Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4543

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
25-07-2014
Zaaknummer
AWB-12_502
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 12/502

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

het College van Bestuur van de Maastricht University, verweerder

(gemachtigde: mr. S.F.J. ten Hoeve-Lucassen).

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder deels geweigerd de door eiseres op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gevraagde documenten te verstrekken, omdat de informatie al in een gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is en voor het overige eiseres verwezen naar een ander bestuursorgaan.

Bij besluit van 24 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en besloten de gevraagde documenten vanaf 2006 alsnog gedeeltelijk te verstrekken.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft de geweigerde documenten aan de rechtbank overgelegd, waarbij de mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft beslist dat beperking van de kennisneming van die documenten gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de rechtbank toestemming verleend om op grondslag daarvan uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Op de zitting zijn de zaken met de zaaknummers 12/1580, 12/581, 13/1545, 12/502, 12/1581, 12/844, 12/1049, 12/1347, 12/329, 12/339, 12/828 en 12/1752 gevoegd behandeld. Na de zitting is de behandeling van deze zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1.

De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Op 21 september 2011 heeft eiseres op grond van de Wob verzocht om informatie als bedoeld in artikel 10, eerste lid en vijfde lid, van het Dierproevenbesluit en een afschrift van de aangevraagde vergunningen in het kader van de Wet op de dierproeven (Wdp) alsmede de bij de aanvraag behorende bijlagen en de besluiten op de bijlagen vanaf 1 januari 2005. Verweerder heeft bij het primaire besluit voor wat betreft de documenten op grond van het Dierproevenbesluit verwezen naar de reeds openbare jaarverslagen op onder meer de website van de Nederlandse Voedsel en Waren autoriteit (NVWA).

2.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de gevraagde informatie die niet toegankelijk is via internet, vanaf het jaar 2006 alsnog verstrekt. Verweerder heeft de in de documenten vervatte persoonsgegevens, locatiegegevens, deelnemernummers, protocolnummers en aanduidingen van organisatorische werkeenheden geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob. Een deel van die gegevens is tevens geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de Wob. De vraagstelling die leidde tot het ontwerpen van de proef heeft verweerder eveneens geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, f en g, van de Wob. Aantekeningen in de sets 2008, 2009 en 2010 in kolom 17 van registratieformulier 3a en 5 aantekeningen zijn weggelakt op grond van artikel 11 van de Wob. Voorts zijn de protocollen die horen bij de jaarverslagen Dier Experimenten Commissie (DEC) niet verstrekt nu dit, gelet op de omvang, redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

3.

Eiseres heeft gemotiveerd betoogd dat verweerder de weigering van persoonsgegevens, locatiegegevens, deelnemernummers en aanduidingen van organisatorische werkeenheden op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, f, en g, van de Wob onvoldoende heeft gemotiveerd en dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat een belangenafweging is gemaakt.

4.

Ten aanzien van de persoonsgegevens van degenen die direct of indirect bij dierproeven zijn betrokken, is de rechtbank van oordeel dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef onder e, van de Wob en het belang van onevenredige benadeling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich voordoen. Dat personen waarvan bekend is dat zij betrokken zijn bij proefdieronderzoek kans lopen op onheuse bejegening door derden acht de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Verweerder mag ten aanzien van dergelijke persoonsgegevens voornoemde belangen in zijn besluitvorming zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank overweegt daarbij dat, nu niet valt uit te sluiten dat de acties van dierenextremisten zich (ook) zullen richten op de werkplek van personen die betrokken zijn bij dierproeven, ook de locatiegegevens en de aanduiding van organisatorische werkeenheden onder het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer vallen.

Op dezelfde gronden heeft verweerder ook mogen weigeren de namen van de leden en voorzitter van de DEC openbaar te maken. Voor deze personen geldt evenzeer dat zij kans lopen op onheuse bejegening in voormelde zin, indien hun persoonsgegevens openbaar worden gemaakt. De stelling van eiseres dat op grond van artikel 3:8 van de Awb de namen van deze personen vanwege hun hoedanigheid van adviseur openbaar moeten worden gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat artikel 3:8 van de Awb slechts betrekking heeft op het vermelden van de naam van een adviseur in een besluit dat op een advies in de zin van afdeling 3.3 van de Awb is gebaseerd. Van advisering of besluitvorming als bedoeld in die afdeling van de Awb is hier geen sprake.

Het weigeren om de vraagstelling te openbaren die leidde tot het ontwerp van de proeven heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank eveneens op deze weigeringsgronden mogen baseren, waarbij verweerder in het kader van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, heeft mogen meewegen dat het van belang is voor de betrokken onderzoekers dat hun onderzoeksideeën niet openbaar worden gemaakt, zodat zij als eerste met (de resultaten van) hun onderzoek naar buiten kunnen treden.

Nu verweerder voormelde gegevens reeds heeft mogen weigeren op de genoemde uitzonderingsgronden, behoeft geen bespreking meer of verweerder ten aanzien van die gegevens ook andere uitzonderingsgronden heeft mogen hanteren.

5.

Ten aanzien van de deelnemergegevens is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze gegevens om dezelfde redenen als hiervoor in rechtsoverweging 4 vermeld heeft mogen weigeren, voor zover deze betrekking hebben op namen en (adres)gegevens van organisatorische werkeenheden binnen de universiteit en derden ten behoeve waarvan verweerders universiteit onderzoek verricht.

Niet valt echter in te zien dat ten aanzien van de deelnemergegevens die betrekking hebben op de vergunninghouder, zijnde de naam en postadres van verweerders universiteit, de belangen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef onder e en g, van de Wob zich voordoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts niet aannemelijk gemaakt dat, of op welke wijze, aan de hand van de deelnemernummers identificatie van bij dierproeven betrokken personen kan plaatsvinden.

Derhalve is in zoverre niet deugdelijk onderbouwd dat de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob zich voordoen. Verweerder heeft derhalve ten onrechte geweigerd de deelnemernummers en de deelnemergegevens die zien op de vergunninghouder, te verstrekken. Het betoog van eiseres slaagt in zoverre.

6.

Eiseres heeft voorts betoogd dat verweerder op ondeugdelijke gronden heeft geweigerd de protocolnummers die in de documenten staan vermeld openbaar te maken. De rechtbank stelt vast dat die (aanvraag)nummers betrekking hebben op onderzoeksaanvragen en dat deze staan weergegeven in de kolom 14 van de formulieren dierproeven en in de tabellen van de jaarverslagen van de DEC. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook ten aanzien van deze nummers niet aannemelijk gemaakt dat, of op welke wijze, aan de hand daarvan informatie over de onderliggende aanvragen of onderzoeken kan worden achterhaald en evenmin dat met deze nummers identificatie van bij dierproeven betrokken personen kan plaatsvinden. De in artikel 10, tweede lid, aanhef onder e en g, van de Wob genoemde uitzonderingsgronden doen zich derhalve niet voor. Verweerder heeft de weigering naar het oordeel van de rechtbank evenmin kunnen baseren op artikel 10, tweede lid aanhef en onder f, van de Wob, nu de NVWA als geadresseerde ten tijde van belang reeds kennis heeft kunnen nemen van de onderhavige documenten. Verweerder heeft derhalve ook de protocolnummers ten onrechte niet openbaar gemaakt, zodat het betoog van eiseres slaagt.

7.

Eiseres heeft verder terecht aangevoerd dat verweerder de aantekeningen in kolom 17 van de registratieformulieren 3a en 5 over de jaren 2008, 2009 en 2010 niet heeft mogen weigeren op grond van artikel 11 van de Wob. De rechtbank stelt vast na kennisneming van de met toepassing van artikel 8:29 van de Awb overgelegde gegevens dat de in die kolommen weggelakte gegevens louter bestaan uit cijfers en uit een enkele mededeling van feitelijke aard. Naar het oordeel van de rechtbank is van persoonlijke beleidsopvattingen als bedoeld in artikel 11 van de Wob geen sprake, zodat verweerder deze gegevens niet op die grond heeft mogen weigeren.

8.

Eiseres heeft verder betoogd dat verweerder zonder nadere motivering heeft geweigerd een aantal passages uit jaarverslagen van de DEC openbaar te maken.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op blz. 28 van het jaarverslag 2006 gegevens heeft weggelakt die betrekking hebben op (neven)functies van een DEC-lid, en dat deze gegevens mogelijk kunnen leiden tot identificatie van het betreffende lid. Hoewel eiseres terecht aanvoert dat verweerder niet afzonderlijk heeft gemotiveerd waarom deze passage niet is openbaar gemaakt, ziet de rechtbank in zoverre geen grond voor vernietiging. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder in het bestreden besluit tot uitdrukking heeft gebracht geen gegevens openbaar te maken die herleidbaar zijn tot personen die bij dierproeven zijn betrokken.

Voorts heeft verweerder een passage weggelakt uit het jaarverslag 2008 (blz. 31), onder de rubriek “opmerkelijk in het jaar 2008”. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten aanzien van die passage in het verweerschrift heeft aangegeven dat deze is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit noch in het verweerschrift inzichtelijk gemaakt waarom het openbaar maken van deze passage tot onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden kan leiden. Derhalve is niet deugdelijk onderbouwd dat de in het verweerschrift genoemde uitzonderingsgrond zich voordoet. Het betoog van eiseres slaagt in zoverre.

9.

Eiseres heeft in het beroepschrift nog geageerd tegen de weigering van verweerder om stukken met betrekking tot het jaar 2005 en de onderliggende protocollen te verstrekken. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond laten vallen, maar heeft zij wel verzocht om vergoeding van de proceskosten vanwege de onduidelijke motivering van het besluit op dit punt. Nu uit voorgaande overwegingen volgt dat het beroep van eiseres gegrond is en daarom tot een proceskostenveroordeling zal leiden, behoeft de vraag of de motivering van het besluit op dit punt onduidelijk was naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking meer.

10.

Gelet op al het voorgaande is het beroep gegrond. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen en zal daarbij over de periode 2006-2010, voor zover niet anders vermeld, alsnog de navolgende informatie openbaar moeten maken:

- deelnemernummers;

- de deelnemergegevens die betrekking hebben op de vergunninghouder;

- de protocolnummers die staan vermeld in kolom 14 van de formulieren dierproeven en in de tabellen van de jaarverslagen van de DEC;

- de aantekeningen in kolom 17 van de registratieformulieren 3a en 5 (over de jaren 2008, 2009 en 2010);

- een passage uit het jaarverslag 2008 (blz. 31), onder de rubriek “opmerkelijk in het jaar 2008”.

Voorts zal verweerder de door eiseres in bezwaar gemaakte kosten dienen te vergoeden.

Nu de nieuwe beslissing verdergaande openbaarmaking van de verzochte documenten zal inhouden en dit op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wob gepaard dient te gaan met gelijktijdige verstrekking van deze gegevens, ziet de rechtbank geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

11.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 974 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een wegingsfactor 1) aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. Verder dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:74 van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de deelnemernummers,

de deelnemergegevens die betrekking hebben op de vergunninghouder,

de protocolnummers, de aantekeningen in kolom 17 van de registratieformulieren 3a en 5 (over de jaren 2008, 2009 en 2010) en een passage uit het jaarverslag 2008 (blz. 31), onder de rubriek “opmerkelijk in het jaar 2008 zijn geweigerd;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming rechtsoverweging 10. van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep ten bedrage van € 974;

- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 156 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, en mr. G.W.B. Heijmans en mr. J.L.W. Broeksteeg, leden, in aanwezigheid van de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.