Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4484

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-07-2014
Datum publicatie
18-07-2014
Zaaknummer
05/820045-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het veroorzaken van een verkeersongeval met dodelijke afloop tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren.

(Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Promis II

Parketnummer : 05/820045-14

Datum zitting : 4 juli 2014

Datum uitspraak : 18 juli 2014

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Polen)

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsvrouw : mr. L. Koers, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 11 januari 2014 te Harskamp, gemeente Ede, als verkeersdeelnemer), namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede komende uit de richting Otterlo, gaande in de richting Harskamp, op de Otterloseweg roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij,

verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank, althans na het beruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank en/of

na het roken van wiet, heeft gereden en/of

in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, geheel of gedeeltelijk met dat motorrijtuig (personenauto) in de rechter berm van die weg is terecht gekomen en/of

naar links heeft gestuurd en/of

in een slip is geraakt, waarna voormeld motorrijtuig (personenauto) is gekanteld en/of

tegen een boom is gebotst of aangereden/aangegleden, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

a. a) hij op of omstreeks 11 januari 2014 te Harskamp, gemeente Ede, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,69 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl

voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

b) hij op of omstreeks 11 januari 2014 te Harskamp, gemeente Ede, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede komende uit de richting Otterlo, gaande in de richting Harskamp, op de Otterloseweg heeft gereden en in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, geheel of gedeeltelijk met dat motorrijtuig

(personenauto) in de rechter berm van die weg is terecht gekomen en/of naar links heeft gestuurd en/of in een slip is geraakt, waarna voormeld motorrijtuig (personenauto) is gekanteld en/of tegen een boom is gebotst of aangereden/aangegleden, door welke gedraging/en van hem verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 4 juli 2014 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. L. Koers, advocaat te Arnhem.

Als nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer], is [nabestaande] ter terechtzitting verschenen.

De officier van justitie, M.R. van Nes, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De uitslag van de bloedproef

De verdediging heeft aangevoerd dat de procedure met betrekking tot het onderzoek betreffende het gebruik van alcohol niet juist is geweest, nu is verzuimd om aan verdachte te verzoeken mee te werken aan een ademanalyse.
In dit verband constateert de rechtbank dat verdachte na het ongeval door de ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. In het ziekenhuis is er met toestemming van verdachte bloed afgenomen voor een bloedproef.2

Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat de uitslag van deze bloedproef niet kan dienen tot bewijs, overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij na het ongeval versuft naast de auto heeft gezeten, dat er meteen omstanders te hulp schoten en dat hij -gelet ook op zijn eigen verwondingen- ongeveer 15 minuten na het ongeval met een ambulance naar het ziekenhuis is gebracht. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden er op dat moment niet naar waren dat de politie ter plaatse, en ook niet daarna in het ziekenhuis, bij verdachte een ademanalyse kon afnemen. Aangenomen mag worden dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 163 lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), in welke situatie de betrokkene ingevolge het vierde lid van genoemd artikel kan worden verzocht om toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek.
De enkele omstandigheid dat verdachte ten tijde van de met zijn toestemming ondergane bloedproef eventueel mogelijk in staat zou zijn geweest zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, doet niets af aan de geldigheid van de bloedproef. Er is geen sprake van een vormverzuim en de uitslag van de bloedproef kan dan ook als bewijsmiddel worden gebezigd.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.


Op 11 januari 2014 reed verdachte als bestuurder van een personenauto op de Otterloseweg te Harskamp, gemeente Ede. Verdachte kwam uit de richting Otterlo en reed in de richting van Harskamp. In of nabij een naar links verlopende bocht op de Otterloseweg is verdachte in de rechterberm van de weg terecht gekomen. Om uit de rechterberm van de weg te komen heeft verdachte naar links gestuurd en is in een slip geraakt. De auto is in de linkerberm terecht gekomen en tegen een boom gebotst.3 In de auto zat ook [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer]) en hij is door het verkeersongeval gedood.4 Verdachte heeft gereden onder invloed van alcoholhoudende drank en na het roken van wiet.5 De uitslag van de eerdergenoemde bloedproef is 1,69 milligram alcohol per milliliter bloed.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW 1994. Daartoe is aangevoerd dat verdachte in de auto is gestapt na het drinken van meerdere halve liters bier, een ander alcoholisch drankje en na het roken van pure wiet. De officier van justitie neemt het verdachte kwalijk dat hij onder invloed van die aanzienlijke hoeveelheid alcoholische drank achter het stuur is gestapt en samen met [slachtoffer] op weg is gegaan om nog meer bier te halen. Daar komt nog bij dat verdachte beginnend bestuurder was. In de flauwe bocht is verdachte van de weg geraakt en in de berm terecht gekomen. Vervolgens is verdachte in een slip geraakt, op de linker weghelft beland en tegen een boom gebotst. De officier van justitie acht het niet aannemelijk dat verdachte moest uitwijken omdat er een tegenligger op zijn weghelft zou rijden. Mocht hier, ondanks dat er geen aanwijzingen zijn voor die mogelijke tegenligger, sprake van zijn, dan nog geldt dat verdachte zodanig onder invloed was dat hij niet in staat was zijn auto te besturen en adequaat op deze verkeerssituatie te reageren. Gelet op de gedragingen van betrokkene, en gezien de geldende jurisprudentie, is de officier van justitie van mening dat er sprake is van grove schuld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak voor het primair ten laste gelegde, nu niet wettig kan worden bewezen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994. Weliswaar staat onomstotelijk vast dat verdachte onder invloed van alcohol heeft gereden (hij verklaart dat immers zelf) en dat verdachte een inschattingsfout heeft gemaakt, doch het is niet onwaarschijnlijk dat verdachte goed heeft gereden en dat het ongeval is ontstaan doordat er een tegenligger op hem af kwam. Verdachte is hierdoor in een slip geraakt en iedere bestuurder had in een dergelijke situatie een beperkte kans gehad om het ongeval te voorkomen. Daar komt bij dat het vochtig weer was en dat het wegdek nat was. Ook brandde er geen straatverlichting langs de weg. Aldus staat niet vast dat het rijgedrag van verdachte tot het ongeval heeft geleid.
Aangezien iedere verwijtbaarheid ontbreekt, kan het subsidiair onder B ten laste gelegde evenmin worden bewezen. Ook hiervan dient verdachte te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank



Feitelijke gedragingen

De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd, kunnen worden bewezen (en vervolgens of de bewezen verklaarde feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 opleveren).

Verdachte heeft verklaard dat hij op de Otterloseweg met een snelheid van ongeveer 80 km/u reed, ook toen hij in de naar links verlopende bocht kwam. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in die bocht genoodzaakt was naar rechts te sturen, omdat een tegemoetkomende auto deels op zijn weghelft reed. Door deze oorzaak is hij naar zijn zeggen in de berm aan de rechterzijde van de weg terecht gekomen en heeft hij vervolgens naar links gestuurd.7

De rechtbank overweegt in dit verband allereerst dat in de bewijsmiddelen geen enkele concrete aanwijzing is te vinden die de aanwezigheid van een tegenligger, deels op de weghelft van verdachte, aannemelijk maakt. De oorzaak van het in de rechterberm geraken van de auto van verdachte is dan ook niet bekend. Wel staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, om uit die berm te komen, te hard aan het stuur heeft gedraaid (naar links), met een slip en de botsing tegen de boom aan de linkerzijde van de weg tot gevolg.

Daarbij acht de rechtbank niet bewezen dat de auto van verdachte is gekanteld. Verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat de auto is gekanteld en het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse d.d. 5 februari 2014 biedt hiervoor ook onvoldoende aanknopingspunten.

Naar het oordeel van de rechtbank mag worden aangenomen dat het feit dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde - zijn bloed bevatte acht maal de toegestane hoeveelheid
alcohol - heeft bijgedragen aan de gemaakte manoeuvres, waaronder de overcorrectie naar links, en daarmee aan het ontstaan van het ongeval. Het is algemeen bekend dat het drinken van alcoholische drank (onder andere) het reactievermogen en daarmee de rijvaardigheid beïnvloedt. Verdachte heeft zelf ter terechtzitting ook verklaard dat hij zich door het drinken van de alcohol niet helemaal helder voelde en dat hij verzwakt was.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994

De vraag is vervolgens of de bewezen verklaarde feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden gespiegeld aan dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Eerst het in aanmerkelijke mate niet in acht nemen van de normaal te verlangen voorzichtigheid levert schuld in de zin van genoemd artikel op. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.

Van iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op onverwachte verkeerssituaties. Verdachte heeft echter toen hij in de berm aan de rechterzijde van de weg geraakte, in plaats van hierop, met inachtneming van de nodige voorzichtigheid, adequaat te reageren, een stuurbeweging met overcorrectie naar links gemaakt en hij heeft zijn auto niet onder controle kunnen houden. Hierbij verkeerde hij onder invloed van alcohol. Daarmee heeft verdachte de voor hem geldende zorgplicht niet in acht genomen en zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag vertoond. Gelet hierop kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 worden verweten.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 11 januari 2014 te Harskamp, gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede komende uit de richting Otterlo, gaande in de richting Harskamp, op de Otterloseweg zeer, onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij,

verdachte onder invloed was van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank en

na het roken van wiet, heeft gereden en

in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, gedeeltelijk met dat motorrijtuig (personenauto) in de rechter berm van die weg is terecht gekomen en

naar links heeft gestuurd en in een slip is geraakt, waarna voormeld motorrijtuig (personenauto) tegen een boom is gebotst en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, als bedoeld in artikel 8, derde lid, van deze wet

Het feit is strafbaar.

5 De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan
6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd dat hij reeds zijn rijbewijs kwijt is geweest. De officier van justitie is tot deze eis gekomen omdat verdachte met een aanzienlijke hoeveelheid alcohol heeft gereden en een ongeval heeft veroorzaakt. Door het verkeersgedrag van verdachte is [slachtoffer] om het leven gekomen. Tot slot is verdachte al eerder voor rijden onder invloed van alcohol veroordeeld, waarvan verdachte kennelijk niets heeft geleerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen. In de eerste plaats omdat voor een groot deel van de tenlastelegging vrijspraak zou moeten volgen. Voor het geval de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde zou komen, en indien de rechtbank mocht overwegen om een gevangenisstraf op te leggen, dan dient er een reclasseringsrapport te worden aangevraagd houdende een advies over de detentiegeschiktheid van verdachte. Een maximale werkstraf, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor een passende periode, zou dan meer in de rede liggen. Indien tot een bewezenverklaring van artikel 5 van de WVW 1994 wordt gekomen, dan verzoekt de verdediging een passende werkstraf op te leggen en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor een passende periode.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de meervoudige kamer rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 juni 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder nog het navolgende.

Verdachte is met een aanzienlijke hoeveelheid alcohol op achter het stuur gaan zitten. Samen met zijn vriend [slachtoffer], het latere slachtoffer, had hij besloten in een nabij gelegen café nog wat bier te gaan halen omdat dat op was. Tijdens deze (korte) rit is hij - na in een slip te zijn geraakt - tegen een boom gereden. Dit zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag van verdachte heeft fatale gevolgen gehad voor [slachtoffer]. Door zich zo te gedragen heeft verdachte niet alleen schuld aan het overlijden van [slachtoffer], maar bovendien de nabestaanden, waaronder [slachtoffer] vrouw, kinderen en stiefkind, groot leed berokkend. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de vrouw van [slachtoffer] blijkt hoe groot het leed is voor haar en de kinderen. Dit valt met geen enkele straf te herstellen.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ondanks zijn jonge leeftijd eerder in verband met rijden onder invloed in aanraking is geweest met justitie. Hij heeft bovendien nog niet zo lang zijn rijbewijs en moet daarom worden aangemerkt als beginnend bestuurder.

Aan de andere kant houdt de rechtbank er ook rekening mee dat verdachte door het ongeval een goede vriend is verloren en zelf ook zal moeten leren leven met het besef welke rol hij hierin heeft gehad. Ter terechtzitting heeft hij er blijk van gegeven veel spijt te hebben van zijn gedragingen en onder de gevolgen daarvan gebukt te gaan.

De rechtbank heeft voorts voor de straftoemeting ook aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor de straftoemeting met betrekking tot overtreding van artikel 6 WVW 1994.

Alles in aanmerking genomen acht de rechtbank een gevangenisstraf, lager dan door de officier van justitie geëist, passend. De rechtbank houdt meer dan de officier van justitie rekening met de strafverlagende omstandigheden.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank ten slotte voor de duur van vier jaar aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

Voorwaardelijk verzoek van de verdediging

De rechtbank acht zich op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht. De zaak zal dan ook niet worden aangehouden om een reclasseringsrapport over de detentiegeschiktheid van verdachte op te laten maken. Het voorwaardelijk verzoek van de verdediging hiertoe wordt afgewezen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

A. Een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 4 (vier) jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 179, lid 6, van de Wegenverkeerswet 1994.

Aldus gewezen door:

mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. A.M. van Gorp en mr. M.A. Bijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2014.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de regiopolitie Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL074H 2014004764, gesloten op
26 februari 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal Misdrijf, d.d. 14 februari 2014, p. 133 onder het kopje Toestemming bloedonderzoek en Medewerking bloedonderzoek en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 12 januari 2014,
p. 135.

3 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, d.d. 5 februari 2014, p. 57, onder het kopje 5.2 Oorzaak, toedracht en gevolg.

4 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, d.d. 5 februari 2014, p. 59, onder het kopje 7.5 Schouw.

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 juli 2014.

6 Het rapport alcohol in het verkeer van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 21 januari 2014, p. 136

7 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 juli 2014