Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4487

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
14/446
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Elk verzoek om schadevergoeding ex art. 89 Wetboek van Strafvordering dient door de raadkamer op inhoudelijke gronden te worden beoordeeld. Dat geldt ook in de gevallen dat de door de Staat te vergoeden kosten in verband met behandeling in raadkamer van het verzoek hoger zijn dan het bedrag waarover verzoeker en het openbaar ministerie van mening verschillen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2014/98

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Rechtbanknummer : 14/446

Parketnummer 05/840038-14

Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 14 maart 2014 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift, voor zover betreffende artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering, van:

naam: [verzoeker], (hierna: verzoeker)

geboren op : [geboortedatum]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats],

in deze woonplaats kiezende te Heumen aan de Sluisweg 3-B (postbus 10, 6580 AA Malden) ten kantore van zijn advocaat mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes.

De behandeling in raadkamer

In openbare raadkamer van 2 juli 2014 zijn gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    de advocaat van verzoeker mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes,

  • -

    de officier van justitie mr. G. Dankers.

De standpunten

Het verzoekschrift strekt tot toekenning van een geldelijke vergoeding ten bedrage van in totaal € 300,00 ter zake van vergoeding voor schade welke verzoeker ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling heeft geleden.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke conclusie van 6 mei 2014 het standpunt ingenomen dat hetgeen wordt verzocht kan worden toegewezen.

De beoordeling

De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd op 17 februari 2014 met een vrijspraak door de Kinderrechter.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend, immers binnen drie maanden na beëindiging van de zaak.

De raadkamer constateert dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Derhalve is voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen toekennen van een vergoeding.

Detentie

Bij het vaststellen van de hoogte van het te vergoeden bedrag hanteert de raadkamer het in

deze rechtbank gebruikelijke bedrag van € 80,00 per nacht voor ondergane verzekering vermeerderd tot € 105,00 indien dit wordt ondergaan op het politiebureau of in beperkingen.

Verzoeker heeft twee nachten op een politiebureau doorgebracht. Daarvoor komt het een vergoeding toe van € 210,00.

Verzoeker is van mening recht te hebben op een hogere vergoeding, te weten een bedrag van in totaal € 150,-- per dag, in totaal € 300,--.

De raadkamer stelt voorop dat artikel 89 Sv geen aanspraak geeft op een volledige schadevergoeding, maar slechts de mogelijkheid opent van een (niet noodzakelijkerwijs volledige) vergoeding voor de geleden schade, hetzij materieel, hetzij immaterieel. Er heeft zich in de praktijk een gewoonte ontwikkeld om in het algemeen een vergoeding toe te kennen van € 105,00 respectievelijk € 80,00 per dag. Dit berust op de vooronderstelling dat genoemde bedragen in het algemeen een redelijke tegemoetkoming vormen voor geleden schade, zowel materieel als immaterieel. Daarbij is in aanmerking genomen dat persoonlijke vrijheid nu eenmaal een groot goed is en detentie een ernstige belasting vormt voor de persoon van de betrokkene.
Het forfaitaire karakter van deze standaardvergoedingen brengt met zich dat van deze standaardbedragen niet zonder dat bijzondere omstandigheden dat billijk maken afgeweken dient te worden.

De raadkamer is van oordeel dat, gelet op het verhandelde in raadkamer, in dit geval een vergoeding zoals verzocht op zijn plaats is. Verzoeker was ten tijde van de aanhouding en inverzekeringstelling minderjarig. Op een hem gestelde vraag of hij afstand deed van het consultatierecht heeft verzoeker bevestigend geantwoord. Een dergelijke vraag mag, conform geldende richtlijnen, een minderjarige niet gesteld worden. Onder meer op grond hiervan heeft de rechter-commissaris de inverzekeringstelling onrechtmatig geoordeeld. Daarnaast heeft verzoeker pas zeer laat contact op mogen nemen met zijn moeder.

Alle hiervoor omstandigheden in aanmerking genomen, zijn er gronden van billijkheid aanwezig voor het toekennen van een vergoeding zoals verzocht.

De raadkamer zal daarom beslissen als hierna bij de beslissing te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.

Ten overvloede overweegt de raadkamer nog het volgende.

In de schriftelijke conclusie van 6 mei 2014 stelt het Openbaar Ministerie:

“Ondanks dat het Openbaar Ministerie geen aanleiding ziet om een hogere dan de standaardvergoeding toe te kennen, nu er naar haar oordeel immers geen sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat op grond daarvan een hogere vergoeding zou moeten worden toegekend, concludeert het Openbaar Ministerie om procestechnische, praktische en economische redenen tot toewijzing van de gevraagde vergoeding.”

De raadkamer houdt het ervoor – namens het Openbaar Ministerie worden de hiervoor in algemene zin genoemde redenen in de conclusie niet nader toegelicht – dat dit standpunt wordt ingegeven vanuit een oogpunt van kostenbesparing. Het is goedkoper voor de Staat der Nederlanden een bedrag van € 90,-- aan extra schadevergoeding toe te kennen waardoor de zaak (mogelijk) zonder zitting kan worden afgedaan dan te concluderen tot afwijzing van de hogere vergoeding waardoor een behandeling van het verzoek in raadkamer noodzakelijk wordt en daarvoor een extra vergoeding van € 270,-- aan advocaatkosten moet worden toegekend.

De raadkamer onderschrijft deze benadering van schadevergoedingsverzoeken door het Openbaar Ministerie niet. Elk verzoek om schadevergoeding dient op zijn eigen merites beoordeeld te worden, inclusief – in het voorkomende geval – de vraag of er bijzondere omstandigheden zijn die toekenning van een hogere vergoeding dan de gebruikelijke, forfaitaire vergoeding billijk maken. Hiermee verhoudt zich niet vanuit proceseconomische redenen, zoals besparing van kosten, te concluderen tot toewijzing van een hogere vergoeding dan op inhoudelijke gronden billijk wordt geacht. Van een dergelijke benadering zou immers het naar het oordeel van de raadkamer onjuiste signaal kunnen uitgaan dat, zolang maar geen hogere extra vergoeding wordt verzocht dan het verschil tussen de kosten van enkel de indiening van een schadevergoedingsverzoek en de kosten van indiening en mondelinge behandeling in raadkamer van een dergelijk verzoek, het verzochte zonder inhoudelijke toetsing wel zal worden toegewezen.

De beslissing

Kent toe aan verzoeker voornoemd een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van

€ 300,00 (zegge driehonderd euro).

Gelast de griffier van de rechtbank om aan verzoeker voornoemd uit te betalen het bedrag van € 300,00 (zegge driehonderd euro).

Beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan.

Aldus gegeven in raadkamer door mr. C.M.E. Lagarde, (plv.-) Kinderrechter, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 9 juli 2014.