Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2014:4482

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2014
Datum publicatie
22-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_4271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo, hulp in de huishouding, CIZ-protocol, gewijzigd beleid, normtijden en herindicatie.

Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt waarop de nieuwe normen concreet zijn gebaseerd. Verweerder beroept zich weliswaar op nieuwe inzichten met betrekking tot de voor het doen van het huishouden noodzakelijke tijd, maar geeft niet aan waarop deze berusten. De enkele verwijzing naar overleg met zorgverleners volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2014/212

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 13/4271

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. P.J. de Rooij),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 6 april 2013 tot en met 5 juli 2013 in aanmerking komt voor drie uren per week hulp in de huishouding. Vanaf 6 juli 2013 heeft zij geen recht meer op hulp in de huishouding.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 10 april 2013 heeft verweerder een nieuw indicatiebesluit genomen. Met ingang van 6 april 2013 heeft eiseres recht op vier uren per week hulp in de huishouding. De indicatie is geldig tot en met 5 april 2020.

Bij besluit van 7 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. B.J. Dijk. Tevens was aanwezig haar schoonzoon [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door K. Matthews en H.J.C. Jonkman. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en de zaak verwezen ter behandeling door de meervoudige kamer van de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 13 juni 2014. Eiseres is daar – met bericht van verhindering – niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.M. Visser en H.J.C. Jonkman.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres heeft sinds september 2005 een dwarslaesie als gevolg van een ongeval. Hieruit vloeien beperkingen voort en eiseres is rolstoelgebonden. Eiseres heeft onder meer problemen met betrekking tot het doen van licht huishoudelijk werk, zwaar huishoudelijk werk en met betrekking tot de wasverzorging. Hiervoor is haar hulp in de huishouding op grond van de Wmo toegekend in de vorm van een persoonsgebonden budget.

2.

Naar aanleiding van het vastgestelde nieuwe beleid van verweerder ten aanzien van hulp in de huishouding heeft verweerder een heronderzoek laten plaatsvinden bij die personen die een indicatie ter zake hebben gekregen. Dit heeft geleid tot het thans in geding zijnde besluit.

3.

Verweerder heeft aan de herindicatie enerzijds het gewijzigde beleid ten grondslag gelegd en anderzijds het feit dat de situatie is veranderd, aangezien de dochter van eiseres, met schoonzoon en kinderen, bij eiseres is komen inwonen.

Verweerder heeft vastgesteld dat eiseres slechts voor een klein deel in staat is het huishouden te doen, dat de dochter van eiseres niet in staat wordt geacht mee te helpen en dat de schoonzoon van eiseres in staat kan worden geacht een deel van het huishouden te doen. Eiseres komt niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar zij deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten (gebruikelijke zorg). De schoonzoon wordt in staat geacht de lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en een deel van de wasverzorging. Op basis van het voorgaande bestaat er een noodzaak voor het overnemen van de zware huishoudelijke werkzaamheden (210 minuten) en de extra wasverzorging (30 minuten) vanwege de noodzakelijke extra was. Het vorenstaande heeft verweerder gebaseerd op het advies van R.J.H. Klooster, sociaal geneeskundige van Ausems en Kerkvliet van 27 maart 2013 en het daaropvolgende rapport van K. Matthews.

Ten aanzien van het zware huishoudelijk werk

4.

Bij de herindicatie is de – in het nieuwe beleid opgenomen – gemiddelde tijd voor het schoonmaken van een eengezinswoning genomen, 150 minuten, verhoogd met het schoonhouden van vier (extra) ruimten vanwege intensief gebruik. Met betrekking tot deze vier ruimten is 15 minuten per ruimte toegekend. In totaal gaat het om 210 minuten.

Eiseres had tot aan de herindicatie, wat het zwaar huishoudelijk werk betreft, 30 minuten meer, te weten 240 minuten.

5.

Het nieuwe beleid is neergelegd in de beleidsregel, "Hulp bij het huishouden 2012", en is op 9 oktober 2012 vastgesteld. In dit nieuwe beleid wordt – voor zover van belang – niet meer standaard een indicatie gegeven voor het schoonmaken van de gehele woning, maar wordt gekeken naar het intensief gebruik van ruimten in een woning. Voor het overnemen van zwaar huishoudelijk werk in een meerpersoonshuishouden wordt standaard uitgegaan van 150 minuten. Deze standaardtijd bestaat uit 120 minuten schoonmaaktijd voor één slaapkamer, de keuken, de natte cel en de woonkamer, alsmede 30 minuten extra voor het schoonhouden van de trap en het in een lagere frequentie schoonhouden van de minder intensief gebruikte ruimten. Voor elke ruimte, die nog wel intensief wordt gebruikt kan 15 minuten extra worden toegekend.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat wat het zwaar huishoudelijk werk in een meerpersoonshuishouden betreft, in het nieuwe beleid 30 minuten minder is opgenomen dan in het daarvoor geldende beleid. Als onderbouwing voor deze verandering in normtijden, heeft verweerder de gewijzigde wijze van indiceren genoemd. Er wordt, anders dan voorheen, gekeken naar gebruiksruimten die intensief schoongemaakt worden. Destijds was het zogeheten CIZ-protocol het uitgangspunt voor de normtijden. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat in overleg met de zorgverleners naar voren is gekomen dat in de praktijk is gebleken dat lagere normtijden ook toereikend zijn, hetgeen voor zwaar huishoudelijk werk heeft geleid tot lagere normtijden.

6.

De rechtbank overweegt dat verweerder bij de bepaling van het aantal uren hulp bij het huishouden in beginsel mag uitgaan van de in het gemeentelijke beleid neergelegde normtijden.

Deze normtijden werden tot aan de herindicatie in het geval van eiseres ontleend aan het (CIZ-) protocol inzake huishoudelijke verzorging. Dit protocol is tot stand gekomen na het bieden van de mogelijkheid van commentaar door en in overleg met de volgende (landelijke) (koepel)organisaties, behorende tot de Regiegroep Indicatiestelling AWBZ: Arcares, VGN, MEE, Per Saldo, CG Raad, LOT, Cliëntenbond en LOC. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) kunnen de aldus tot stand gekomen normtijden als afdoende maatstaf gelden (zie, onder andere, de uitspraak van 18 december 2007 ECLI:NL:CRVB:2007:BC1097). Daarbij geldt wel dat verweerder op grond van individuele omstandigheden tot een hogere dan wel lagere indicatie kan komen. Verweerder is op deze wijze in beginsel in staat te voldoen aan de in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatieplicht. Genoemde normtijden zijn voorts één op één overgenomen bij de invoering van de Wmo en wederom geaccepteerd in de rechtspraak. (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM1718).

7.

De rechtbank stelt voorop dat een wijziging van de normtijden in beginsel is toegestaan, maar een dergelijke wijziging dient gezien het voorgaande gebaseerd te zijn op een daaraan voorafgaand zorgvuldig onderzoek.

Hoewel daarnaar ter zitting van 13 juni 2014 expliciet is gevraagd – hetgeen in de kennisgeving voor de zitting van 21 mei 2014 is aangekondigd – heeft verweerder niettegenstaande het voorgaande niet duidelijk gemaakt waarop de nieuwe normen concreet zijn gebaseerd. Verweerder beroept zich weliswaar op nieuwe inzichten met betrekking tot de voor het doen van het huishouden noodzakelijke tijd, maar geeft niet aan waarop deze berusten. De enkele verwijzing naar overleg met zorgverleners volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet. Dit klemt te meer nu niet duidelijk is geworden wie precies zijdens de betrokken zorgaanbieder(s) heeft geoordeeld dat deze normen volstaan, noch op welke grondslag dit nieuwe beleidsmatige standpunt wordt ingenomen. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een (empirisch) onderzoek waaruit blijkt dat de nieuwe normen inderdaad volstaan. De rechtbank overweegt dat een dergelijke geobjectiveerde onderbouwing van het nieuwe beleid onontbeerlijk lijkt, omdat nieuwe normen zonder objectieve onderbouwing immers zouden impliceren dat sinds 2005 steeds te ruim (en dus foutief) is geïndiceerd. Zonder nadere onderbouwing acht de rechtbank dit niet aannemelijk en bovendien onlogisch. Immers, zoals eerder overwogen, zijn de voorheen geldende normen landelijk en met dekking van een groot aantal betrokken koepelorganisaties ontwikkeld, waartoe wordt verwezen naar de inleidende pagina(‘s) van meermalen genoemd protocol.

De rechtbank kan onder de gegeven omstandigheden dan ook niet anders concluderen dan dat de huidige normen niet tot stand zijn gekomen op basis van een zorgvuldige voorbereiding en daarom de besluitvorming niet kunnen dragen.

8.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het voorgaande voorts dat artikel 4 Wmo ongewijzigd is gebleven, hetgeen betekent dat verweerder bij de toepassing van het nieuwe beleid moet kunnen uitleggen dat nog steeds wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4 van de Wmo. Ten aanzien van eiseres heeft verweerder, gelet op hetgeen hiervoor over het beleid is overwogen, niet onderbouwd waarom voor het zwaar huishoudelijk werk na de herindicatie 30 minuten minder kan worden toegekend, zonder dat dit betekent dat eiseres niet meer voldoende wordt gecompenseerd. De beperkingen van eiseres zijn niet afgenomen, de grootte van de woning is niet gewijzigd en voorheen was 30 minuten meer toegekend voor hulp bij het huishouden bij zwaar huishoudelijk werk.

Nu verweerder zich enkel op zijn beleid heeft gebaseerd en dus ook niet anderszins heeft gemotiveerd dat het aantal geïndiceerde minuten voldoende compensatie biedt, kan het bestreden besluit in zoverre geen stand houden. Het beroep is in zoverre gegrond.

Ten aanzien van het lichte huishoudelijk werk en de wasverzorging

9.

Eiseres kan zich voorts niet verenigen met het standpunt van verweerder dat de [schoonzoon] in staat is de lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten en een deel van de wasverzorging.

10.

De rechtbank stelt vast dat gebleken is dat het beleid betreffende het licht huishoudelijk werk en de wasverzorging ongewijzigd is ten opzichte van het oude beleid en de daarin opgenomen normtijden.

De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van verweerder op dit punt zorgvuldig is geweest. Naar aanleiding van het bezwaar heeft verweerder een nader advies gevraagd, waarbij rekening is gehouden met hetgeen eiseres heeft aangevoerd. Klooster heeft onderzoek verricht naar de mogelijkheden van eiseres, dochter en schoonzoon en heeft de relevante (medische) feiten en omstandigheden meegewogen. Naar aanleiding van zijn onderzoek heeft Klooster op 27 maart 2013 rapport uitgebracht, op welk rapport verweerder zich heeft gebaseerd. Klooster heeft in beroep nog gereageerd op de beroepsgronden en aanvullend gerapporteerd op 12 oktober 2013.

De rechtbank ziet, gelet op het hiervoor aangehaalde onderzoek van verweerder, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de [schoonzoon] niet in staat is de lichte huishoudelijke werkzaamheden en een deel van de wasverzorging te verrichten. Eiseres heeft geen medische gegevens ingebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de conclusies in het rapport van 27 maart 2013 met betrekking tot de mogelijkheden van eiseres dan wel haar schoonzoon. Overwogen wordt dat het in kaart brengen van de mogelijkheden van de dochter en de schoonzoon van eiseres nu juist de reden was van het aanvullend rapporteren van de arts op 27 maart 2013. Dat eiseres en de schoonzoon tijdens het onderzoek van Klooster de indruk hebben gekregen dat de herindicatie niet tot een verlaging zou leiden maakt niet dat het bestreden besluit op dit punt onjuist is.

Het betoog van eiseres dat ter zake van het lichte huishoudelijk werk en de wasverzorging te weinig hulp in de huishouding is geïndiceerd treft dan ook geen doel.

11.

De rechtbank komt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de indicatie voor hulp in de huishouding voor zwaar huishoudelijk werk, zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheden voor verweerder om het geconstateerde gebrek te herstellen en ziet reden om zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 10 april 2013 in zoverre te herroepen en eiseres een half uur hulp in de huishouding extra toe te kennen. De rechtbank bepaalt dat eiseres met ingang van 6 april 2013 recht heeft op vier uren per week hulp in de huishouding voor het overnemen van de zware huishoudelijke werkzaamheden. De indicatie is geldig tot en met 5 april 2020.

12.

De rechtbank ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. De proceskosten in beroep zijn begroot op € 974 (twee maal € 487, beroepschrift en zitting 6 december 2013) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de indicatie voor hulp in de huishouding voor zwaar huishoudelijk werk;

- herroept het besluit van 10 april 2013 in zoverre en bepaalt dat eiseres met ingang van 6 april 2013 recht heeft op vier uren hulp in de huishouding voor het overnemen van de zware huishoudelijke werkzaamheden;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 974;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 44 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. S.W. van Osch-Leysma, leden, in aanwezigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening