Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4544

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
AWB-14_502
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Arbobesluit; onvoldoende bewijs van overtreding; toedracht ongeval; overheaddeur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/502

Uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. R. de Kamper),

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te 's-Gravenhage, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder krachtens de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) aan eiseres een boete opgelegd van € 3.600.

Bij besluit van 6 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Namens eiseres zijn verschenen [namen], bijgestaan door de gemachtigde mr. R. de Kamper, werkzaam bij Anker Rechtshulp BV te Groningen. Verweerder is, met bericht vooraf, niet verschenen.

Overwegingen

1.

In het bedrijf van eiseres te Dinxperlo is op 7 februari 2013 een overheaddeur uit de geleiderails gevallen en op een werknemer terecht gekomen.

Aan de opgelegde boete ligt ten grondslag dat sprake was van een overtreding van artikel 3.2, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) omdat onvoldoende maatregelen waren getroffen om een veilige arbeidsplaats te waarborgen.

2.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbowet, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge artikel 16, tiende lid, van de Arbowet, voor zover thans van belang, zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet, voor zover thans van belang, wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

Artikel 3.2, eerste lid, van het Arbobesluit luidt als volgt:

“Arbeidsplaatsen zijn veilig toegankelijk en kunnen veilig worden verlaten. Ze worden zodanig ontworpen, gebouwd, uitgerust, in bedrijf gesteld, gebruikt en onderhouden, dat gevaar voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers zoveel mogelijk is voorkomen. Voorts worden zij zindelijk, zoveel mogelijk vrij van stof en voor zover de veiligheid van de arbeidsplaats dat vereist, ordelijk gehouden.”

Ingevolge artikel 9.1 van het Arbobesluit, voor zover thans van belang, is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn gesteld.

Ingevolge artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder c, van het Arbobesluit, voor zover thans van belang, wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 3.2.

3.

Met betrekking tot de oorzaak van het ongeval is in het primaire besluit het volgende opgenomen:

“Uit het onderzoek van de inspecteur is gebleken dat de overheaddeur uit de geleiderails is gevallen door een te grote belasting op een groot aantal verbindingsstukken tussen geleiderollen en deur. Deze overbelasting is ontstaan doordat één hefkabel van de deur naast de trommel heeft gelopen, hetgeen ondermeer leidde tot een blijvende vervorming van de hefkabel. Dit euvel werd niet opgemerkt en verholpen, noch waren andere doeltreffende maatregelen genomen.”

4.

Uit hetgeen door eiseres in de zienswijze, in bezwaar en in beroep is aangevoerd volgt dat zij zich op het standpunt stelt dat de oorzaak van het ongeval, zoals weergegeven in het primaire besluit, niet juist is. In dat verband heeft eiseres – onder meer – aangevoerd dat door de inspectie geen technisch onderzoek is gedaan, dat de deur niet meer zou functioneren indien de kabel naast de trommel zou hebben gelopen, en dat de arbeidsinspecteur ten onrechte met name op de verklaring van de monteur van [bedrijf] is afgegaan.

5.

Uit het citaat dat is weergegeven in rechtsoverweging 3 leidt de rechtbank af dat aan de oplegging van de boete ten grondslag ligt dat het ongeval is ontstaan doordat één van de hefkabels naast de trommel heeft gelopen en dat dit al enige tijd vóór het moment van het ongeluk zo was. Aldaar is immers vermeld: “Dit euvel werd niet opgemerkt of verholpen, (…)”.

Kennelijk heeft verweerde zich daarbij gebaseerd op de verklaring van de monteur van [bedrijf], die, voor zover van belang, als volgt luidt:

“Eén kabel van de deur moet naast de trommel hebben gelopen/gelegen. Dat is ook zichtbaar aan de blijvende vervorming van de hefkabels. Hoelang de kabel naast de trommel heeft gelegen kan ik niet zeggen. Het krakend op gang komen bij het sluiten van de deur zoals de getuige heeft verklaard duidt daar ook op. Normaal gesproken gaan deuren vrij geruisloos open en dicht.”

De getuige waarop wordt gedoeld is de getuige [naam], die, voor zover van belang, het volgende heeft verklaard:

“De deur ging in eerste instantie normaal naar beneden, een beetje krakend maar dat doet de deur volgens mij altijd als deze in beweging komt.”

6.

Reeds in de zienswijze van 10 juli 2013 heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de deur niet meer had kunnen functioneren als een hefkabel naast de trommel zou hebben gelopen. Gelet op de toelichting die de vertegenwoordigers van eiseres ter zitting hebben gegeven acht de rechtbank dit standpunt niet op voorhand onjuist of onaannemelijk.

Uit de verklaring van de monteur van [bedrijf] blijkt dat hij zijn conclusie dat één van de hefkabels naast de trommel moet hebben gelopen baseert op de blijvende vervorming van de hefkabel en op het krakend op gang komen bij het sluiten van de deur.

Uit die verklaring blijkt echter niet waarom de blijvende vervorming van de hefkabel erop zou duiden dat die kabel naast de trommel heeft gelopen, en evenmin waarom er niet een andere oorzaak zou kunnen zijn voor die vervorming en het ongeval.

Wat betreft het krakende geluid heeft de getuige [naam] verklaard dat de deur altijd een beetje krakend geluid maakt als deze op gang komt. Ter zitting hebben de vertegenwoordigers van eiseres eveneens meegedeeld dat de deur vanaf haar installatie altijd een beetje heeft gekraakt, maar niet op een manier dat zij dachten dat er iets mis was. Omdat er sprake is van een metalen geleidingsrail met wieltjes en omdat de deur uit kunststof lamellen bestaat die bewegen ten opzichte van elkaar vonden zij dat geen vreemd geluid.

Uit de verklaring van de monteur van [bedrijf] blijkt niet dat hij met de getuige [naam] heeft gesproken over de aard en het volume van het krakende geluid dat [naam] in zijn verklaring noemt. De monteur heeft bovendien verklaard dat de deuren normaal “vrij geruisloos” open en dicht gaan, en dus kennelijk niet geheel zonder geluid.

Gelet op een en ander acht de rechtbank het niet uitgesloten dat het in de getuigenverklaring van [naam] beschreven krakende geluid, alsmede het ter zitting beschreven kraken dat de deur al van begin af aan liet horen, bij het normale functioneren van die deur passende geluiden waren die er niet op hoefden te duiden/duidden dat een hefkabel naast zijn trommel liep.

Het had op de weg van verweerder gelegen om bij het primaire besluit of het besluit op bezwaar nader te onderbouwen dat het ongeval is ontstaan doordat een kabel naast de trommel heeft gelopen. Dat heeft verweerder niet gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het ongeval is ontstaan doordat een kabel naast de trommel heeft gelopen/gelegen. Nu verweerder deze toedracht ten grondslag heeft gelegd aan het standpunt dat artikel 3.2 van het Arbobesluit is overtreden, komt de grondslag aan de boete te ontvallen. Anders gezegd: er is onvoldoende bewijs dat artikel 3.2 van het Arbobesluit is overtreden.

7.

Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht dient de rechtbank zelf in de zaak te voorzien. Omdat niet is bewezen dat artikel 3.2 van het Arbobesluit is overtreden zal de rechtbank het primaire besluit herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

8.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, die zijn begroot op € 974 aan kosten van rechtskundige bijstand in beroep (2 punten,

€ 487 per punt). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. Ook dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 974;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 318 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. M. van der Linde en mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.