een administratieve onvolkomenheid. Niet is gebleken dat verdachte hierdoor nadeel heeft ondervonden of in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen nu geen sprake is van een vormverzuim.

Getuigenverhoren door de politie

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de politie gehoorde getuigen onder druk zijn gezet, zijn gemanipuleerd en angst zijn aangejaagd.

De rechtbank overweegt het volgende.

Dat er in voorkomende gevallen tijdens een politieverhoor enige druk wordt uitgeoefend op getuigen is welhaast niet uit te sluiten Zolang er maar geen sprake is van ongeoorloofde druk waardoor een getuige zijn verklaring niet in vrijheid aflegt. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken niet aannemelijk is geworden dat de bedoelde getuigen door de politie onder een zodanige druk zijn gezet dat van een ongeoorloofde of onbehoorlijke en dus ontoelaatbare druk kan worden gesproken. Bij geen van de getuigen kan worden gesproken van een situatie waarin hij/zij zijn/haar verklaring niet in vrijheid heeft afgelegd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een vormverzuim en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

[getuige 1]

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat in strijd met het procesrecht is gehandeld nu na het opstellen en verstekken van het eindproces-verbaal verder is gerechercheerd op de persoon van verdachte en de medeverdachten.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit een nader overgelegd proces-verbaal van bevindingen is gebleken dat de politie [getuige 1] na sluiting van het onderzoek [naam onderzoek] heeft gehoord over computers. Terloops is door de politie gevraagd of hij drugs gebruikte en of hij computers heeft geruild tegen drugs. Niet kan worden vastgesteld dat [getuige 1] werd gehoord in het onderzoek [naam onderzoek]. De verklaring van [getuige 1] is in ieder geval niet specifiek gericht op verdachte en derhalve niet relevant voor zijn strafzaak. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook hier geen sprake is van een vormverzuim en verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Conclusie

De rechtbank stelt vast dat er in geen van de door de raadsvrouw genoemde gevallen sprake is van vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Evenmin kan worden gesproken over gevallen waarin sprake is van strijd met de goede procesorde waardoor verdachte in zijn verdedigingsbelangen is geschaad.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

In 2012 vond in horecagelegenheden in Winterswijk een aantal gewelddadige incidenten plaats als gevolg van het gebruik van cocaïne. Het vermoeden bestond dat de geweldsincidenten mede verband hielden met de handel in harddrugs. Na diverse meldingen bij de CIE is een onderzoek gestart onder de naam [naam onderzoek] met als doel door middel van tappen en observeren een beeld te krijgen van het handelen door verdachten om vervolgens een actiedag te plannen waarop de woningen en auto’s van de verdachten worden doorzocht en verdachten worden aangehouden. Op 23 april 2013 zijn verdachte en medeverdachten[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangehouden op verdenking van het handelen in verdovende middelen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht een en ander zoals verwoord in haar overgelegde schriftelijk requisitoir.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de handel in verdovende middelen.

De raadsvrouw heeft - kort weergegeven - vrijspraak bepleit nu het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, één en ander zoals verwoord in haar overgelegde pleitnota. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de getuigenverklaringen dusdanige tegenstrijdigheden en hiaten bevatten dat zij niet meer als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Niet kan worden aangetoond dat verdachte de in het dossier genoemde[verdachte] zou zijn. Temeer niet nu er na doorzoeking van het voertuig waarin verdachte zou hebben rondgereden, niets ter zake is aangetroffen dat duidt op de verkoop of het aanwezig hebben van drugs. Ook in de woning van verdachte is geen drugs aangetroffen. De raadsvrouw heeft vervolgens aangevoerd dat verdachte niet als medepleger kan worden beschouwd aan de handel in verdovende middelen nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten. Ten slotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de ten laste gelegde pleegperiode van drie jaren niet bewezen kan worden. Er zou slechts sprake zijn van een pleegperiode van één jaar en drie maanden, aldus de raadsvrouw.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In het kader van het opsporingsonderzoek zijn verschillende personen (afnemers) als getuige gehoord.

Door de politie is aan getuige [getuige 2] een foto2 getoond van verdachte, waarop [getuige 2] heeft verklaard: “De man met de oranje jas afgebeeld op de foto herken ik als de mij bekende[verdachte].”3 Door de politie is vervolgens een foto4 van medeverdachte[medeverdachte 1] (rechts) en medeverdachte [medeverdachte 2] (links) getoond, waarop [getuige 2] heeft verklaard: “Ik herken de linker man op de foto als zijnde de mij bekende [medeverdachte 1]. De man rechts op de foto herken ik ook. Deze ken ik echter niet van naam.”5

Getuige [getuige 2] heeft verder op 3 mei 2013 en 11 mei 2013 – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij[verdachte] (de rechtbank begrijpt verdachte) een aantal jaren vóór het verhoor heeft leren kennen en sinds een jaar of drie vóór het verhoor ongeveer 10 keer per jaar cocaïne bij[verdachte] en medeverdachte[medeverdachte 1] heeft gekocht.6 Verdachte en medeverdachte[medeverdachte 1] waren altijd samen. [getuige 2] had de indruk dat[verdachte] de leiding had. [getuige 2] betaalde altijd 50 euro per gram. Hij bestelde de cocaïne per sms-bericht.[verdachte] kwam vaak met een zwarte Seat of een witte Opel Astra. De jongen rechts op de foto, te weten medeverdachte[medeverdachte 1], zat vaak bij[verdachte] in de auto.7

[getuige 3] verklaart dat hij vanaf een paar maanden voor eind 2012, begin 2013 weer een paar keer drugs heeft gebruikt. Hij kocht de cocaïne altijd bij verdachte, medeverdachte[medeverdachte 1], of [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt medeverdachte [medeverdachte 2]). [getuige 3] zegt één telefoonnummer gehad te hebben en wist dat hij de verdachte en diens medeverdachten daarop kon bereiken. Hij heeft één keer bij[verdachte] gekocht. [getuige 3] heeft voornamelijk bij medeverdachte[medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] (medeverdachte [medeverdachte 2]) gekocht. Hij heeft één of twee keer cocaïne gekocht bij [medeverdachte 1] (medeverdachte[medeverdachte 1]). Een paar maanden vóór het verhoor heeft [getuige 3] verdachte en medeverdachte[medeverdachte 1] gezien tijdens een avondje uit. [getuige 3] was weggegaan. [getuige 3] kent verdachte van het voetbal. Zij hebben samen gespeeld, maar verdachte speelde op een gegeven moment op een hoger niveau.8

Door de politie is aan getuige [getuige 4] een foto9 getoond van verdachte, waarop [getuige 4] heeft verklaard: “Op deze foto staat[verdachte] afgebeeld.”10 Vervolgens is door de politie een foto11 getoond van medeverdachte [medeverdachte 2], waarop [getuige 4] heeft verklaard dat dit een jongen was die vaak bij[verdachte] was.12

Bij de rechter-commissaris heeft getuige [getuige 4] op 13 december 2013 nog – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij ongeveer vier á vijf jaar cocaïne heeft gebruikt. De afgelopen twee jaren heeft hij cocaïne gekocht bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]. Hij heeft verdachte en [medeverdachte 2] herkend op de door de politie getoonde foto’s. Op één van de foto’s herkende hij [verdachte].13 Bij [medeverdachte 2] had hij het laatste half jaar voordat verdachte en de medeverdachten werden aangehouden gekocht. [verdachte] had hij ongeveer twee jaar als leverancier meegemaakt. [getuige 4] belde altijd één telefoonnummer. Het was dan [verdachte] of de andere persoon die aan de telefoon kwam of een sms-bericht stuurde. Zij spraken dan een bepaalde plaats af, daar ontmoetten zij elkaar en dan werd het overhandigd.14

Door getuige [getuige 5] is op 24 april 2013 bij de politie het volgende verklaard, zakelijk weergegeven. Zij gebruikt al drie jaar cocaïne. Zij betaalde 50 euro per gram voor de coke. Zij haalde de cocaïne bij verdachte en medeverdachten[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Zij kent[verdachte] van het uitgaan in Winterswijk. De drie jongens zijn bevriend met elkaar.[verdachte] is de baas van de jongens.15

Ten aanzien van de periode van handelen merkt de rechtbank op dat er meerdere getuigen zijn gehoord die onderling afwijkende verklaringen over de duur van handelen hebben afgelegd. Dat verbaast ook niet nu niet aannemelijk is dat de getuigen allemaal in exact dezelfde periode drugs zullen hebben gebruikt en hebben afgenomen. De gebruikers weten niet meer precies in welke periode zij cocaïne van verdachte en medeverdachten hebben gekocht. Het heeft er alle schijn van dat er gedurende drie jaar is gedeald door verdachte. Alhoewel het er alle schijn van heeft dat verdachte gedurende een langere periode gedeald heeft, leidt de rechtbank uit de voormelde getuigenverklaringen af dat verdachte in ieder geval van april 2011 tot het moment van de aanhouding op 23 april 2013 heeft gehandeld in cocaïne. Voorts volgt uit de getuigenverklaringen dat er meerdere afnemers zijn die verschillende hoeveelheden drugs hebben gekocht bij verdachte. De rechtbank acht derhalve het tenlastegelegde feit bewezen voor de periode april 2011 tot en met 23 april 2013.

Gelet op de inhoud van het dossier is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat sprake is geweest van handel in cocaïne. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of sprake is van medeplegen van deze handel in cocaïne door verdachte. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen van getuigen blijkt niet dat sprake is van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking dat van medeplegen kan worden gesproken. De verdachte zal derhalve van het medeplegen worden vrijgesproken.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van het opzettelijk handelen in cocaïne door verdachte. Het tenlastegelegde wordt derhalve bewezen verklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2011 tot en met 23 april 2013 te Winterswijk en/of te Lichtenvoorde en/of te Arnhem en/of te Nijmegen en/of (elders) in Nederland, meermalen, opzettelijk aan personen (waaronder[getuige 4]) heeft verkocht en/of afgeleverd en en/of verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Daartoe heeft zij eveneens de gevangenneming van verdachte gevorderd.

De raadsvrouw heeft bij een eventuele bewezenverklaring van het feit primair bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis op te leggen. Subsidiair heeft zij bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf, zonder oplegging van enige bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de positieve ontwikkeling van verdachte en diens persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft werk en wordt binnenkort vader. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal verlies van werk, en dus van inkomen, betekenen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee jaren schuldig gemaakt aan de verkoop van harddrugs (cocaïne) in Winterswijk en omstreken. De handel in harddrugs vormt een bedreiging van de volksgezondheid, maar heeft daarnaast ook in maatschappelijk opzicht tal van negatieve gevolgen. Het is een feit van algemene bekendheid dat gebruikers van harddrugs hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de maatschappij ernstige schade en overlast wordt berokkend.

Verdachtes handelen heeft het mogelijk gemaakt dat een groep gebruikers werd voorzien van drugs. Verdachte heeft daardoor de gezondheid van die gebruikers in gevaar gebracht. Blijkbaar heeft de verdachte zich louter laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen.

De rechtbank acht daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting in Opiumwet zaken van het Landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS). De rechtbank gaat in onderhavige zaak uit van het dealen van gebruikershoeveelheden harddrugs op straat gedurende een periode van twee jaren met enige regelmaat.

Door verdachtes proceshouding heeft de rechtbank niet of nauwelijks inzicht gekregen in wat verdachte heeft bewogen te handelen in harddrugs. Verdachte heeft in ieder geval geen blijk gegeven van inzicht in zijn strafbaar handelen.

De rechtbank heeft verder bij de strafoplegging rekening gehouden dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een Opiumwet-delict.

De rechtbank merkt op dat zij een lagere straf oplegt dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat rekening met de omstandigheid dat een kortere pleegperiode is bewezenverklaard, verdachte is vrijgesproken van het medeplegen en dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn verbeterd. Een gevangenisstraf zal deze positieve ontwikkeling kunnen doorkruisen waardoor de kans op herhaling van delict gedrag kan worden versterkt. De forse voorwaardelijke gevangenisstraf dient er voor de ernst van de feiten te benadrukken en fungeert tevens als stok achter de deur, teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw bezig te houden met plegen van strafbare feiten.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 545 dagen, waarvan 285 dagen voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. De gevorderde gevangenneming zal de rechtbank afwijzen.

Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om een werkstraf op te leggen. De rechtbank zal een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren opleggen met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen.

In beslag genomen voorwerpen

Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de rechtbank over de in beslag genomen personenauto, een geldbedrag van € 1.700,- (nummers 1 en 2 op de beslaglijst) en twee mobiele telefoons, Samsung, dient te beslissen.

De officier van justitie heeft gevorderd om de onder verdachte in beslag genomen goederen, op de lijst van inbeslagname genummerd onder 1 en 2, en een gebruikte telefoontoestel verbeurd te verklaren. Het nieuwe telefoontoestel van het merk Samsung is reeds teruggegeven aan de verdachte, aldus de officier van justitie.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto, het geldbedrag van € 1.700,- en de gebruikte telefoon aan verdachte dienen te worden teruggegeven. De auto is niet van verdachte, maar van diens broer. Een geldbedrag van € 1.000,- is ook van de broer van verdachte. Het overige geld is van verdachte. Het nieuwe telefoontoestel is reeds teruggegeven aan verdachte, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt het volgende.

In het kader van het onderzoek tegen verdachte is bij de huiszoeking in verdachtes woning onder meer een personenauto, een hoeveelheid geld, en twee mobiele telefoons aangetroffen. Deze voorwerpen zijn op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering inbeslaggenomen. Op de personenauto en het geldbedrag is tevens conservatoir beslag gelegd. Dat op goederen naast klassiek beslag ook conservatoir beslag rust, betekent naar het oordeel van de rechtbank, gelet op artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering, niet dat de rechtbank over deze goederen geen beslissing behoeft te nemen.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven telefoontoestel, kleur: wit, Samsung Galaxy 3, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid.

De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De rechtbank zal van de navolgende in beslag genomen en voor zover nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een telefoontoestel:

- 1.00 STK Telefoontoestel kleur: zwart, Samsung Galaxy 3 2013, nieuw toestel;

Beslaglijst nummer

1 1.00

1.00 STK Personenauto [kenteken], Seat Leon 2006, kleur: zwart Seat Leon met

Kenteken [kenteken];

2

Geld Nederlands, Geldbedrag 1700 euro, d.d. 23 april 2013;

(formeel) de teruggave gelasten aan de rechthebbende nu deze goederen niet direct in verband te brengen zijn met het tegen verdachte bewezen verklaarde feit en dienen te worden teruggegeven.

De rechtbank overweegt hierbij ten overvloede (om misverstanden te voorkomen) dat deze beslissing tot teruggave onverlet laat dat op een deel van de goederen nog conservatoir beslag rust, waardoor de goederen naar het zich laat aanzien niet zullen worden teruggegeven zolang het conservatoir beslag niet is opgeheven

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen:

- 10, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 33, 33a, en 91 van het Wetboek van Strafrecht

- 2, 10 en 13 van de Opiumwet; Beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

 verklaart verdachte strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 545 (vijfhonderdvijfenveertig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 285 (tweehonderdvijfentachtig) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 200 (tweehonderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen;

verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een telefoontoestel, kleur: wit, Samsung Galaxy 3;

 gelast formeel de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de veroordeelde, te weten:

  • -

    1.00 STK Telefoontoestel Kleur: wit, Apple Iphone, witte IPhone incl stoothoesje;

  • -

    1. 1.00 STK Personenauto [kenteken], Mercedes-Benz, C200 Cdi 2000 Kleur: grijs,

Incl kentekenbewijs 1a, 1b en 2 + 2 sleutels;

2. Geld Nederlands, geldbedrag 2.100 euro, d.d. 23 april 2013.

heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis;

wijst af de vordering tot gevangenneming.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Maanicus en Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 juli 2014.

Mr. Prisse en mr. Maanicus zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0646 2012169145, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, Team Winterswijk, gesloten en ondertekend op 6 juni 2013.

2 Een fotoblad als bijlage bij een proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2], p. 771.

3 Een proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2], p. 769.

4 Een fotoblad als bijlage bij een proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2], p. 772.

5 Een proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2], p. 769.

6 Een proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2], p. 776.

7 Een proces-verbaal van verhoor van getuige[getuige 2], p. 769 en 770.

8 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] d.d. 23 april 2013 (p. 690) en bij de rechter-commissaris, p. 4-6.

9 Een fotoblad als bijlage bij een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p. 751.

10 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p. 749.

11 Een fotoblad als bijlage bij een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p. 752.

12 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p. 749.

13 Een bijlage bij een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4], p. 751.

14 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris op 13 december 2013, p. 2 en 3.

15 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5], p. 742.