Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4580

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
AWB-14_986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap; naturalisatie; Guinee; geboorteakte; paspoort

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/986

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om naturalisatie afgewezen.

Bij besluit van 3 januari 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 1 juli 2014 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en P. Bari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Andric, werkzaam bij de IND, afdeling naturalisatie.

Overwegingen

1.

In verband met het verzoek om naturalisatie heeft eiser aan verweerder overgelegd een gelegaliseerd afschrift van een uittreksel uit het geboorteregister, afgegeven op 9 maart 2012 (verder ook: het uittreksel), en een Guinees paspoort, afgegeven op 19 januari 2012 (verder: het paspoort). Deze documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten van de IND. In de Verklaring van onderzoek van [naam], gedateerd 11 april 2013 (verder: de verklaring) is ten aanzien van de geboorteakte geconcludeerd dat dit document waarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, en ten aanzien van het paspoort dat dit document waarschijnlijk frauduleus is verkregen.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de identiteit en nationaliteit van eiser onvoldoende vaststaan om voor naturalisatie in aanmerking te komen.

2.

Artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) luidt als volgt:

“Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.”

Artikel 23, eerste lid, van de RWN luidt als volgt:

“Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet.”

De algemene maatregel van bestuur, als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de RWN, is het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (verder: het Besluit).

Artikel 31, eerste en vijfde lid, van het Besluit luiden als volgt:

“1. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de verzoeker betreffende zichzelf, voorzoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot:

a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;

b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;

c. adres, postcode en woonplaats;

d. geslacht;

e. nationaliteit of nationaliteiten;

f. tegenwoordige en, voorzoveel nodig, eerdere verblijfsrechtelijke status;

g. duur van huidige toegelaten verblijf in het Koninkrijk en, indien van toepassing, duur van eerder toegelaten verblijf in het Koninkrijk;

h. indien van toepassing, bestaan en duur van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel ontbinding daarvan, alsmede ten aanzien van de echtgenoot of partner de gegevens bedoeld onder a tot en met e;

i. geslachtsnaam en voornamen, plaats en datum van geboorte en van huwelijk van de ouders van de verzoeker;

j. indien van toepassing, de kinderen tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat;

k. indien van toepassing, bestaan, duur en plaats van samenleving met een Nederlander;

l. de overige gegevens die naar het oordeel van Onze Minister nodig zijn voor de beoordeling van het geval.

5.

De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. Hij kan tevens verlangen dat die aanvullende gegevens worden verstrekt indien dit naar zijn oordeel nodig is voor de beoordeling van het geval.”

3.

Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank er van uit dat, wanneer in Guinee een geboorte wordt aangegeven, een origineel uittreksel uit het geboorteregister wordt meegegeven, een “Volet No. 1, Extrait d’acte de naissance (à remettre au déclarant)” (verder: het originele uittreksel).

Het uittreksel dat eiser heeft overgelegd vermeldt in de aanhef eveneens “Volet No. 1, Extrait d’acte de naissance (à remettre au déclarant)”. Onderaan het uittreksel is vermeld: “POUR COPIE CERTIFIEE CONFORME”.

4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser ten tijde van de aanvraag van zijn paspoort moet hebben beschikt over het originele uittreksel, dat het uittreksel dat eiser heeft overgelegd een kopie is van het originele uittreksel zodat eiser ook toen over het originele uittreksel moet hebben beschikt, en dat het voor de vaststelling van de identiteit van eiser nodig is dat hij het originele uittreksel overlegt.

5.

Volgens het Algemeen Ambtsbericht Guinee van maart 2013 (verder: het algemeen ambtsbericht), paragraaf 2.4 onder “Paspoort”, kunnen paspoortaanvragen in het buitenland worden gedaan en dient bij de aanvraag onder meer te worden overgelegd een kopie van de geboorteakte en de identiteitskaart. Aanvankelijk heeft verweerder daarom aan eiser verzocht om ook zijn (Guineese) identiteitskaart over te leggen. Eiser heeft gesteld dat hij niet beschikt(e) over een identiteitskaart. In het besluit op bezwaar heeft verweerder dit laten vallen omdat op basis van nieuwe informatie bleek dat niet kan worden geconcludeerd dat noodzakelijkerwijs een identiteitskaart ten grondslag heeft gelegen aan de afgifte van het paspoort.

In beroep heeft eiser een kopie overgelegd van een aantal pagina’s uit “Fiche-pays Republique de Guinee” van de UNHCR van december 2008. In paragraaf 1.1.3 is – voor zover van belang – vermeld dat bij de aanvraag van een paspoort in het buitenland een Guineese identiteitskaart of (een kopie van) het uittreksel uit het geboorteregister moet worden overgelegd.

Gelet op het algemeen ambtsbericht en het stuk van de UNHCR acht de rechtbank in beginsel aannemelijk dat bij de aanvraag van een paspoort in het buitenland indien een identiteitskaart ontbreekt in ieder geval (een kopie van) het uittreksel uit het geboorteregister moet worden overgelegd.

Eiser heeft gesteld dat hij bij de aanvraag niet (een kopie van) het uittreksel uit het geboorteregister heeft overgelegd, maar dat hij een carte consulaire heeft verkregen waarmee het paspoort kon worden aangevraagd. Eiser stelt dat overlegging van een uittreksel uit het geboorteregister dus niet vereist was. Omdat eiser dit standpunt niet heeft onderbouwd volgt de rechtbank dit standpunt niet.

Ten tijde van de afgifte van het paspoort op 19 januari 2012 beschikte eiser nog niet over het uittreksel, dat hij immers pas op 9 maart 2012 heeft verkregen. Derhalve moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat eiser bij de aanvraag van het paspoort het originele uittreksel, of een kopie daarvan, heeft overgelegd.

6.

In de verklaring is met betrekking tot het uittreksel vermeld dat de gegevens in dit document op 9 maart 2012 zijn overgenomen van de originele akte van 18 oktober 1983 en dat de opmaak en afgifte van het document afwijkt.

Het uittreksel geeft een tekst weer die erop duidt dat dit de tekst is van een origineel Volet No.1 van 18 oktober 1983. Voorts staan onderaan het uittreksel de woorden “POUR COPIE CERTIFIEE CONFORME”, wat erop duidt dat het een kopie is conform het Volet No. 1 van 18 oktober 1983. Gelet hierop is niet onaannemelijk dat het uittreksel daadwerkelijk een kopie is van het Volet No. 1 van 18 oktober 1983.

Eiser heeft aangevoerd dat, indien het originele uittreksel in het ongerede raakt, een nieuw uittreksel kan worden verkregen, en dat het kan dat zo’n nieuw uittreksel wordt opgemaakt in een vorm alsof het een kopie van het originele uittreksel is. Het door hem overgelegde uittreksel zou zo’n nieuw uittreksel zijn en geen kopie van het originele uittreksel. Eiser heeft hiervoor geen onderbouwing gegeven. Bovendien valt niet in te zien waarom, indien het originele uittreksel er niet meer is, desondanks een uittreksel zou worden opgemaakt in een vorm alsof het een kopie van het originele uittreksel is. Voorts heeft de vertegenwoordiger van verweerder er terecht op gewezen dat het niet ongebruikelijk is dat daadwerkelijk een kopie van een origineel uittreksel wordt gemaakt, bijvoorbeeld om over te leggen bij de aanvraag van een ander document, zodat het feit dat eiser het uittreksel heeft verkregen geenszins betekent dat het originele uittreksel er niet meer is.

7.

Gelet op de rechtsoverwegingen 5 en 6 is de rechtbank van oordeel dat niet onaannemelijk is dat eiser ten tijde van de aanvraag van het paspoort en het verkrijgen van het uittreksel beschikte over het originele uittreksel. Daar komt nog bij dat in het dossier een telefoonnotitie aanwezig is, inhoudend dat eiser op 20 februari 2013 heeft gebeld met de IND en in dat gesprek heeft gezegd dat hij geen identiteitskaart heeft en dat hij het paspoort aan de hand van de geboorteakte heeft verkregen. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij niet gebeld heeft met de IND. Aangezien het telefoonnummer van de beller het telefoonnummer van eiser is, en niet valt in te zien waarom een telefoonnotitie zou zijn opgesteld door de IND als er niet gebeld is, gaat de rechtbank er van uit dat een telefoongesprek met eiser heeft plaatsgevonden met de inhoud zoals in de telefoonnotitie vermeld.

8.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser ter vaststelling van zijn identiteit het originele uittreksel dient over te leggen.

9.

Met betrekking tot de beroepsgronden van 1 juli 2014, die zien op het uittreksel, overweegt de rechtbank nog het volgende.

10.

Naar aanleiding van hetgeen in de beroepsgronden van 1 juli 2014 onder “Legalisatie” is aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

Eiser heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) van 20 juni 2012, 201101639/1/V1, gesteld dat verweerder, omdat het uittreksel gelegaliseerd is, van de formele echtheid van dat document had moeten uitgaan, en dat er geen reden was voor een onderzoek door Bureau Documenten.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder meegedeeld dat met de legalisatie van het uittreksel niets mis is. De rechtbank stelt voorts vast dat Bureau Documenten ook geen onderzoek heeft gedaan naar de legalisatie, maar naar de overige kenmerken van het document. Derhalve is sprake van een andere situatie dan in de hiervoor aangehaalde uitspraak, waarin immers door Bureau Documenten een onderzoek was verricht naar de legalisatie.

11.

Naar aanleiding van hetgeen in de beroepsgronden van 1 juli 2014 onder “Type document” is aangevoerd verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 6.

12.

Naar aanleiding van hetgeen in de beroepsgronden van 1 juli 2014 onder “Vergewisplicht” is aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2013, 201204918/1/V1, mocht verweerder zich baseren op de verklaring. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat, omdat het uittreksel een gelegaliseerd document is, verweerder zich niet op de verklaring zou mogen baseren.

Uit het primaire besluit en het besluit op bezwaar blijkt voorts dat verweerder zich niet alleen op het standpunt heeft gesteld – in navolging van de verklaring – dat het uittreksel waarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, maar ook en met name dat eiser niet het originele uittreksel heeft overgelegd terwijl dat er volgens verweerder wel moet zijn.

13.

Naar aanleiding van hetgeen in de beroepsgronden van 1 juli 2014 onder “Contra-expertise” is aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de brief van verweerder aan eiser van 5 augustus 2013, en de brief van eiser aan verweerder van 2 september 2013 treft deze beroepsgrond geen doel. Na de brief van 2 september 2013 lag het op de weg van eiser om, indien hij toch een contra-expertise wilde, verweerder daarvoor te benaderen.

Ter zitting heeft eiser meegedeeld dat hij graag in de gelegenheid wordt gesteld om alsnog een contra-expertise te laten verrichten. De vertegenwoordiger van verweerder heeft meegedeeld dat een contra-expertise op ieder moment mogelijk is, ook nu nog.

De rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden teneinde eiser de gelegenheid te bieden een contra-expertise uit te voeren en in deze procedure in te brengen. Eiser heeft in de brief van 2 september 2013 uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij eerst het verdere verloop wilde afwachten. Voor zover de negatieve uitkomst van de bezwaarprocedure aanleiding voor eiser was om een contra-expertise te willen laten verrichten, heeft hij daarvoor naar het oordeel van de rechtbank inmiddels ruimschoots de gelegenheid gehad.

14.

Aan het bestreden besluit ligt voorts ten grondslag dat het door eiser overgelegde paspoort niet geschikt is om zijn nationaliteit mee aan te tonen.

De rechtbank onderschrijft de overwegingen van verweerder in het bestreden besluit vanaf pagina 6, laatste 3 alinea’s, tot en met pagina 8, eerste 2 alinea’s.

Naar aanleiding van hetgeen in de beroepsgronden van 1 juli 2014 onder “Paspoort” is aangevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

Wat betreft de vraag welke stukken bij de aanvraag van een Guinees paspoort moeten worden overgelegd, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 5.

Wat betreft het standpunt van eiser dat hij een contra-expertise had willen laten verrichten, verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 13.

15.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. M. van der Linde en mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.