Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4492

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
AWB-12_3798, 12_3799
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winst uit onderneming of Resultaat uit overige werkzaamheden.

Eiser staakt zijn landbouwonderneming. Tussenuitspraak: Landgoedpercelen en huiskavel zijn niet aangehouden in afwachting van geschikt moment verkoop, nu de bedoeling was deze om te vormen tot natuurschoon. Geen uit de onderneming stammende onzekerheid. Verweerder beroept zich niet op de foutenleer. De opbrengst van het in erfpacht uitgeven van de percelen is resultaat uit overige werkzaamheden. Met bestemmingswijziging is een meerwaarde beoogd die normaal, actief vermogensbeheer te boven gaat. Einduitspraak: Vaststelling resultaat uit overige werkzaamheden 2006 en 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1763
V-N Vandaag 2014/1520
Belastingadvies 2014/19.6
V-N 2014/54.3.1
mr.drs. G. Benning annotatie in NTFR 2014/2478

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/3798 en 12/3799

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 juli 2014

inzake

[X] , wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: mr. drs. [gemachtigde]),

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amersfoort, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd:

  • -

    een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2006 (aanslagnummer [000].H.67), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 521.771 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.638. Tevens is bij beschikking € 53.365 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    een aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 (aanslagnummer [000].H.76), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 576.787 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.028. Tevens is bij beschikking € 41.804 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 juni 2012 de belastingaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 25 juli 2012, ontvangen door de rechtbank op 27 juli 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2013. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A].

Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiser. Eiser heeft

verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage. De pleitnota’s en bijlage maken deel uit van het procesdossier.

Na sluiting van het onderzoek heeft verweerder nog een stuk ingebracht bij brief van 15 oktober 2013. Voorts hebben partijen bericht dat een nadere poging tot overeenstemming te komen niet tot resultaat heeft geleid.

Bij tussenuitspraak van 4 maart 2014 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Partijen hebben nader schriftelijk gereageerd. Deze reacties zijn over en weer toegezonden.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2014. Eiser is daar wederom in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn opnieuw [gemachtigde] en [A] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen en beslist in de tussenuitspraak van 4 maart 2014 en volhardt daarbij. Hetgeen in die uitspraak is overwogen en beslist dient als hier ingelast te worden beschouwd.

2. In geschil is thans nog de hoogte van het resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) in verband met de drie landgoedpercelen die eiser in 2006 en 2007 in erfpacht heeft uitgegeven. Doordat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de desbetreffende percelen vanaf het moment dat zij in erfpacht zijn uitgegeven zijn overgegaan naar box 3 (inkomen uit sparen en beleggen), dient tevens op de gevolgen voor de inkomstenbelasting in box 3 te worden ingegaan.

3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat voor de bepaling van de hoogte van het resultaat uit overige werkzaamheden voor de beginbalans van de datum 1 januari 2003 kan worden uitgegaan, maar dat niet voldoende helder is wat er tot het ROW-vermogen dient te worden gerekend. Op grond van hetgeen partijen nader hebben toegelicht is thans voldoende duidelijk dat het gaat om drie percelen met een oppervlakte van in totaal 15,1 ha. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank te worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Er is geen aanleiding aan te sluiten bij de waarde in het economische verkeer met agrarische bestemming (WEVAB). Per 1 januari 2003 was de landbouw-onderneming van eiser immers gestaakt. Eiser heeft zich erop beroepen dat in onderhandelingen tussen partijen telkens is uitgegaan van de WEVAB en dat verweerder daarop thans niet kan terugkomen. De rechtbank wijst erop dat niet is komen vast te staan dat partijen op enig moment een bewuste keuze hebben gemaakt voor hantering van de WEVAB. Partijen hebben bovendien geen overeenstemming bereikt. Daarmee is de vraag welke waarde (waarde in het economische verkeer of WEVAB) het uitgangspunt vormt, alsmede de hoogte daarvan, nog onderwerp van geschil. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat dient te worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer en eiser betwist dit in feite ook niet, maar wil de in het overleg gehanteerde bedragen dienovereenkomstig omrekenen. Partijen hebben echter een gezamenlijke opdracht tot taxatie gegeven aan [A] en [B]. Uit het taxatierapport dat zij hiervan hebben opgemaakt, gedateerd 6 april 2004, blijkt een getaxeerde waarde in het economische verkeer voor de cultuurgrond van € 1.050.000. Daarbij is uitgegaan van een oppervlakte van 16.25.00 ha. Uitdrukkelijk is daarbij rekening gehouden met de plannen voor de ontwikkeling van een landgoed. De rechtbank zal dan ook dit bedrag als uitgangspunt hanteren en evenredig toerekenen aan de 15,1 ha. grond die tot het ROW-vermogen per 1 januari 2003 dient te worden gerekend. Dit betekent dat de waarde van de percelen wordt bepaald op 15,1/16,25 x € 1.050.000 = € 975.692, wat neerkomt op € 325.231 per kavel.

4. Verweerder heeft zich beroepen op interne compensatie, nu een bedrag van € 320.000 aan stakingswinst nooit in de heffing betrokken is geweest. In de tussenuitspraak van 4 maart 2014 heeft de rechtbank overwogen dat de boekwinst in het belastingjaar 2002 in de belastingheffing betrokken had dienen te worden. Naar de rechtbank begrijpt, wenst verweerder de waarde waarover in 2002 niet is geheven bij de aanvangswaarde op de beginbalans van het ROW-vermogen per 1 januari 2003 op te tellen. Het leerstuk van interne compensatie, dat betrekking heeft op de compensatie van te veel en te weinig geheven belasting binnen een belastingjaar, leent zich echter niet voor toepassing op de door verweerder voorgestane wijze.

5. Partijen zijn het erover eens dat het bedrag aan kosten in totaal € 1.050.000 beloopt. Verweerder stelt dat daarop een bedrag in mindering dient te worden gebracht, nu het totaalbedrag betrekking heeft op de oorspronkelijke 16,25 ha. Van die grond is - zo is niet in geschil - een deel aan de huiskavel toegevoegd. Deze huiskavel behoort gelet op de tussenuitspraak niet tot het ROW-vermogen. Verweerder is van mening dat aannemelijk is dat een deel van de kosten betrekking heeft op de grond die bij de huiskavel is gevoegd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling. Eiser heeft gewezen op het feit dat een bedrag van € 52.000 aan sloopkosten dat betrekking heeft op opstallen op de huiskavel al buiten beschouwing is gelaten. Daarmee heeft eiser de stelling van verweerder gemotiveerd betwist, en verweerder heeft zijn standpunt niet nader onderbouwd. Het gehele bedrag van € 1.050.000 wordt dan ook als kosten meegenomen. De rechtbank zal conform de overeenstemming van partijen € 106.534 toerekenen aan 2006 en het restant van € 943.466 aan 2007.

6. Partijen zijn het er voorts over eens dat het in 2005 aangelegde pad niet heeft geleid tot een meerwaarde.

7. Ter zake van de eindwaarde hebben partijen zich in de stukken weliswaar nader uitgelaten, maar de rechtbank had in de tussenuitspraak daarvoor geen gelegenheid geboden, nu partijen daarover reeds voldoende naar voren hadden gebracht. De nadere opmerkingen leiden de rechtbank ook niet tot andere inzichten. Ten onrechte leidt eiser uit de overwegingen van de rechtbank in de tussenuitspraak af dat zou moeten worden uitgegaan van de waarde in “erfverpachte staat” (wat van die term verder ook zij). De waardering van de percelen dient plaats te vinden een ondeelbaar moment voordat de grond overgaat naar box 3, derhalve onbelast met erfpacht.

8. Verweerder heeft de erfpachtsrechten gewaardeerd op € 980.000. Eiser heeft deze waardering gemotiveerd betwist en gesteld dat de waarde € 800.000 bedraagt. Weliswaar heeft verweerder die waarde op zijn beurt betwist, maar hij heeft de door hem bepleite waarde van € 980.000 per kavel niet nader onderbouwd. Kennelijk berust deze waardering op het feit dat voor twee kavels een erfpachtcanon van € 35.000 per jaar is afgesproken, terwijl voor de derde kavel een bedrag ineens van € 490.000 is betaald en daarnaast een erfpachtcanon van € 17.500 per jaar is afgesproken. Daarin zitten twee aannames, te weten dat de drie kavels vergelijkbaar zijn en dat een bedrag van € 490.000 ineens gelijkgesteld kan worden met een jaarlijks (niet meer verschuldigde) canon van € 17.500. Die aannames zijn niet nader onderbouwd. De bewijslast ter zake van de aanwezigheid van belastbaar inkomen uit overige werkzaamheden ligt bij verweerder. Dit brengt mee dat ook de bewijslast ter zake van de waarde per kavel bij verweerder ligt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat deze waarde € 980.000 bedraagt. Nu eiser uitgaat van een waarde van € 800.000 per kavel en verweerder het meerdere niet aannemelijk heeft gemaakt, wordt uitgegaan van de door eiser genoemde waarde.

9. Het voorgaande leidt tot de volgende opstellingen. In 2006, het jaar waarin de eerste kavel in erfpacht is uitgegeven, heeft eiser in dit verband een resultaat uit overige werkzaamheden behaald van € 368.235. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Eindwaarde kavel

€ 800.000

Beginwaarde kavel

€ 325.231

Kosten

€ 106.534 -/-

Resultaat

€ 368.235

10. Rekening houdend met het overige inkomen in box 1, dat blijkens de aangifte -/- € 22.695 bedraagt, levert dit een belastbaar inkomen uit werk en woning op van € 345.540. Weliswaar heeft eiser in de aangifte een persoonsgebonden aftrek (uitgaven wegens ziekte) van € 1.749 opgevoerd, maar gelet op de daarvoor geldende drempel, die is opgenomen in artikel 6.24 van de Wet IB 2001 zoals dat artikel in 2006 luidde, komt eiser niet voor enige aftrek in aanmerking.

11. In 2007, het jaar waarin de andere twee kavels in erfpacht zijn uitgegeven, heeft eiser in dit verband een resultaat uit overige werkzaamheden behaald van € 6.072. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

Eindwaarde kavels

€ 1.600.000

Beginwaarde kavels

€ 650.462

Kosten

€ 943.466 -/-

Resultaat

€ 6.072

12. Het overige inkomen in box 1 bedraagt blijkens de aangifte -/- € 30.163. Dit betekent dat het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden vastgesteld op -/- € 24.091.

13. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in de door verweerder vastgestelde aanslag (naar een positief inkomen) besloten de beschikking dat het verlies in het jaar 2007 nihil bedraagt (vergelijk Hoge Raad 16 december 2005, nr. 41 587, ECLI: NL:HR:2005:AU8169). Eisers beroep (en daaraan voorafgegaan bezwaar) tegen de onderhavige aanslag moet tevens worden opgevat als een beroep tegen de in de aanslag besloten liggende verliesvaststellingsbeschikking over het onderhavige jaar. De rechtbank zal de verliesvaststellingsbeschikking over het jaar 2007 vaststellen op € 24.091.

Box 3

14. Eiser heeft aangevoerd dat voor 2006 een wijziging in box 3 plaatsvindt. Per 1 januari 2006 was in de rendementsgrondslag een bedrag van € 1.050.000 vermeld dat daarin ten onrechte is opgenomen. Per 31 december 2006 en voor het belastingjaar 2007 zijn er geen wijzigingen, aldus eiser. Verweerder heeft deze stellingen niet betwist, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen. Dit brengt voor 2006 een vermindering van het belastbaar inkomen in box 3 mee van 4% x 50% x € 1.050.000 = € 21.000. Er resteert aldus geen belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in 2006.

15. Voor 2007 vinden geen wijzigingen in box 3 plaats. Ten aanzien van de hoogte van de persoonsgebonden aftrek overweegt de rechtbank dat de aangifte gevolgd kan worden, nu het belastbaar inkomen uit werk en woning, gelet op de vaststelling door de rechtbank in overweging 12, negatief is en per saldo evenals in de aangifte sprake is van een negatief verzamelinkomen. Er is sprake van ziektekosten en andere buitengewone uitgaven van in totaal € 3.206. Blijkens de aangifte was eiser geheel 2007 gehuwd. Een en ander leidt er op grond van het bepaalde in artikel 6.24, derde lid, van de Wet IB 2001, zoals dat in 2007 luidde, toe dat sprake is van een drempel van € 1.586 en dat de persoonsgebonden aftrek € 1.620 bedraagt. Nu het niet mogelijk is dit bij het inkomen uit werk en woning in aanmerking te nemen, komt het bedrag op grond van artikel 6.2, tweede lid, van de Wet IB 2001 in mindering op het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Het bedrag van € 12.028 zoals vermeld op de aanslag is reeds het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) na vermindering met de persoonsgebonden aftrek, zodat een nadere correctie niet nodig is.

Conclusie

16. De beroepen zijn gegrond. De belastingaanslagen kunnen niet in stand blijven. De beschikkingen heffingsrente dienen dienovereenkomstig te worden verminderd.

Proceskosten

17. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.704,50 (twee samenhangende zaken, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen, 1 punt voor nadere zitting na tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2006 tot een navorderingsaanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 345.540 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2007 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.028;

  • -

    wijzigt de verliesvaststellingsbeschikking van nihil zodanig dat het verlies uit werk en woning over 2007 wordt vastgesteld op € 24.091;

  • -

    vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 1.704,50;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van 42 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Schokker, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 22 juli 2014

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.



  • -